Verhalenarchief 2010-2011

Afdrukken

Iedere maand vind je hier een nieuw verhaal uit de serie teamdossier. 

 

 

 

 

Je maakt kennis met de journalist Remco Jongeneel en de fotografe Marieke Wielinga.

Alle verhalen spelen in de tijd dat Marieke en Remco nog niet zo lang bij het Christelijk Dagblad werkten.

Veel leesplezier

SPECIAL



 

 

ONTDEKKING AAN DE BOSRAND

De spanning in de oude Eend van de jonge journalist Remco Jongeneel  was om te snijden. Zijn gezelschap, de fotografe Marieke Wielinga, zat strak voor zich uit te kijken. De vergadering van de politieke vereniging, waar het tweetal een verslag van had moeten maken voor de krant waarvoor ze werkten, was behoorlijk uitgelopen. Maar wat Marieke nog het meest dwarszat, was dat Remco daarna nog minstens twintig minuten met een kennis had staan praten. Ze wilde naar huis, het liefst ze snel mogelijk! En nu had Remco er ook nog voor gekozen een binnenweg te nemen in plaats van de snelweg, omdat ze zo volgens zijn zeggen een hele hoek afsneden. Marieke kon hem wel villen! De weg waarover ze reden was af en toe behoorlijk verzakt, waardoor ze op haar bank heen en weer werd geslingerd.

  Remco, die wel door had dat Marieke de smoor in had, tuurde gespannen naar de weg voor hem. Ze kwamen bij een tweesprong en op goed geluk koos hij de linkerkant. Voor geen goud wilde hij Marieke vertellen, dat hij er geen flauw idee van had, waar ze op dat moment zaten. Als zijn collega dat doorkreeg, was het hek natuurlijk helemaal van de dam.

Inwendig zuchtte Remco diep. Vrienden zouden hij en Marieke wel nooit worden! Hoewel ze door hun hoofdredacteur Erik Drent regelmatig samen op pad werden gestuurd en ze al het nodige hadden meegemaakt, wilde het op één of andere manier maar niet lukken normaal tegen elkaar te doen. Hij had zich de laatste maanden al heel vaak afgevraagd hoe lang het nog zou duren voor de bom weer eens zou barsten. Als hij naar het strakke gezicht van het meisje naast hem keek, wist hij dat dat moment wel eens heel dichtbij kon zijn.

Remco werd uit zijn sombere overpeinzingen opgeschrikt, doordat de motor van zijn Eend begon te sputteren. Marieke had het kennelijk ook gehoord, want geschrokken keek ze hem aan.

Remco had onmiddellijk door wat er aan de hand was. Hij had die middag moeten tanken, maar was dat in de drukte helemaal vergeten.

“Wat is er aan de hand?” vroeg Marieke scherp. Een laatste gereutel van de motor van de Eend was het antwoord. De stilte die daarop volgde sprak voor zich.

“Heeft dat oude ding het eindelijk voorgoed af laten weten?” vroeg Marieke spottend.

“Het ligt niet aan m’n auto,” verdedigde Remco zijn trouwe voertuig. “Ik had vanmiddag moeten tanken.”

“Wat ben je ook een….” Marieke slikte het lelijke woord, dat op het puntje van haar tong lag, nog net in. “Ik neem aan dat je lid bent van de Wegenwacht?”

“Heel verstandig, als je in zo’n oud barrel rondrijdt,” constateerde Marieke. “Noou, waar wacht je op? Ga ze bellen!’

“Ik heb geen telefoon bij me,” moest Remco bekennen. “Ik had niet gedacht dat we die vandaag nodig zouden hebben.”

Marieke ontplofte zowat.

“Half Nederland loopt onnodig met zo’n mobieltje rond, terwijl jij, die zo’n ding regelmatig voor je werk nodig hebt, het thuis laat liggen. Hoe is het mogelijk!”

“Ik heb hem op m’n werk laten liggen,” verdedigde Remco zich zwakjes. “Privé heb ik niet zo’n ding en als het even kan wil ik dat graag zo houden.”

“Nou, daar zitten we dan,” zei Marieke. “Ergens middenin het bos, ik weet niet hoe ver van de bewoonde wereld vandaan. Je wordt bedankt!”

Remco keek om zich heen. Marieke had gelijk. Ze bevonden zich inderdaad middenin een bos en niets wees op de aanwezigheid van mensen.

Met een diepe zucht opende hij het portier van zijn auto.

“Blijf jij maar hier,” zei hij tegen Marieke, “dan ga ik op zoek naar een huis waar ik kan bellen.”

“Geen sprake van,” zei Marieke. “Ik blijf hier voor geen goud alleen in het bos achter. Stel dat er iemand langskomt die mij hier in m’n eentje aantreft.”

‘Mijn Eendje,’ grinnikte Remco inwendig. Toch paste hij er wel voor op dat hardop te zeggen. Het was niet nodig Marieke nog meer op stang te jagen.

“Laten we maar gaan,” zei hij alleen.

Marieke maakte het achterportier open en duwde haar zware fototas in Remco’s handen.

“Hier,” zei ze. “Die mag jij dragen!”

“Kunnen we die spullen niet gewoon in de auto laten liggen?” probeerde Remco nog. Marieke schudde haar hoofd.

“Als je een normale auto had gehad, was het geen punt geweest,” zei ze. “Maar bij dit gammele geval kan iedereen binnen de kortste keren inbreken. Ik voel er niets voor mijn spullen te laten liggen.”

Remco keek naar de draagtas, waarin zijn laptop zat. Marieke had gelijk, ze konden beter geen waardevolle spullen in de auto achterlaten. Er hoefde maar iemand met grijpgrage handjes langs te komen en ze waren hun bezittingen kwijt.

Met zichtbare tegenzin hees hij de laptop over zijn linkerschouder en de fototas over zijn rechterschouder.

‘Zo loop ik in ieder geval in evenwicht,’ bedacht hij.

Marieke nam de leiding en wees op de weg die voor hem lag.

“Laten we die kant maar opgaan,” zei ze. “Ik heb de laatste tien minuten dat we reden niets anders dan bos gezien, dus heeft teruggaan geen zin.”

Zonder op een reactie van Remco te wachten begon ze te lopen. De jongen kon niets anders doen dan haar volgen.

Zwijgend liepen ze een minuut of tien verder, tot het bos wat minder dicht was. Kort daarna hadden ze de bosrand bereikt. Doordat hun ogen inmiddels goed aan het donker gewend waren, zagen ze de donkere schaduw tegen de rand van de bosrand meteen.

“Daar staat een huis,” zei Remco opgelucht. “Hopelijk kunnen we daar bellen.”

Marieke aarzelde even.

“Het ziet er allemaal nogal onbewoond uit,” zei ze.

“Welnee,” zei Remco optimistisch. “Er woont vast wel iemand.”

“Maar het is er stikdonker,” zei Marieke. “Er wonen vast geen mensen.”

“Weet je wel hoe laat het is?’ lachte Remco. “De bewoners liggen natuurlijk allang op één oor.”

“Ja, normale mensen slapen inderdaad om deze tijd,” zei Marieke. Het klonk sarcastisch, maar Remco deed net of hij het niet gehoord had. Hij begon het pad op te lopen, dat naar het gebouw voerde. Aarzelend volgde Marieke zijn voorbeeld. De boerderij, of wat het ook was, joeg haar om de één of andere reden angst aan. Toen vanuit het bos de sinistere roep van een uil klonk, klemde ze zich aan Remco vast.

Ze waren het gebouw tot op een meter of twintig genaderd, maar het was en bleef doodstil. Doordat op dat moment de wolken voor de maan wegschoven konden ze zien dat ze voor een oude boerderij stonden. Voor de ramen zaten groengeverfde luiken, die allemaal potdicht zaten.

“Niet echt gastvrij,” constateerde Marieke. “Zullen we het ergens anders proberen?”

“Waarom?” vroeg Remco. “Ik heb geen zin om een meter verder te sjouwen dan nodig is.”

Hij liep naar de deur toe, die in de zijmuur van het boerderijtje zat. Hij wilde er net een stevige roffel op geven, toen Marieke hem tegenhield.

“Volgens mij is er hier iets niet pluis.”

“Onzin,” vond Remco. “Laten we opschieten, want ik wil naar huis.”

Op datzelfde moment hoorden ze een gerucht achter zich.

Geschrokken keken Marieke en Remco om. Over het pad dat naar de boerderij liep, naderde een auto.

“Daar komt de bewoner!” zei Remco opgelucht. “Hopelijk kan hij ons wat benzine lenen.”

De wagen draaide met piepende banden het erf op en kwam op nog geen halve meter voor het tweetal tot stilstand.

Een grote man in een keurig kostuum sprong eruit.

“Hij lijkt helemaal niet op een boer,” schoot het Remco door z’n hoofd. Veel tijd om daar verder over na te denken, kreeg hij niet. De man was in drie grote stappen bij hem en greep hem niet al te zachtzinnig vast bij de revers van z’n jas.

“Wat moet dat hier?” blafte de man.

“We zijn een eindje verderop gestrand en zijn op zoek naar hulp,” legde Remco uit. Hij kon niet voorkomen dat zijn stem trilde.

Minachtend keek de man hem aan.

“En dat moet ik geloven!” zei hij spottend. “Vandaar die cameratas. Je hebt zeker gehoord dat er hier iets niet deugt en komt in het holst van de nacht poolshoogte nemen. Vertel me eens, wie jullie heeft ingeseind.”

“Waar hebt u het over?’ vroeg Remco verbaasd.

“Houd je nou maar niet van de domme!” sneerde de man. “Ik kan op een kilometer afstand ruiken dat jullie voor een krant werken. Of ben je misschien ook van plan dat te ontkennen?”

Zonder op een antwoord van de verbaasde Remco te letten, ritste hij de jas van de jongen los en viste z’n perskaart uit z’n binnenzak.

“Zie je wel dat ik gelijk heb!” zei hij triomfantelijk. “Wel, als je zo graag wilt weten wat er binnen gebeurt, zal ik het je laten zien. Het spreekt voor zich dat ik daarna wel genoodzaakt ben jullie op te sluiten, totdat wij gevlogen zijn.”

Op datzelfde moment ging de deur van de boerderij open en een slaperige jongeman stond in zijn ondergoed in de deuropening.

“Mooie wacht ben jij!” sneerde de man. “Ik wil wedden dat jij lag te pitten, terwijl deze twee nieuwsgierige pottenkijkers rond de boerderij slopen. Nog een geluk dat ik vanavond een fijne deal kon afsluiten met iemand die het spul op stel en sprong nodig had! Nu weten we een ramp te voorkomen. Ik moet er niet aan denken dat ons fijne boerderijtje morgenochtend op de voorpagina van één of andere krant had gestaan.”

“Wat ben je met die twee van plan, Leo?” wilde de man in ondergoed weten.

“Noem mijn naam niet!” siste de man. “Die twee weten toch al meer dan me lief is.” En tegen Marieke en Remco: “Naar binnen jullie!”

“Ik pieker er niet over,” zei Marieke. “Ik begrijp niet waar jullie het over hebben. Die sufferd (ze wees met haar hoofd naar Remco) is zo stom geweest niet te tanken met dat roestige Eendje van hem. Alleen daarom zijn we hierheen gekomen!”

“Met een paar grote tassen, waarin als ik het goed zie een laptop en een camera zitten. Laat me niet lachen. Geef nu maar toe dat jullie een hint hebben gehad en dachten dat jullie hier ’s nachts ongezien konden rondneuzen.”

“Wat gaat u met ze doen, baas?” wilde de wacht opnieuw weten.

“Dat zien we straks wel. Sluit ze eerst maar op in de kelder.”

“Geen sprake van,” zei Remco. “Ik wil hier weg!”

“Je hebt niets te willen,” zei Leo droog. “Hup, hup, naar binnen jullie. Ik heb haast, want er wordt op mij gewacht.”

Als bij toverslag was er een pistool in zijn hand verschenen, waarmee hij Marieke en Remco dreigend gebaarde dat ze op moesten schieten.

Vernietigend keek Marieke Remco aan. Het was duidelijk dat ze hem de schuld gaf van de narigheid waarin ze zo totaal onverwachts waren beland.

“Zou u zo vriendelijk willen zijn mij te volgen?’ vroeg de man in ondergoed spottend. “Het is hier wel niet bepaald het Hilton, maar ik geloof dat er in de kelder nog wel een paar oude matrassen liggen. Daarmee zullen jullie het moeten doen.”

“Maar dit is belachelijk!” protesteerde Remco. “We hebben niets gedaan en er geen flauw benul van wat er hier aan de hand is.”

“Dat zou ik natuurlijk ook zeggen,” zei Leo spottend. “Vooruit, opschieten. Naar binnen!”

Marieke en Remco konden niets anders doen dan de bullebak gehoorzamen. Tussen de twee kerels in gingen zen naar binnen. Ze kwamen in de ruimte, waar vroeger de deel van de boerderij was geweest. Toen ze eenmaal aan het felle licht van een aantal tl-buizen gewend waren, keken ze hun ogen uit. Er stond een machine, waarmee aan de lopende band tabletten vervaardigd konden worden. In een grote kom werden ingrediënten gemengd, die daarna door de machine werden samengeperst tot een soort aspirine-achtige pillen. Puur toevallig waren ze op een geheim laboratorium gestuit.

“Jullie maken hier XTC!” riep Remco verbaasd uit.

“Doe nu maar niet net alsof jullie dat niet al vermoed hadden,” zei Leo. “Maar je hebt gelijk. We maken hier inderdaad XTC. Het is een goudmijn en ik ben niet van plan die door tussenkomst van een paar nieuwsgierige persmuskieten te laten bederven.”

“Misschien willen ze er wel een paar proeven,” grinnikte de jongeman. “Dan kunnen ze geheel vanuit hun ervaring schrijven over het gebruik van verdovende middelen.”

“Het is een idee,” zei Leo. Hij liep naar het einde van de lopende band, waar in een grote bak honderden pillen klaar lagen voor de verkoop. Fel keek hij Remco en Marieke aan.

“Hier,” zei hij, terwijl hij hun een handvol pillen onder de neus duwde. “Als jullie hier wat van gebruiken, zullen jullie merken dat de wereld er heel wat minder bekrompen uitziet dan hij zo op het eerste gezicht lijkt.”

“Ik wil niets met jullie rommel te maken hebben!” zei Marieke. “Jullie zijn walgelijk en gemeen. Dankzij jullie komen een heleboel jonge mensen in de problemen.”

“Ach,” zei de tweede man, die bezig was zich aan te kleden. “Als wij niet voor de pillen zorgen, kopen ze ze wel van een ander. Zoveel kwaad kan het trouwens niet. Dankzij deze XTC kunnen de gebruikers op feesten gewoon wat langer doorgaan, dat is alles. Het is niet eens verslavend.”

“Dat zeg jij,” was Remco het niet met hem eens. “Jullie doen net alsof het gewoon een onschuldig pepmiddel is, terwijl er door die troep al heel wat jongeren zwaar in de problemen zijn geraakt. Hoe vaak raakt er niet iemand op zo’n house-party in coma na het gebruik van XTC?”

“Dat is hun eigen schuld,” wuifde de man zijn bezwaren weg. “Als ze teveel pillen in één keer slikken, is dat niet onze schuld. Het is gewoon een kwestie van vraag en aanbod. De vraag komt van de jeugd en wij leveren het gewenste artikel. Zo gaat het toch altijd in het leven?”

“Met dit verschil dat jullie artikel nu niet bepaald bevorderlijk voor de volksgezondheid,” zei Marieke bitter.

Leo begon luid te lachen.

“We zullen er de volgende keer een bijsluitertje bijdoen,” zei hij. “Deze tabletten kunnen de gezondheid beïnvloeden. Ik ben alleen bang dat zo’n mededeling niet echt zal aanslaan bij de jongeren.”

Hij keek op zijn dure gouden Rolex en zei: “Door dit akkefietje loopt mijn planning behoorlijk in de war. Hup, naar de kelder met jullie. Morgen beslis ik wat er met jullie gaat gebeuren.”

Zonder op de protesten van het tweetal te letten, duwde hij ze naar een deur, die blijkbaar naar de kelder voerde. Leo vond het niet nodig een licht aan te doen, zodat ze in het schemerdonker een plek moesten zoeken waar ze konden gaan zitten. Achter hen viel de deur in het slot.

 

Het duurde even voordat de ogen van Marieke en Remco aan het halfduister gewend waren. Vanuit een kelderraampje viel een straaltje licht naar binnen. Het was duidelijk dat de ruimte niet gebruikt werd; er lagen alleen wat oude juten zakken en wat verroeste gereedschappen.

“Wat een toestand,” verzuchtte Remco vanuit de grond van zijn hart. “Hoe is het mogelijk dat we juist bij dit boerderijtje aan moesten kloppen?”

“Wat doet het er toe,” zei Marieke mat. “Voorlopig moeten we maar weer zien hoe we ons hier uitredden.”

“Met een beetje geluk kunnen we de kelderdeur zo intrappen,” zei Remco optimistisch. “Zo dik zal die niet zijn.”

“Je vergeet meneer ondergoed,” zei Marieke. “Die ene vent, die Leo, zal inmiddels wel vertrokken zijn, maar ik neem aan dat die andere kerel ook gewapend is. Dergelijke onderwereldfiguren zijn meestal op alles voorbereid.”

“Het is in ieder geval weer een leuke primeur voor de krant,” bedacht Remco hardop. “XTC-laboratorium ontdekt op de Veluwe.”

“Wie zou dat moeten schrijven?” vroeg Marieke spottend. “We zitten hier opgesloten, weet je wel!”

“O,” zei Remco optimistisch. “We vinden vast wel een oplossing.”

“Dan zou ik die maar eens rap gaan zoeken als ik jou was,” zei Marieke. “Ik voel er niets voor hier een minuut langer te blijven dan noodzakelijk is. Ik weet niet hoe jij er over denkt, maar ik verlang naar mijn bed. Het is jouw schuld dat we hier zitten, dus…”

Remco zweeg. Uit ervaring wist hij dat het geen enkele zin had met Marieke in discussie te gaan. Hij tuurde naar het venster. Met een beetje goede wil zou een niet al te groot iemand er zich misschien door kunnen wurmen.

Hij stond op en struikelend over de rommel liep hij naar het raampje. Met zijn ogen mat hij de afstand tussen de sponningen. Volgens hem moest het lukken. Het punt was alleen dat hij dan eerst het raampje moest inslaan en het was bijna zeker dat hun bewaker het geluid van het brekende glas zou horen.

“Wat doe je?” vroeg Marieke.

“Ik moest toch een oplossing zoeken? Nou, ik denk dat ik er één heb gevonden. Als ik je help, moet je via het raampje kunnen ontsnappen.”

Marieke stond op en kwam naast hem staan.

“Het zou misschien net kunnen,” gaf ze toe. “Maar ik voel er weinig voor m’n handen en lichaam aan het glas te bezeren. Hoe dacht je dat op te lossen?”

“Laten we eerst de ruit er maar uittikken,” zei Remco. “Alleen denk ik wel dat het beter is daar een uurtje mee te wachten. Over een uur of zo zal onze bewaker denk ik wel weer in slaap gesukkeld zijn. Als hij ons dan toch hoort, weet ik geen oplossing. Maar ik denk dat dat onze enige kans is.”

Hij legde zoveel mogelijk zakken onder het venster, om zo het gerinkel van het vallende glas te dempen en toen begon het lange wachten.

 

Traag kropen de minuten voorbij. Na drie kwartier hield Remco het niet langer uit. Hij pakte één van de juten zakken en liep daarmee naar het venster. Eerst voorzichtig, maar daarna harder begon hij tegen het glas te duwen. De ruit kraakte in zijn sponningen, maar brak niet.

“Dan maar zo,” zuchtte Remco. Hij wikkelde de zak stevig om zijn vuist en sloeg daarmee tegen het glas, dat daardoor brak. Een gedeelte van de scherven viel op de zakken, terwijl de val de rest ervan gebroken werd door het lange gras dat buiten voor het raampje groeide. Al met al maakte hij niet eens zoveel lawaai, maar voor de twee in de kelder klonk het toch oorverdovend.

Minstens vijf minuten bleven ze doodstil wachten op de dingen die komen moesten, maar er gebeurde niets. De naamloze man had niets gehoord.

Toen hij er zeker van was dat ze niet betrapt waren, begon Remco voorzichtig het glas uit de sponningen te verwijderen. Toen hij daarmee klaar was pakte hij een jute zak en legde die buiten op het gras, zodat Marieke zich niet aan de scherven zou snijden.

“Zo moet het gaan,” fluisterde hij toen hij klaar was. “Zie je het zitten?”

Marieke knikte. Ze begreep dat alles nu van haar afhing. Dat ze er best tegenop zag alleen bij wildvreemden midden in de nacht aan te bellen, zei ze maar niet. Het kon immers niet anders.

Het meisje maakte zich zo smal mogelijk en met behulp van Remco  wist ze zich door de nauwe opening te wurmen. Ondanks Remco’s voorzorgen, kon ze niet voorkomen dat ze haar kousen openhaalde aan een stuk vergeten glas, dat ook nog eens voor een lelijke jaap op haar been zorgde. Eenmaal buiten boog ze zich naar Remco toe.

“ik probeer zo snel mogelijk terug te zijn,” beloofde ze. “Ik hoop dat onze cipier intussen niet merkt dat ik ben gevlogen, want dan heb je kans dat hij jou ik weet niet wat aandoet.”

“Ga nu maar,” zei Remco gespannen. “Straks komt die Leo misschien terug en ontdekt hij dat je ontsnapte bent.”

Marieke knikte. Ze kwam overeind en begon te hollen. Gelukkig was het pad naar de boerderij nog steeds uitgestorven.

Het duurde nog ruim een kwartier voordat ze volgende boerderij ontdekte. Toen ze het erf opliep kwam er en zwarte schim om de hoek aangerend, die haar komst luid blaffend aankondigde. Het koude zweet brak het meisje uit. Zodra ze een voet probeerde te verzetten, ging het beest nog luider tekeer. Het duurde dan ook niet lang, voordat er op de eerste verdieping van de boerderij een licht aanging en een slaperige stem riep: “Houd je bek, beest!”

Marieke maakte van de gelegenheid gebruik om te roepen: “Kunt u me helpen, meneer!”

Even keek de man verbaasd, toen hij zag dat er een jonge vrouw op zijn erf stond, toen mompelde hij: “Ik kom eraan. Blijf waar je bent als je leven je lief is.”

‘Net alsof ik van plan was weg te gaan,’ dacht Marieke bij zichzelf. Ze was blij toen de boer de waakhond had vastgelegd en haar voorging naar de keuken. Daar legde ze uit wat er gebeurd was.

“Dacht ik het niet,” mompelde de boer. “Ik wist wel dat er in de oude boerderij  van Harmsen vreemde dingen gebeurden. Hij is een jaar of wat geleden overleden en sindsdien is het er een gaan en komen van stadse meneren. Dus ze hebben daar een XTC-laboratorium ingericht! Ik denk dat de politie wel raad weet met dergelijke snuiters.”

Hij wees Marieke de telefoon, maar die vroeg: “Zou u willen bellen? Ik heb er geen flauw idee van waar we zijn.”

De boer knikte.

 

Een half uur later reed Marieke achterin een politieauto naar de boerderij van Harmsen. Bij het zandpad aangekomen doofde de bestuurder de lichten. Voorzichtig reed hij een nauw zijpad in, zodat de wagen aan het oog werd onttrokken.

“We wachten hier op versterking en gaan er daarna lopend op af. We willen niet dat de heren argwaan krijgen.”

Hij was nog maar net uitgesproken toen een tweede politiewagen zich bij hen voegde. Er sprongen vier agenten uit.

“Laten we er op af gaan,” zei de wachtmeester die de leiding had.

In de schaduw van de bosrand slopen de zes agenten met Marieke in hun kielzog naar de oude boerderij. Het erf lag er nog steeds stil en verlaten  bij. Van Leo of van zijn auto was er geen spoor te bekennen.

“Kom op, mannen,” zei de wachtmeester.

“Wacht even,” zei Marieke. Zonder op antwoord te wachten, haastte ze zich naar het keldervenster.

“Pst, Remco,” fluisterde ze.

“Is het gelukt?’ klonk zijn stem uit het halfduister.

Marieke knikte. Ze was even vergeten dat Remco dat natuurlijk niet kon zien.

“Geef me mijn fototas eens aan,” zei ze. Remco had zowel de laptop als de fototas mee naar beneden genomen en tot hun stomme verbazing hadden de twee pillendraaiers ze hem niet afgenomen.

“Je wilt de inval fotograferen,” begreep Remco. Vlug overhandigde hij Marieke de tas. Zijn hart bonsde in zijn keel. Het afgelopen uur had hij behoorlijk in de rats gezeten en hij begreep heel goed dat het gevaar nog niet voorbij was. Als die pillendraaier te vroeg argwaan kreeg, had je kans dat hij in paniek zou raken of Remco als schild zou gaan gebruiken. Uiteraard voelde de jongen daar niets voor.

Lang werd Remco’s geduld niet meer op de proef gesteld. Met een welgerichte trap schopte één van de agenten de oude, gammele deur in en nog geen vijf tellen later hoorde Remco een rustige stem zeggen: “Opstaan en handen boven het hoofd. Het spel is uit.”

Overal klonken nu de krakende geluiden van heen en weer lopende mensen en kort daarop zwaaide de kelderdeur open.

“Kom er maar uit,” zei Marieke opgewekt. “Mister ondergoed is in de boeien geslagen en verder is er hier niemand.”

Opgelucht pakte Remco zijn laptop en klom hij naar boven. Zijn bewaker zat, opnieuw in ondergoed, op een bed in een hoek van het vertrek, waar ook de machine stond waarmee de XTC-pillen werden gedraaid. Eén van de politiemensen was al begonnen met de ondervraging.

“Wanneer komt je maat terug?” vroeg hij.

De misdadiger keek nors voor zich uit,maar zei geen woord.

“Ik denk niet dat hij vannacht nog terugkomt,” zei Remco. "Hij had nog een deal en het lijkt mij waarschijnlijk dat hij daarna  naar huis gaat. Volgens mij wonen die twee hier niet.”

“Dat klopt met wat die boer waarvandaan ik belde, zei,” was Marieke het met hem eens.

“Dan lijkt het me het beste dat we hier een paar mannetjes achterlaten om de boel te bewaken en op eventuele medeplichtigen te wachten,” zei de wachtmeester. “Dit zwijgzame heerschap nemen we mee naar het bureau om hem nader aan de tand te voelen. Naar bewijzen hoeven we in ieder geval niet te zoeken.”

Hij wendde zich tot Marieke en Remco: “Ik neem aan dat jullie naar huis willen?!”

“Inderdaad,” zei Remco vlug. “Maar al met al staat mijn Eend nog altijd een kilometer verderop zonder benzine.”

“Dat is gauw genoeg verholpen,” stelde de wachtmeester hem gerust. “Ik heb een kan met vijf liter benzine in de kofferbak van m’n auto staan. Daarmee moeten jullie een heel eind kunnen komen."

 

Zo’n twintig minuten later zaten Remco en Marieke weer in de auto. Voor hun vertrek had het meisje nog gauw wat foto’s gemaakt van het laboratorium en de XTC-pillen. Het avontuur zou hen een mooie primeur opleveren.

“Ben je bang geweest?” vroeg Remco, voordat hij de motor startte.

Marieke knikte.

“Ja,” zei ze, “maar niet zo erg als toen met de Wreker. Ik geloof niet dat die mannen van plan waren ons te vermoorden.”

“Toch maken ze heel wat mensenlevens stuk met hun smerige rommel,” zei Remco. “Ik ben blij dat we hebben kunnen voorkomen dat deze pillen op de markt kwamen.”

“Het is alleen een druppel op een gloeide plaat,” zei Marieke. “Deze kerels verdwijnen een tijdje achter de tralies, maar er blijven genoeg anderen over die doorgaan. Zolang er mensen zijn zal de misdaad ook blijven bestaan.”

“Dat ben ik niet met je eens,” zei Remco. “Straks, in de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde, zal alles anders zijn.”

“Met dat ik het zei, zat ik hetzelfde te bedenken,” zei Marieke. Ze zweeg even en voegde er toen aan toe: “We mogen God wel danken dat Hij ons vannacht heeft bewaard.”

“Zullen we dat samen doen?” stelde Remco voor. Tot zijn verrassing knikte Marieke instemmend.

“Bid jij maar,” zei ze simpel.

Samen vouwden ze hun handen en sloten ze hun ogen. Na het “Amen” van Remco bleef het een tijdje stil. Daarna startte de journalist de auto en zwijgend reden ze in de richting die de agenten hun hadden gewezen.

 

Het was al bijna dag toen ze Amersfoort binnenreden.

 

 

 


 

RAADSELS IN EEN OUDE FABRIEK.

 

Het was een warme voorjaarsdag.

De tweeling Christine en Christiaan Jongeneel kwam net uit school. Het eerste stuk hadden ze met een paar klasgenoten gefietst, maar het laatste stuk naar Putten reden ze altijd samen. Ze waren bijna thuis en hadden inmiddels het industrieterrein van hun woonplaats bereikt.  Aan de rand van dat industrieterrein stond een oude, vervallen fabriek. Vroeger werden er graansilo’s gemaakt, maar nu stonden de gebouwen leeg. Er waren grote hekken rondom het terrein gemaakt en om de vijfentwintig meter stond er een bordje “Verboden toegang.” De hallen waren al heel lang buiten gebruik en er werd door niemand naar omgekeken. Daardoor waren veel ruiten gesneuveld en zaten er scheuren in de muren en daken. Het was te gevaarlijk op het terrein rond te lopen.

Christiaan en Christine fietsten vrolijk kletsend langs de hal toen het gebeurde. Een auto kwam met veel te grote snelheid de bocht om scheuren. De bestuurder kon daardoor onmogelijk remmen voor de zwart-witte kat, die juist op dat moment de weg overstak. Het dier probeerde nog weg te springen, maar werd toch geraakt door de auto. De bestuurder stopte niet eens om te kijken hoe het met de poes was, maar reed gewoon door.

Geschrokken stapten Christine en Christiaan van hun fiets.

“Wat een lomperik,” schold Christiaan.

“Die arme poes!” zei Christine.

Ze zette haar fiets op de standaard en rende de straat op om te kijken hoe het met de kat was.

Het dier, dat eerst wat versuft was blijven liggen, was inmiddels overeind gekomen en sleepte zich moeizaam naar de kant van de weg. Voordat  Christine het dier bereikte, was het onder het hek van de fabriek door gekropen en tussen het hoge gras en onkruid verdwenen. De poes was blijkbaar gewond, want hij liet een spoor van bloeddruppels achter.

“Hij is gewond,” zei Christine opgewonden, terwijl ze met haar beide handen het hek vastpakte. “We moeten hem helpen!”

“Waarom?” wilde haar broer weten.

“We kunnen dat beest moeilijk aan z’n lot overlaten,” zei Christine, terwijl ze haar broer een vernietigende blik toezond. “Ben jij nou een dierenvriend?”

“Niet dat ik weet,” grinnikte Christiaan.

Christine liet zich door de houding van haar broer niet uit het veld slaan.

“We moeten hem vangen en mee naar huis nemen,” zei ze stellig. “Als we hem daar laten liggen, gaat hij dood.”

Christiaan, die zag dat zijn tweelingzus het meende, nam wat gas terug.

“Dat denk ik ook,” gaf hij toe.

“Nou, waar wachten we nog op?” vroeg Christine. Ze keek om zich heen. “Kijk, daar zit een gat in het hek, waardoor we zo naar binnen kunnen kruipen.”

Christiaan, die wist dat hij het toch altijd van z’n zus verloor, besloot Christine haar zin te geven.

“Vooruit dan maar,” zei hij. “Maar laten we eerst onze fietsen pakken en op slot zetten.”

“Als de poes dan maar niet is verdwenen,” zei Christine.

“Als dat zo is, is hij heel wat minder gewond dan wij denken en redt hij het ook wel zonder ons,” vond Christiaan. Hij stak de straat weer over om z’n fiets te pakken, zette die tegen het hek en deed hem op slot. Christine, die popelde om achter de kat aan te gaan, volgde zijn voorbeeld.  Daarna kropen ze achter elkaar aan door het gat in het hek.

Het spoor van de poes was gemakkelijk te volgen. Overal zagen ze bloeddruppels. De poes zelf was nergens te zien. Het leek erop dat de kat regelrecht naar één van de fabriekshallen was gelopen. Het bloedspoor eindigde bij een klein raampje vlak boven de grond. Er zat geen glas meer in het venster, zodat het dier zo naar binnen kon kruipen.

“Die zijn we kwijt,” zei Christiaan. Hij ging op zijn knieën liggen en tuurde naar binnen.

“Wat zie je?” wilde zijn zus weten.

“Niet veel bijzonders,” antwoordde haar broer. “Er is hier een soort kelder, met een paar oude ketels erin. Ik denk dat hier vroeger de verwarming van de fabriek was.”

“Zou het raampje groot genoeg zijn om er door naar binnen te kruipen?” vroeg Christine zich hardop af. Christiaan kwam overeind.

“Dat denk ik niet en ik ga het niet proberen ook,” zei Christiaan. “Ik ben niet van plan m’n kleren vuil te maken of te scheuren voor een gewonde kat. Het is trouwens ook veel te gevaarlijk. Dit gebouw is zo gammel als wat. Als de boel instort ziet het er niet al te best voor ons uit.”

“En die poes dan?” vroeg Christine. “Straks gaat hij dood.”

Christiaan haalde zijn schouders op.

“Niets aan te doen,” zei hij. “Ik ben bang dat we verder ook niets voor dat beest kunnen doen.”

Christine begon kwaad te worden.

“Als er avonturen te beleven zijn, ben jij altijd haantje de voorste, maar nu er een dier gewond is, kan het jou niets schelen.”

Boos begon ze om de oude hal heen te lopen.

“Wat ga je doen?” riep Christiaan haar na.

Christine antwoordde pas toen Christiaan haar had ingehaald.

“Kijken of er een andere ingang is,” zei ze.

“We moeten naar huis,” zei Christiaan. “Die kat vinden we toch niet terug en we hebben bergen huiswerk!”

“Sinds wanneer maak jij je druk om je huiswerk?” vroeg Christine smalend. Verder deed ze net of ze haar broer niet hoorde.

“Nog even,” zei ze. “We kunnen die poes toch niet aan z’n lot overlaten?”

“Wat mij betreft wel,” mompelde Christiaan. Toch liep hij achter zijn zus aan, toen die een hoek omsloeg, waardoor ze aan de achterkant van het gebouw kwamen.

“Zie je wel,” zei Christine, “daar is een deur.”

“Die zit vast op slot,” dacht Christiaan. Om van het gezeur af te zijn liep hij snel naar de deur. Tot zijn verbazing ging die meteen open.

“We kunnen zo naar binnen!” zei hij.

“Kom op dan,” zei Christine. Ze duwde hem opzij en voordat Christiaan haar tegen kon houden liep ze de hal in. Christiaan kon niets anders doen dan haar volgen.

Ze waren nog maar zo'n tien meter de hal ingelopen, toen Christine stilstond. Ze deed dat zo onverwachts dat Christiaan tegen haar opbotste.

“Wat doe je nou?” zei hij nijdig.

“Ik hoor iets,” zei Christine. Doordat er een vreemde sfeer in de hal hing, begon ze te fluisteren. “Luister maar!”

Christiaan bleef doodstil staan en hoorde het nu ook. Het geluid kwam vanuit een kelder, die blijkbaar onder het gebouw doorliep. Tsjak, tsjak, tsjak, klonk het. Het leek wel of er een machine stond te draaien. Nu ze stilstonden voelden  ze de vloer onder hun voeten trillen.

“Laten we maar weggaan,” zei Christine. “Er zijn hier mensen.”

“Net nu het een beetje interessant begint te worden?” was Christiaan het niet met haar eens. “Ik vraag me wel af wat er hier aan de hand is.”

“Wil je gaan kijken?” vroeg Christine.

Christiaan dacht even na en schudde toen zijn hoofd.

“Daar kunnen we beter even mee wachten,” vond hij. “We gaan naar huis, bellen Remco op en vragen hem of hij hier vanavond met ons naartoe wil gaan. Dan zoeken we samen uit, wat er aan de hand is. Als het even meezit heeft hij dan een mooie primeur voor de krant.”

Remco, hun oudere broer, was journalist bij het Christelijke Dagblad. Hij woonde in Amersfoort, niet zo heel ver bij Putten vandaan en was meestal wel in voor een avontuurtje.

“Misschien wil Marieke ook wel meekomen,” bedacht Christine. Marieke werkte ook voor de krant, maar dan als fotografe.

“Een paar goede foto’s voor bij het artikel zijn inderdaad nooit weg,” was Christiaan het met haar eens. “Laten we maar gauw gaan, des te sneller kunnen we alles regelen.”

Ze draaiden zich om en liepen terug naar de open deur. Onder hun voeten ging het vreemde getsjak onafgebroken door. Terwijl ze opgewonden naar huis fietsten, dachten ze geen moment meer aan de gewonde poes, die eigenlijk de oorzaak was van hun vreemde ontdekking.

 

Die avond reden ze met z’n vieren -Marieke was inderdaad meegekomen- tegen een uur of negen in Remco’s oude Eend naar het industrieterrein.

“Ik ben blij dat jullie konden komen,” zei Christiaan.

“Ach, ik had vanavond toch niets beters te doen,” zei Remco. “Als er werkelijk wat bijzonders aan de hand is met die oude fabriek, wil ik natuurlijk wel graag weten wat.”

“Waarom ben jij eigenlijk meegekomen?” vroeg Christine aan Marieke.

“Voor jou een vraag, voor mij een weet,” grinnikte het meisje. “Misschien vind ik het wel leuk, een avondje met jullie op stap te gaan.”

“Nou, dat is dan wel voor het eerst,” lachte Christiaan. “Als wij ons met jullie zaken bemoeien, belanden we meestal allemaal in de narigheid.”[1][1]

“Ik ben juist meegegaan om te voorkomen, dat jullie je in de nesten werken,” legde Marieke uit.

Ze hadden inmiddels het industrieterrein bereikt. Remco parkeerde zijn Eend op een parkeerplaats, een paar honderd meter bij de vervallen fabriek vandaan, zodat ze minder op zouden vallen. Met z’n vieren liepen ze door de invallende schemering naar de oude hal.

“Kijk,” wees Christine, “hier kunnen we naar binnen.”

“Wacht,” zei Remco. “Ik wil eerst even wat controleren.”

Hij liep langs het hekwerk naar de ingang. De twee openslaande hekken waren net zo roestig als de rest van de afrastering, maar ze werden dichtgehouden door een grote stalen ketting met een fonkelnieuw slot.

“Net wat ik dacht,” mompelde hij. “Die fabriek is heel wat minder verlaten dan hij eruit ziet.”

Hij liep terug naar de anderen, die ongeduldig stonden te wachten.

“Laten we opschieten,” zei Christiaan. Hij stond al aan de andere kant van het hek.

“Niet zo nieuwsgierig, jochie,” lachte zijn broer. Toch kroop ook hij door het gat, gevolgd door Marieke en Christine.

“Kijk,” wees Christine naar wat bruine spatten op het asfalt. “Daar is de poes langsgelopen.”

“Hoe is het eigenlijk met dat dier afgelopen?” wilde Marieke weten.

“Geen idee,” zei Christine eerlijk. “Misschien komen we daar straks ook achter.”

Christiaan wees de weg en kwam als eerste bij de ingang van de hal.

“Deze deur is open!” zei hij, terwijl hij de klink naar beneden duwde. Er gebeurde niets. De deur zat potdicht.

“Hij was open,” verbeterde Remco hem. Zoekend keek hij om zich heen, om te zien of er een andere ingang was. Al gauw had hij gevonden wat hij zocht. Aan de zijkant van het gebouw, zo’n twee meter boven de grond, zat een venster. Het glas, dat ooit in het raam had gezeten, was waarschijnlijk al lang geleden gesneuveld.

“Daardoor kunnen we naar binnen,” zei hij. Remco ging onder de opening staan en maakte een kommetje van zijn handen. “Lukt dat, Christiaan?”

“‘Tuurlijk!” zei zijn broer. Hij wipte via Remco’s handen op z’n schouders en trok zich omhoog aan de rand van het kozijn.

“Kijk uit voor glassplinters!” waarschuwde Marieke.

Christiaan hoorde het niet eens. Hij keek door de opening naar binnen, maar kon in het halfdonker niets bijzonders ontdekken.

“Zal ik naar binnen gaan?” vroeg hij.

“Ja, maar hoe kom je dan weer terug?” vroeg zijn broer bezorgd.

“Volgens mij heb ik ergens een lang stuk touw zien liggen,” zei Christine. Ze rende weg en kwam even later terug met een vies, gerafeld touw van een meter of vijf. “Zou dit sterk genoeg zijn?”

“Vast wel,” dacht Remco, nadat hij het had bekeken.

Christiaan had geen verdere aansporing nodig. Hij klom naar binnen, ging aan zijn handen hangen en liet zich vallen. Zonder problemen landde hij op z’n beide voeten.

“Kunnen jullie me de rugzak gooien?” riep hij naar de anderen. Zijn stem klonk vreemd in de lege hal. In die tas zat onder andere een sterke zaklantaarn.

“Ik breng hem wel,” zei Christine. “Het lijkt me handiger, als ik ook naar binnen ga.”

“Dat denk ik ook,” was Marieke het met haar eens.

Op precies dezelfde manier als haar tweelingbroer klom Christine naar binnen. Marieke en Remco bleven alleen achter en gingen tegen de muur van de fabriek zitten.

 

De hal was nog net zo leeg als die middag. Christiaan liet de zaklamp in alle hoeken schijnen, maar ontdekte eerst niets bijzonders. Ergens in de hoek ontdekte hij een trap, die naar boven voerde, maar die interesseerde hem niet. Ze waren immers op zoek naar iets, dat onder de vloer zat!

“Het geluid is er ook niet,” fluisterde Christine. “Waarschijnlijk zijn de mensen, die vanmiddag dat geluid maakten, vertrokken en hebben ze de deur achter zich op slot gedaan.”

“Toch snap ik het niet,” zei Christiaan. “Er is hier nergens een deur.”

“Het geluid kwam van onder de grond,” zei zijn tweelingzus slim. “We moeten dus op zoek naar een luik!”

“Natuurlijk!” zei Christiaan opgewonden. Hij liet het licht van de lantaarn niet langer over de muren gaan, maar over de grond. Al gauw hadden ze gevonden wat ze zochten. In een hoek, aan de andere kant van de hal, zat een aantal diepe naden in de vloer. Toen ze beter keken, zagen ze dat er op die plek geen beton zat, maar grijs geverfde planken in precies dezelfde kleur als de vloer. Vlak bij de muur zat er een sleutelgat in het luik. Daarnaast zat er, verzonken in het hout, een metalen ring. Christiaan probeerde het luik omhoog te tillen, maar dat lukte niet. Het luik was te zwaar en zat waarschijnlijk op slot.

Opeens was er door de stilte van de nacht het geluid van een snel naderende auto te horen.

“Er komt iemand aan,” zei Christiaan geschrokken.

"We moeten ons verstoppen," zei zijn zusje vlug.

De twee kinderen keken om zich heen naar een goede schuilplaats.

“We gaan naar boven,” besliste Christiaan. Christine keek bedenkelijk. De trap zag er niet al te stevig uit.

Toen er buiten een portier dichtsloeg, aarzelden ze niet langer. Zo vlug ze konden renden ze naar de trap. Het gammele geval kraakte behoorlijk toen ze naar boven klommen, maar er gebeurden gelukkig geen ongelukken. Eenmaal boven ging Christiaan op zijn buik bij het trapgat liggen. Christine wist niets beters te doen dan zijn voorbeeld te volgen.

“Zie je wat?” fluisterde ze zachtjes.

Christiaan legde zijn vingers op zijn lippen.

“St,” zei hij, “er komt iemand aan.”

Er werd een sleutel in het slot omgedraaid en opeens baadde de hal beneden hen in het licht. Geschrokken trokken Christine en Christiaan hun hoofd terug.

Er klonken mannenstemmen en toen Christiaan het waagde even te kijken, zag hij dat ze regelrecht naar het luik liepen. Eén van de mannen haalde een sleutel uit zijn zak, stak die in het slot en pakte daarna de ring vast. Langzaam trok hij het luik omhoog. De andere man klom door het luik naar binnen, waarna de eerste man zijn voorbeeld volgde. Eenmaal in de ondergrondse ruimte lieten ze het luik weer zakken en een paar tellen later ging het licht in de hal uit.

“We moeten proberen hier weg te komen,” zei Christiaan tegen zijn zusje. “Waarschijnlijk blijven die lui wel even beneden, anders hadden ze het licht niet uitgedaan.

“Hoe eerder ik hier weg ben, hoe beter,” was Christine het met hem eens. Voorzichtig begon ze in het donker de trap af te dalen. De lantaarn durfden ze niet te gebruiken.

Ze waren nog niet beneden, toen het geluid, dat ze die middag ook gehoord hadden, opnieuw begon.

Tsjak, tsjak, tsjak, klonk het vanuit de kelder.

Christiaan fluisterde: “Er staat daar een machine te draaien. Ik weet het zeker!”

“Dat denk ik ook,” was Christine het met hem eens.”Er gebeuren hier inderdaad heel rare dingen.”

“We moeten Remco waarschuwen, zodat hij de politie kan bellen,” zei Christiaan. Hij liep naar de opening toe en riep zachtjes: “Pssst.”

Remco antwoordde ogenblikkelijk.

“Alles goed met jullie?” vroeg hij.

“Ja, maar dat leg ik straks wel uit,” zei Christiaan. “Laten we eerst maar proberen hier uit te komen.”

“Ik gooi je het touw toe,” zei Remco. “Kijk wel uit.”

Christiaan deed een paar stappen opzij, zodat het touw hem niet kon raken. “Hou het goed strak,” zei hij tegen z’n broer, “dan probeer ik omhoog te klimmen.”

Met veel pijn en moeite klom de jongen naar boven.

“Ik zal je helpen!” riep hij naar beneden, in de veronderstelling dat zijn zus daar nog stond te wachten.

“Dat is niet nodig,” klonk het van buiten. Tot Christiaans verbazing stonden zijn zus en Marieke hem in zijn gezicht uit te lachen.

“Sommige mensen gebruiken gewoon de deur,” legde Christine uit, toen Christiaan weer op de grond stond. “Die lui hadden hem niet weer op slot gedaan!”

Zo snel mogelijk vertelde de tweeling aan Remco en Marieke wat ze ontdekt hadden.

“Ik denk, dat ik wel weet wat er daar onder de grond gebeurt,” zei Remco, toen ze uitgesproken waren.

“Wat dan?” wilde Christine weten.

“Dat ‘tsjak, tsjak, tsjak’ klinkt precies zo als een drukpers,” zei hij.

“Ze maken daar valse euro’s!” begreep Christiaan.

“Dat denk ik ook,” knikte Remco. “Ik zal meteen de politie bellen, zodat ze die lui op heterdaad kunnen betrappen.”

Terwijl Remco belde, zei Marieke: “Eigenlijk moeten we proberen er voor te zorgen, dat die lui niet kunnen ontsnappen.”

“Dan moeten we allemaal zware dingen op dat luik zetten,” zei Christine opgewonden. Zoekend keek ze om zich heen. Er lag nogal wat oud ijzer en ander afval op het terrein, maar als ze daarmee gingen slepen, zouden de mannen in de kelder dat misschien horen.

“Kijk,” wees ze. Tegen het hek lag een grote, lege kabelhaspel. “Als we die op het luik leggen, krijgen die lui het nooit omhoog.”

“Het is alleen te hopen dat er geen tweede uitgang is,” zei Christiaan bezorgd.

“Dat denk ik niet,” zei Marieke. “Meestal heeft een kelder maar één ingang.”

Ze liepen naar de spoel toe en probeerden die in beweging te krijgen. Eerst ging het moeizaam, maar toen het gevaarte eenmaal op gang was, konden ze hem zonder veel problemen naar de deur van de hal rollen. Tot hun opluchting paste hij er net door.

Zo stil mogelijk rolden ze de spoel door de donkere hal naar het luik. Daar aangekomen lieten ze hem kantelen, zodat hij op de planken viel. Ze konden niet voorkomen, dat ze daarbij het nodige lawaai maakten.

Vanuit de kelder volgde meteen een reactie. Het geluid van de geheimzinnige machine verstomde onmiddellijk.

“Blijf uit de buurt van het luik!” waarschuwde Remco. “Je weet nooit of die lui gaan schieten!”

“Volgens mij zijn die planken veel te dik om er een kogel doorheen te jagen!” dacht Christiaan.

Er klonk gebonk tegen het luik en door het hout heen konden ze het getier van de twee mannen horen. Toen bleef het heel even stil, daarna kraakte er een schot en klonk er een kreet.

“Ze schieten!” zei Christine geschrokken.

“Maar niet door het luik heen,” zei haar tweelingbroer triomfantelijk.

“Zo te horen heeft die vent zichzelf geraakt,” meende Remco. “Waarschijnlijk is de kogel teruggeketst tegen het hout.”

“Zichzelf of zijn makker,” was Marieke het met hem eens. “Maar we weten nu in ieder geval, dat die lui gewapend zijn.”

“Daar moeten we de politie dus voor waarschuwen,” zei Remco. Op hetzelfde moment klonk het geluid van piepende autoremmen naast de hal. Remco rende naar de uitgang. Kort daarna kwam hij terug met vier agenten. Ze knipten het licht in de hal aan, zodat ze konden zien wat ze deden. Snel legde Remco aan de politiemensen uit wat er gebeurd was.

“Is dat luik open?” wilde één van hen weten.

“Volgens mij wel,” zei Remco. “Toen die lui ons hoorden, probeerden ze het luik van binnenuit op te tillen.”

“Laten we maar eens kijken of we die mannen te pakken kunnen krijgen,” zei de brigadier, die de leiding had. Hij trok zijn dienstpistool en gaf zijn collega’s opdracht de spoel van het luik te halen. Nadat ze het gevaarte hadden opgetild en weggerold, pakte één van hen de ring. Het luik gaf meteen mee. Toen er een kier was van zo’n vijftien centimeter, riep de brigadier naar binnen: “Gooi je wapens naar buiten!”

Een woedende reactie was het gevolg, maar tot ieders opluchting verscheen er een hand door het luik, met daarin een revolver, die bij de loop werd vastgehouden. Met een kletterend lawaai viel het wapen op de betonnen vloer naast het luik. Met een tevreden knik pakte de brigadier het wapen op, controleerde of het vergrendeld was en stak het in zijn zak.

“Kom nu één voor één met je handen omhoog naar buiten,” riep de brigadier naar beneden. “En geen verdachte bewegingen, want dan schieten we meteen.”

Even bleef het stil, toen klonk er gekraak van traptreden. Eerst verschenen er twee handen boven het luik, gevolgd door een hoofd en een lichaam. Nog voordat de man goed en wel boven was, hadden de agenten hem al overmeesterd en de handboeien omgedaan.

“Komt er nog wat van?” riep een agent naar beneden, naar de tweede man, die kennelijk niet van plan was zijn schuilplaats te verlaten.

“Ik kan niet lopen,” klonk het uit de kelder. “Ik heb een kogel in mijn been gekregen.”

“Dat kan heel goed,” zei Remco. “We hebben, voordat jullie kwamen, een schot gehoord en een kreet.”

De agenten bleven voorzichtig. Het kon een valstrik zijn!

Eén van de agenten haalde een kogelvrij vest uit de politiewagen, trok dat aan en klom daarna door het luik naar beneden. Tot ieders opluchting riep hij al gauw dat de kust veilig was.

De brigadier belde naar het bureau voor een arrestantenwagen om de ene man af te voeren en voor de andere regelde hij een ambulance. Terwijl dat gebeurde maakte Marieke  een paar foto’s. Toen de twee auto’s waren weggereden, stond de brigadier toe dat Remco, Marieke en de tweeling een kijkje in de kelder konden nemen. Remco had het helemaal bij het rechte eind gehad. In de kelder bevonden zich allerlei spullen om vals geld te kunnen maken. Het grootste gedeelte van de ruimte werd in beslag genomen door een glanzende drukpers.

“Ze maken hier briefjes van twintig,” zei Christiaan verrast.

“Wat had jij dan gedacht?” vroeg zijn zusje spottend. “Dat ze snoepverpakkingen maakten?”

“Nee, maar als ik valsemunter was, maakte ik briefjes van vijftig of honderd,” zei Christiaan. “Dan gaat het veel vlugger.”

“Dat is misschien wel zo,” zei de brigadier, die het gehoord had, “maar deze lui zijn juist extra slim. Een briefje van vijftig of honderd wordt door de winkeliers vaak gecontroleerd. Bij een briefje van twintig gebeurd dat nauwelijks. Deze biljetten lijken net echt, dus die schurken hadden waarschijnlijk een hele hoop geld kunnen verdienen, als hun plan gelukt was.”

“Wat zullen ze balen, als ze horen dat ze door een kat zijn verraden,” lachte Christine.

Niet begrijpend keek de brigadier haar aan. Toen Christine hem had uitgelegd, hoe ze het geheim van de oude fabriek ontdekt hadden, zei hij: “Morgen zullen we de hele boel hier uitkammen. Als we die kat vinden en we kunnen de eigenaar niet achterhalen, brengen we hem naar jullie toe.”

“Dat lijkt me een prima plan,” zei Christine.

“Jullie horen in ieder geval nog van ons,” beloofde de politieman. “Maar dat horen jullie nog wel. Het lijkt me beter, dat jullie nu gaan, zodat wij ons werk kunnen doen.”

Snel knipte Marieke nog een stel foto’s van de geheime drukkerij, daarna vertrokken ze.

“Wat gaat er nu met die twee valsemunters gebeuren?” vroeg Christine zich hardop af, terwijl ze naar de Eend liepen.

“O, die belanden voor een paar jaar achter de tralies,” zei Remco.

“Zij liever dan ik!” zei Christiaan.

“Ze hebben er zelf om gevraagd,” zei Marieke. “Geld is vreemd spul. Het maakt het slechtste in de mensen los.”

“Gelukkig weten wij, dat er veel belangrijkere dingen in dit leven zijn,” zei Remco ernstig, terwijl hij zijn autosleutel in het slot stak. “Wij hebben een schat, die niet te betalen is!”

 


 

HET RAADSEL VAN DE GESTOLEN SCHILDERIJEN

“Heb je dit gelezen?”

Opgewonden stoof Marieke Wielinga de redactiekamer op. Remco Jongeneel, die druk bezig was de laatste hand aan een artikel te leggen, keek verbaasd op. Normaal liet zijn collega Marieke zich niet zo gauw van de wijs brengen.

“Wat bedoel je?” vroeg hij.

Als antwoord zwaaide Marieke met de krant van die morgen.

“Er staan heel veel stukken in die krant,” zei Jochem Kanis, die tegenover Remco zat. “We hebben er zelf ook een paar van geschreven.”

“Ik bedoel dat stuk over die schilderijenroof in Boekelo,” legde Marieke uit.

“Ik weet alleen dat Boekelo in de buurt van Enschede ligt en dat er vroeger zout werd gewonnen,” zei Remco. “Voor zover ik weet, hebben ze daar geen museum met schilderijen van beroemde kustenaars.”

“Dan zou je toch onze krant eens beter moeten lezen,” zei Marieke een beetje vinnig. “Twee maanden geleden heeft er een paginagroot artikel over de schilder Klaas Hesseling in gestaan.”

Razendsnel gingen de vingers van Remco over het toetsenbord van zijn computer en al gauw had hij het bewuste artikel gevonden. Er stonden ook een paar foto’s bij, die Marieke gemaakt had.

“Wat zal dat een rustige opdracht geweest zijn,” grijnsde hij. “Geen avonturen maar stillevens! Ik ben blij dat ik toen niet met je mee hoefde.”

“Erik Drent heeft heel goed door, dat je een cultuurbarbaar zoals jij niet zo’n opdracht moet geven,” kaatste Marieke de bal terug. “Volgens mij kun jij nog geen Van Gogh van een Renoir onderscheiden.”

“Overdrijven is ook een vak,” zei Remco. “Maar je hebt wel een beetje gelijk. Kunst interesseert me niet zoveel. Hoewel, ik moet zeggen dat die Hesseling, voor zover ik dat kan beoordelen, aardige schilderijen maakt. Je ziet tenminste wat hij heeft geschilderd. Bij negen van de tien moderne schilders kan ik er kop noch staart aan ontdekken.”

“Hij maakt prachtige schilderijen!” zei Marieke. “En blijkbaar ben ik niet de enige die er zo over denkt.”

“Dat klopt,” was Jochem het met haar eens. “Als die schilderijen waardeloos waren, zouden ze niet zijn gestolen.”

“Ik vraag me af, wie dat gedaan kan hebben,” mijmerde Remco hardop. “Volgens mij is het best moeilijk om gestolen doeken te verkopen. De koper kan zo’n schilderij immers moeilijk aan de muur hangen en zeggen: ‘Kijk, ik heb een echte Hesseling.’ Ik vraag me af wat die dieven met die doeken van plan zijn.”

“Ik heb wel eens gehoord, dat er losgeld werd gevraagd voor gestolen schilderijen,” vertelde Jochem. “Maar dan ging het om doeken die minstens honderdduizend euro per stuk kosten. Weet jij hoe duur die schilderijen van Hesseling zijn, Marieke?”

Marieke haalde haar schouders op.

“Geen idee,” zei ze. “Eerlijk gezegd hebben we het daar toen ook helemaal niet over gehad. Heb je zin om mee te gaan naar Boekelo, Remco? Ik wil aan Erik Drent vragen of we naar het atelier van Hesseling mogen gaan om een reportage te maken.”

“Dus je wilt nu schilderijen gaan fotograferen, die er niet meer zijn,” plaagde Jochem.

Marieke keek hem vernietigend aan.

“Misschien kunnen we Klaas Hesseling op de één of andere manier helpen,” zei ze. “Weet je, die man maakt zulke mooie schilderijen en is er ook vreselijk aan gehecht. Hij beschouwt ze min of meer als zijn kinderen.”

Achter Marieke’s rug om trok Jochem een gezicht naar Remco, maar die koos ditmaal de kant van Marieke.

“Ik heb wel zin in een ritje naar Boekelo. Als onze hoofdredacteur het goed vindt, vertrekken we gelijk.”

 

Erik Drent had er geen bezwaar tegen, dat Remco en Marieke een kijkje gingen nemen in het atelier van de schilder. Wel waarschuwde hij hen, dat ze niet op eigen houtje een speurtocht naar de vermiste schilderijen moesten beginnen.

“Laat het speurwerk deze keer maar over aan de politie,” zei hij. “Remco, probeer er achter te komen hoe de diefstal precies in zijn werk is gegaan, welke schilderijen er zijn gestolen en wat de waarde ervan is. Dat zijn dingen die voor de lezers interessant zijn.”

Remco luisterde maar met een half oor. Als hij en Marieke kans zagen de schilderijen op te sporen en de dieven achter de tralies te krijgen, zou hij dat heus niet laten! Tenslotte hadden ze samen al heel wat meegemaakt; dingen die heel wat spannender waren dan de roof van een paar schilderijen.

 

Het was al middag toen ze uiteindelijk in Remco’s oude Eend vanuit Amersfoort vertrokken.

“Wat voor man is die schilder eigenlijk?” vroeg Remco aan Marieke.

“Als je dat artikel had gelezen, had je dat geweten,” zei Marieke.

“Ik heb dat artikel inmiddels gelezen, maar dat gaat vooral over zijn werk. Is hij aardig? Sommige kunstenaars kunnen onuitstaanbaar zijn.”

“Sommige journalisten ook,” zei Marieke. “Volgens mij is het een heel aardige, bescheiden man.”

“Is hij getrouwd?”

“Ja, maar vraag me niet hoe z’n vrouw is. Ik heb haar maar even ontmoet en toen deed ze nogal stug.”

“Misschien vindt ze het wel niet leuk, dat haar man altijd in het middelpunt van de belangstelling staat,” dacht Remco hardop.

“Dan had ze niet met hem moeten trouwen,” vond Marieke. “Als je met een kunstenaar trouwt, weet je dat hij de meeste aandacht krijgt.”

“Of je vindt dat hij te weinig aandacht krijgt, dat kan ook,” zei Remco. “Maar enfin, we zullen wel zien. Ik vermoed, dat we haar straks ook wel zullen ontmoeten.”

“Hesseling woont in een klein huis, vlak naast een oude, verbouwde molen,” vertelde Marieke. “Op de eerste verdieping van de molen heeft hij zijn atelier en de begane grond is ingericht als expositieruimte.”

“Daar hangen dus zijn schilderijen en waarschijnlijk is er daar ook ingebroken,” constateerde Remco.

 

Toen ze zo’n anderhalf uur later het erf bij de molen opdraaiden, was het er tot hun opluchting niet druk. Blijkbaar vonden de andere kranten het nieuws niet interessant genoeg om er mensen op af te sturen. Er stond alleen een politiewagen.

Op het terrein rond de molen was niemand, maar de deur van de molen stond uitnodigend open.

“Waarschijnlijk is Hesseling binnen,” zei Marieke. “Ik hoop dat hij me nog herkent.”

Toen ze de molen binnenstapten, zagen ze vier mensen staan, die zo druk met elkaar in gesprek waren, dat ze de nieuwkomers eerst niet opmerkten. Pas toen Remco kuchte, keken ze op.

“Wat komt u hier doen?” vroeg één van de mannen. Het klonk nors.

“Dat is Klaas Hesseling,” fluisterde Marieke Remco toe. Om daarna hardop te vervolgen: “Dag meneer Hesseling. Ik hoop dat we niet al te ongelegen komen. Ik heb een paar maanden geleden, samen met een collega, een reportage over uw werk gemaakt.”

Er gleed een glimlach over het vermoeide gezicht van de schilder.

“Ach, ja natuurlijk! Nou weet ik het weer. U kwam voor het Christelijk Dagblad.”

“Misschien is die reportage er wel de oorzaak van, dat de schilderijen zijn gestolen!” zei de vrouw van de schilder bits.

“Ik mag toch hopen dat de lezers van een Christelijk Dagblad dergelijke dingen niet doen!” mengde één van de twee agenten zich in het gesprek.

“Dat hoop ik ook!” zei Remco. Hij liep naar het viertal toe en stelde zich voor: “Remco Jongeneel, journalist van het Christelijk Dagblad.”

“Wat komen jullie doen?” vroeg mevrouw Hesseling onvriendelijk.

“We willen opnieuw een stuk in de krant zetten over de schilderijen van uw man, met een beschrijving of een foto erbij van de gestolen doeken,” legde Remco uit. “Misschien dat onze lezers vroeg of laat één van de doeken ergens zien en herkennen en zo de politie op het spoor kunnen brengen van de daders.”

“De politieagenten in Twente zijn heus wel in staat hun eigen boontjes te doppen,” zei de vrouw. “Daar hebben ze geen hulp van nieuwsgierige journalisten bij nodig.”

“Ach,” suste de oudste agent. “Alle hulp die we kunnen krijgen is welkom. Voorlopig hebben we er nog geen idee van, wie die schilderijen heeft gestolen.”

“Was deze ruimte beveiligd?” wilde Remco weten.

“Een simpel alarm, dat afgaat zodra zich iets in de molen beweegt. De dieven hebben het waarschijnlijk overdag onklaar gemaakt, zodat ze ’s nachts ongemerkt hun slag konden slaan.”

“Hoe dan?” vroeg Marieke nieuwsgierig.

“Het alarm werkt met sensoren,” legde de jongste van de twee agenten uit. “Overdag, als de expositieruimte open is, is het alarm uitgeschakeld. De dieven hebben gewoon een paar donkere doeken over die sensoren heen gehangen, zodat die geen bewegingen meer konden registreren. Maar zet dat alsjeblieft niet in de krant, want dan breng je de mensen alleen maar op verkeerde ideeën.”

“En ze zijn daarna ’s nachts teruggekomen,” begreep Remco. “Hoe is dat precies gebeurd?”

“Nou,“ begon de oudste agent.

“Zou je dat nu wel vertellen?” onderbraak zijn collega hem.

De oudste agent haalde zijn schouders op.

“De schilderijen zijn nu toch al gestolen,” zei hij. “En meneer Hesseling heeft beloofd voor een beter alarmsysteem te zorgen, zodat inbrekers niet opnieuw zo gemakkelijk hun slag kunnen slaan.”

“Is dat zo?” kwam de vrouw van de schilder tussenbeide. “Ik vraag me af, waarvan je dat wilt betalen, Klaas!”

De schilder keek hulpzoekend van de agenten naar Remco en Marieke.

“Ik neem aan dat de gestolen schilderijen waren verzekerd,” zei Remco daarom.

Klaas Hesseling knikte.

“Een paar maanden geleden hebben we de boel door een expert laten bekijken en toen is de verzekeringspremie een stuk omhoog gegaan. Als de doeken niet boven water komen, krijg ik als het goed is geld van de verzekering.”

“Dat is ze geraden!” zei mevrouw Hesseling.

“Wat wordt er meestal ongeveer voor een schilderij van u betaald?” wilde Remco weten.

“Dat hangt er vanaf,” zei de schilder. “Als het een groot doek is, wat goed is gelukt, vraag ik er tussen de vijfentwintighonderd en de vijfduizend euro voor. Voor de kleinere doeken vraag ik uiteraard minder.”

“Als ik het geld ervoor had, kocht ik er meteen één!” zei Marieke spontaan. “Ik vind uw doeken prachtig.”

“Verkoopt u vaak schilderijen?” vroeg de oudste politieman.

Klaas Hesseling haalde zijn schouders op.

“Ik ben een schilder, geen zakenman,” zei hij. “Meestal houd ik de mooiste doeken apart, omdat ik er geen afstand van kan doen. Of ik hang het in de expositieruimte met een kaartje erbij, dat het al verkocht is.”

“Je zult maar met zo’n schilder getrouwd zijn!” zei zijn vrouw. “Hij denkt zeker dat we van de wind kunnen leven.”

Blijkbaar werd het haar allemaal te veel. Driftig veegde ze met een zakdoek langs haar ogen en daarna beende ze de molen uit. Remco en Marieke, die haar nakeken, zagen dat ze de deur ervan met een klap achter zich dichttrok.

“Ieder huisje heeft zijn kruisje,” grinnikte de jongste agent. “Ik denk, dat ik voorlopig nog maar even vrijgezel blijf.”

“Maria heeft het niet gemakkelijk,” verdedigde de schilder zijn vrouw. “Die diefstal is haar niet in de koude kleren gaan zitten. Het is niet leuk, als je weet dat wildvreemden er met jouw spullen vandoor zijn gegaan.”

“Weet u zeker dat het wildvreemden zijn?” wilde Remco weten.

Verbaasd keek Klaas hem aan.

“Ik neem niet aan, dat één van mijn vrienden of bekenden er met mijn doeken vandoor is gegaan,” zei hij.

“We weten nog steeds niet, hoe de inbraak precies in zijn werk is gegaan,” zei Marieke.

“Daar valt eigenlijk niet zoveel over te zeggen,” zei de oudste agent. “Ze hebben dat raampje daar ingeslagen, zijn daardoor naar binnen gekropen en hebben daarna de buitendeur van binnenuit opgemaakt. Omdat de buitendeur vanaf het huis niet te zien is, en het alarm van tevoren onklaar was gemaakt, hebben ze ongestoord hun gang kunnen gaan.”

Remco liep naar het raampje dat de politieman hem had aangewezen. Het gebroken glas was vervangen, waardoor het raam een beetje afstak bij de andere, vuile ruiten.

“Die inbreker moet behoorlijk slank zijn geweest,” stelde hij vast. “Ik denk niet, dat ik erdoor zou kunnen.”

“Daar heb ik me ook al over verbaasd,” knikte de oudste agent. “Maar met een beetje moeite moet het lukken. De inbrekers hadden keurig al het glas uit de sponning gehaald, zodat ze zich niet zouden snijden.”

“Kun je de buitendeur van binnenuit gemakkelijk openmaken?” was zijn volgende vraag.

“Daar heb ik me ook over verbaasd,” zei de schilder. “Normaal draai ik de buitendeur altijd op het nachtslot, maar blijkbaar ben ik dat de avond van de inbraak vergeten. Ik heb toen ’s avonds nog een hele tijd geschilderd en ben pas, nadat Maria me had geroepen, tegen elven naar huis gegaan. Misschien heb ik, omdat Maria nijdig was dat ik zolang wegbleef, toen in de haast vergeten de deur achter me op slot te draaien. Op zich is dat geen ramp, want de deur werkt net als de voordeur van een huis. Als je die achter je in het slot trekt, kun je hem van buiten uit alleen met een sleutel omdraaien. Misschien dat ik daarom niet altijd even zorgvuldig ben met dat nachtslot.”

“Het gebeurt dus wel vaker dat de deur niet op het nachtslot zit,” stelde de oudste agent vast. Hij haalde een klein notitieboekje uit zijn zak en maakte een paar aantekeningen. “Hebt u dit ook aan de verzekering verteld?”

“Uiteraard, maar daar deden ze er niet al te moeilijk over. Voor de expert die hier vanmorgen was, was de zaak zo klaar als een klontje. Er waren duidelijk sporen van braak en het alarm was gesaboteerd. Of denkt u soms dat ik opzettelijk de zaak niet goed heb afgesloten, zodat de dieven hun gang konden gaan?”

“Dat heb ik niet gezegd!”

“Maar u suggereert het wel. Hebt u kinderen?”

“Ja, maar wat heeft dat ermee te maken?”

“Voor mij zijn mijn schilderijen net kinderen. Als ik een doek verkocht heb, ga ik daarna meestal heel stil in een hoekje van m’n atelier zitten janken. U begrijpt er volgens mij niets van! Denkt u nu heus, dat ik voor mijn plezier die schilderijen laat stelen. Ik verkoop m’n doeken alleen aan mensen, aan wie ik zie dat ze er bijna net zoveel van houden als ik. Zodra ik merk, dat het een eventuele koper er alleen om te doen is met mijn schilderijen op te scheppen of om ze te gebruiken om er geld mee te verdienen, zeg ik dat de koop niet doorgaat. Ik laat mijn kinderen niet in verkeerde handen vallen!”

Een beetje verlegen liep Remco naar de schilderijen, die de dieven hadden laten hangen. Hij had het idee, dat de woorden van de schilder eigenlijk niet voor zijn oren bestemd waren. Duidelijk was te merken, hoe de man leed onder het verlies van de schilderijen.

De inbrekers hadden een paar grote doeken laten hangen. Blijkbaar konden ze die niet in hun auto meenemen. Marieke ging er vanuit dat ze dat vervoermiddel gebruikt hadden. Hoewel hij weinig verstand van kunst had, zag Remco dat de schilder talent had. Vooral een schilderij van het strand en de zee vond hij prachtig. Het leek wel of het water zo de molen in kon lopen.

“Mooi hè!” zei Marieke, die naast hem kwam staan.

Remco knikte.

“Als ik ooit geld teveel heb, koop ik zo’n schilderij!” zei Marieke.

“En als ik ooit geld teveel heb, koop ik er één voor jou!” beloofde Remco.

Even keek Marieke Remco onderzoekend aan, toen schoot ze in de lach.

“Je bedoelt waarschijnlijk, dat je toch nooit geld teveel zal hebben!”

“Niet zolang we bij het Christelijk Dagblad blijven werken,” zei Remco berustend. “Maar het geeft niet. Ik heb een baan die naar m’n zin is, een dak boven m’n hoofd en genoeg te eten en te drinken. Meer heeft een mens immers niet nodig.”

“Ik wou dat mijn vrouw er ook zo over dacht!”

Klaas Hesseling, die aan kwam lopen, had Remco’s laatste opmerking gehoord en haakte daarop in.

Even viel er een ongemakkelijke stilte, daarom schakelde Remco snel over op een ander onderwerp.

“Zijn er eigenlijk sporen van de inbrekers gevonden?” wilde hij weten.

“Toen ik ’s morgens ontdekte dat de schilderijen waren gestolen, goot het al vanaf een uur of zes,” vertelde de schilder. “Daar komt bij, dat er onder het raam waardoor de dieven naar binnen zijn gekomen, stenen liggen. De politie heeft nergens voetafdrukken gevonden.”

“En vingerafdrukken?”

“Daar hebben ze niet eens naar gezocht. Maria maakt hier regelmatig de boel schoon, maar er komen hier iedere dag tientallen bezoekers, die allemaal hun vingerafdrukken achterlaten. Het is onbegonnen werk al die vingerafdrukken te controleren en te vergelijken met de computerbestanden van de recherche.”

“Toch zullen we ons uiterste best doen, de doeken op te sporen,” beloofde de oudste agent.

“Ik zal mijn vrouw vragen de foto’s die we van de doeken hebben gemaakt naar het bureau te mailen. Vroeg of laat moeten ze toch ergens opduiken!”

“Ga daar maar vanuit!” zei de andere politieman. “Die lui hebben die schilderijen niet voor niets gestolen. Zodra we iets weten nemen we contact met u op.”

Hij gaf de schilder een hand en nam afscheid. Toen de twee agenten de molen hadden verlaten, zei Marieke: “Als u het goed vindt, neem ik nog een paar foto’s en dan vertrekken wij ook. Ik ben bang dat wij verder ook weinig voor u kunnen doen.”

 

Een kwartier later reed Remco zijn oude Eend het erf af. Marieke keek op haar horloge.

“Als we opschieten kunnen we om een uur of zeven thuis zijn,” rekende ze uit.

“Ik denk niet, dat ik al naar huis wil,” zei Remco tot haar stomme verbazing.

“Waarom niet? We hebben hier immers niets meer te zoeken?”

“Toch wel! We moeten een dief ontmaskeren!”

“Volgens mij heb je te lang geen koffie gehad en is het je in je bol geslagen!” stelde Marieke vast.

Remco parkeerde zijn auto in de berm en zette de motor af.

“Ik denk dat ik weet wie de dief is,” zei hij.

“Sinds wanneer ken jij dieven?”

“Sinds een paar uur,” zei Remco. “Luister, dan leg ik het je uit!”

“Vooruit dan maar!” zuchtte Marieke.

Remco begon te vertellen en toen hij was uitgesproken zei ze: “Ik kan me niet voorstellen dat je gelijk heb!”

“Ik heb gelijk,” zei Remco zelfverzekerd. “Ga je mee terug, of moet ik je eerst ergens op de trein zetten?”

“Mooi is dat!” mopperde Marieke. “Ik ga met je mee, maar dan wil ik zo eerst wel wat gaan eten.”

“Dat vind ik prima. Die schilderijen en die dief lopen niet weg.”

“Als jouw verhaal klopt, wat ik nog steeds niet kan geloven, niet nee!”

 

Om een uur of acht gingen ze terug naar de molen van de Hesselings. Voordat ze bij de molen waren zette Remco de auto aan de kant.

“Voordat we verdergaan, wil ik eerst bidden,” zei hij zacht. “In die drukke snackbar was er geen gelegenheid voor. Het zal een moeilijk gesprek worden en ik wil de Heere om kracht en wijsheid vragen. Of vind je dat gek?”

Marieke schudde haar hoofd.

“Bid maar hardop,” zei ze.

Nadat ze samen hadden gebeden, reed Remco in een kalm tempo verder. De molen zelf was donker, maar in het huis ernaast brandde licht.

“Jij doet het woord maar,” zei Marieke. “Ik ben heel benieuwd hoe je dit aan wilt pakken.”

“Mij best,” zei Remco.

Toch klopte zijn hart ongewoon fel, toen hij bij de woning aanbelde. De schilder deed open.

“Jullie?” vroeg hij verbaasd. “Ik dacht dat jullie al lang en breed weer in Amersfoort zaten.”

“Ik zou graag nog een paar vragen willen stellen,” zei Remco.

“Aan mij? Ik dacht dat ik alles wat ik weet al zo’n beetje verteld had.”

“Niet aan u, maar aan uw vrouw,” zei Remco.

“Mijn vrouw heeft er niets mee te maken,” zei Klaas Hesseling.

“Mogen wij binnenkomen?” drong Remco aan.

Even aarzelde de schilder nog, toen deed hij een stap opzij.

“Ik denk dat het weinig zin heeft. Mijn vrouw weet nog minder dan ik.”

Mevrouw Hesseling reageerde bijna vijandig, toen ze Remco en Marieke terugzag.

“Deze twee mensen willen ons nog een paar vragen stellen,” zei haar man.

“Er valt weinig meer te zeggen,” zei de vrouw met samengeknepen lippen.

“Ik ben bang van wel,” zei Remco. “We zijn gekomen om u te waarschuwen.”

“Te waarschuwen?” vroeg de schilder verbaasd. “Waarvoor? Jullie denken toch niet dat er opnieuw wordt ingebroken?”

“Dat niet nee,” zei Remco. “Maar naar aanleiding van ons bezoek van vanmiddag ben ik tot een bepaalde conclusie gekomen. Ik weet, wie de dief is en ik ben bang, dat het niet lang zal duren voordat de politie hetzelfde bedenkt.”

“Als u weet wie de dief is, moeten we onmiddellijk de politie bellen!” zei de schilder. “Dan kunnen zij die schurk meteen inrekenen en mij m’n doeken terugbezorgen.”

“Ik denk niet, dat uw vrouw het daar mee eens is,” zei Remco, terwijl hij de vrouw van de schilder strak aankeek. “Heb ik gelijk of niet, mevrouw Hesseling?”

“Ik snap niet wat u bedoelt!” zei Maria Hesseling schril.

“U snapt heel goed wat ik bedoel,” reageerde Remco rustig, “en ik ben bang dat de politie het ook zal begrijpen. Waar hebt u de schilderijen verstopt? Op zolder? In de kelder? De schuur misschien? Of zit er een familielid of kennis in het complot, die de doeken voor u op een veilige plaats heeft opgeborgen?”

Maria Hesseling wilde protesteren, maar haar man was haar net voor. Ontsteld keek hij haar aan.

“Heb jij de schilderijen weggenomen? Zeg me dat het niet waar is!”

Waarschijnlijk kwam het door de tranen in zijn ogen dat er iets bij Maria brak. Snikkend zei ze: “Ja, ik heb ze weg genomen en was niet van plan ze ooit weer boven water te laten komen!”

“Maar waarom?” stamelde de schilder.

“Je vraagt waarom? Hoe durf je! Alles draait hier om jou en je schilderijen! Met mij wordt al jaren geen rekening gehouden. Als er af een toe een koper voor je doeken komt, doe jij alle mogelijke moeite om te voorkomen dat die met een doek naar huis gaat. En ik moet maar zien dat ik de eindjes aan elkaar knoop! Nooit hebben we ergens geld voor! Wanneer hebben we voor het laatst samen iets leuks gedaan? Wanneer zijn we voor het laatst op vakantie geweest? Als we eindelijk wat geld hebben, koop je er onmiddellijk nieuwe verf en doeken voor om een nieuw schilderij te maken. Het is dat ik een paar dagen in de week als schoonmaakster in een winkel in het dorp wat kan verdienen, anders waren we allang omgekomen van de honger. Ik ben het zat, Klaas! Daarom heb ik die doeken weggenomen en verstopt, zodat we geld van de verzekering zouden krijgen! Het was de enige oplossing die ik kon bedenken.”

“Waarom heb je me dit niet eerder verteld?” vroeg Klaas.

“Ik heb het je al ik weet niet hoe vaak verteld, maar je wilt nooit luisteren!”

Remco en Marieke voelden zich knap ongemakkelijk. Hoewel ze er min of meer op waren voorbereid, dat dit kon gebeuren, wisten ze zich met hun houding niet goed raad. Ze hadden het gevoel dingen te horen die niet voor hun oren bestemd waren.

“Ik denk dat we u nu beter alleen kunnen laten,” zei Remco. Hij stond op en Marieke volgde zijn voorbeeld.

“Wat gaan jullie nu doen? De politie waarschuwen?” vroeg mevrouw Hesseling angstig.

“Ik weet bijna zeker, dat ik morgenochtend een telefoontje van jullie krijg, dat jullie ’s morgens bij de deur van de molen een groot pakket hebben gevonden, met daarin alle schilderijen. Gelukkig onbeschadigd en in goede staat. Er zit een briefje bij, waarop de dief zegt dat hij wroeging heeft van zijn daad en daarom alles heeft terugbezorgd.”

“En als dat niet zo is?”

“Dan bel ik naar de politie en vertel hen wat ik weet,” zei Remco. “Maar ik ga ervan uit, dat dat niet nodig zal zijn.”

“Dat denk ik ook niet,” zei Maria Hesseling nauwelijks hoorbaar. Aarzelend deed ze een stap in de richting van haar man, die beschermend een arm om haar heen sloeg.

Zonder nog een woord te zeggen verlieten Marieke en Remco de kamer. Buiten aangekomen slaakte Marieke een diepe zucht.

“Ik hoop nooit meer zoiets mee te maken!” zei ze uit de grond van haar hart.

“Ik ook niet!” zei Remco. “Ik ook niet!”

 

 



Deze keer geen verhaal over Het Team, maar een kerstverhaal dat Janwillem een paar jaar geleden heeft geschreven en verteld aan de kinderen van de kerk waar hij lid van is. Het is dus ook bestemd voor jongere kinderen om zelf te lezen of om voor te lezen.

 

HET VERHAAL VAN DE FAMILIE WONG.

 

Het verhaal dat ik jullie ga vertellen, begint ongeveer drie jaar geleden en gaat over een meisje, dat toen zes jaar was en over haar vader en moeder. Het meisje heet Lin Wong.

Rare naam, hè? Ik denk niet dat jullie een meisje kennen dat zo heet. Toch is de naam Lin in het land waar dit meisje vandaan komt, heel gewoon. Lin woonde niet in Nederland, maar hier heel ver vandaan, helemaal in China.

Eigenlijk gaat het verhaal niet alleen over Lin, maar ook over haar vader en moeder. Haar vader heet Lee. Lee Wong. Volgens Lin is hij één van de knapste mensen van China. Weet je wat haar vader voor werk deed?

Lins vader was in China straatveger. Wat denken jullie, moet je knap zijn om straatveger te zijn? Nee hè? Vegen kan eigenlijk iedereen.

Toch heeft Lin wel een beetje gelijk. Haar vader is echt heel knap. Voordat hij straatveger werd, was hij professor aan de belangrijkste universiteit van Peking. Professor word je niet zomaar. Daar moet je zelf ook heel lang voor leren en heel knap voor zijn. Het klopt dus wel dat Lin zegt dat haar papa één van de knapste mannen van China is.

Maar hij werd dus straatveger.  Ik zal jullie vertellen hoe dat komt.

Lee Wong is professor in de biologie. Hij moet zijn studenten dus van alles en nog wat vertellen over de dieren, de planten en de mensen. Hij moet ook aan de studenten vertellen, hoe de wereld en de zon en de maan er waren gekomen. Wij weten dat God alles heeft geschapen. Zelfs de kinderen uit groep 1 en 2 weten dat al, maar de knappe professor Lee weet dat niet.

Lee had, toen hij zelf nog jong was, geleerd dat de zon en de maan en de aarde ontstaan waren door een grote knal. Op de aarde waren er eerst alleen maar hele kleine beestjes, die steeds meer veranderden, totdat ook vanzelf de mens er kwam. Wij weten, dat dit allemaal onzin is, maar dat wist de knappe Lee niet. Professor Lee Wong  heeft, net als de meeste mensen in China, nog nooit in de Bijbel gelezen. De Bijbel is in China een verboden boek, waar je niet in mag lezen van de leiders van het land.

Op een dag vertelt de vader van Lin dat verzonnen verhaal over het ontstaan van de aarde aan zijn studenten. Hoewel hij zelf ook wel vindt, dat sommige dingen wel erg toevallig gebeurd zijn, vindt hij dat hij het heel netjes vertelt heeft. Zijn studenten geloven hem allemaal vast!

Nadat hij klaar is met vertellen, moet Lee naar de wc. Als hij weer terugkomt in de zaal, waar hij les geeft, vindt hij tussen zijn spullen een klein pakje.

“Wat leuk!” denkt hij. “Iemand heeft mij een cadeautje gegeven!” Nieuwsgierig maakt hij het pakje open.

Er zit een Bijbel in, met voorin een klein briefje. Op dat briefje staat: “Lees dit en u zult alles begrijpen.” Er staat geen naam onder.

Lee heeft wel eens van de Bijbel gehoord, maar er nog nooit één gezien. Het is immers een verboden boek! Nieuwsgierig kijkt hij om zich heen. Wie zou dat pakje op zijn bureau hebben gelegd? Hij komt er niet achter.

Gauw verstopt de professor het boek in zijn tas.

’s Avonds, na het eten, begint hij er meteen in te lezen en als hij eenmaal begonnen is, kan hij bijna niet meer stoppen. Pas om drie uur ’s nachts gaat hij naar bed en de volgende avond gebeurt precies hetzelfde, net zolang tot hij de Bijbel uit heeft. Hij leest het verhaal van de schepping, van Abraham, Izaak en Jakob, van Mozes en David en ook het kerstverhaal en het paasevangelie. En weet je wat er gebeurt?  Lee komt tot geloof! Is dat geen wonder!

Lee vertelt zijn vrouw Ming en zijn dochter Lin wat hij ontdekt heeft. Die schrikken allebei vreselijk. Geloven in God mag helemaal niet in China.

“Houdt alsjeblieft je mond!” zegt zijn vrouw. “Want als de soldaten er achter komen…..”

Maar Lee houdt zijn mond niet. Als hij weer voor de klas staat, begint hij zijn studenten te vertellen, dat al die verhalen die hij eerder verteld had over het ontstaan van de wereld verzonnen zijn.

“God heeft de wereld gemaakt! Niet in miljoenen jaren, maar in zes dagen. De bomen, de vogels, de vissen, de andere dieren en ook de mens! Daardoor komt het, dat alles zo mooi is en zo goed!” zegt hij. Al zijn studenten zitten stomverbaasd te luisteren. Allemaal op één na. Het meisje dat hem stiekem de Bijbel had gegeven, dankt stilletjes dat God ervoor gezorgd heeft, dat de professor gelooft.

Nog geen uur nadat de les is afgelopen, stormt er een groep soldaten de klas van Lee binnen. Zonder iets te zeggen doen ze hem de handboeien om en nemen ze hem mee. Eén van de studenten had hen verklapt, dat Lee over God had verteld. En dat mag niet in China…

Lins vader wordt in de gevangenis gegooid. Wanneer Lin en haar moeder dat horen, moeten ze vreselijk huilen.

“Ik heb hem nog zo gezegd, dat hij er niet over moest praten!” snikt Ming.

“Komt papa nu nooit meer terug?” vraagt Lin.

Gelukkig komt papa Lee een paar maanden later weer thuis. Lin herkent haar papa eerst niet, zo is hij veranderd. Voordat hij naar de gevangenis moest, was hij best dik geweest, maar nu is hij heel mager. In de gevangenis hebben ze hem ook geslagen, met dunne, zwiepende bamboestokken.

Huilend valt Ming haar man om de hals.

“Hopelijk ben je nu al die onzin uit dat boek vergeten!” zegt ze.

“Het is geen onzin!” zegt Lee. “Alles wat in de Bijbel staat is waar.”

“Maar hoe moet het dan verder?” vraagt  Lin.

“We moeten hier weg,” zegt Lee. “Van de soldaten mogen we niet langer in Peking blijven. Ik mag ook niet meer werken op de universiteit. We moeten verhuizen naar een klein dorpje, meer dan duizend kilometer verderop.”

“Maar waar moeten we dan van leven?” snikt Ming.

“De Here zal ons helpen!” zegt Lee ernstig.

Lin begin te huilen. Al haar vriendjes en vriendinnetjes van school ziet ze vast nooit meer terug.

“Ik wou dat mijn vader die Bijbel nooit had gekregen!” zegt ze tegen zichzelf.

Al de volgende dag gaan Lin en haar papa en mama op reis. Niet met de auto, want die mogen ze van de soldaten niet langer houden, maar met de trein. Ze kunnen ook niet zo heel veel meenemen, alleen hun kleren. Lee neemt de Bijbel, die hij op zolder verstopt heeft, mee, onderin zijn tas. Lin moet al haar speelgoed achterlaten, alleen haar lievelingspop mag mee. Als ze de deur van hun huis voor de laatste keer achter zich dichttrekken, moet Lin vreselijk huilen. Ook haar moeder heeft tranen in haar ogen. Haar vader kijkt strak. Er gaat een soldaat mee, om ervoor te zorgen dat ze echt weg gaan uit Peking.

Na een lange treinreis komen ze eindelijk in het dorp waar ze moeten gaan wonen. Er staat een klein huisje, waar een oud vrouwtje had gewoond, dat pas is overleden. Het stinkt er vreselijk en Ming gaat meteen hard aan het werk om de boel schoon te maken en op te ruimen.

“Waarom doe je ons dit allemaal aan?” vraagt ze aan Lee.

“Dat zal ik jullie vertellen,” antwoordt Lee. En ’s avonds, bij het licht van een kaars, vertelt hij Ming en Lin de verhalen, die hij in de Bijbel heeft gelezen. Overdag moet hij met een bezem de straten van het dorpje schoonhouden. Daarmee verdient hij net genoeg om voor Lin, Ming en zichzelf wat eten te kopen.

In het begin, als ze nog niet zo lang in het dorp wonen, komt er regelmatig een politieagent langs, om te laten merken dat ze hem nog steeds in de gaten houden, maar na een paar maanden gebeurt dat steeds minder vaak.

Soms gaan ze met elkaar ’s nachts op pad. Heel stilletjes, zodat niemand het merkt. Dan gaan ze naar een huis of een schuur op een stille plek, waar ze andere mensen ontmoeten, die ook in God geloven. Lin en Ming beginnen steeds beter te begrijpen, waarom Lee was gaan geloven.

Op een avond, als ze weer met z’n drieën bij elkaar zitten, zegt Ming tegen Lin: “We moeten je wat vertellen.”

“Wat dan?” vraagt Lin.

“Over ongeveer zes maanden krijg je een broertje of zusje!” zegt haar mama.

Lin schrikt verschrikkelijk, als ze dat hoort. Weten jullie waarom? In China mag je maar één kindje hebben van de regering, omdat ze bang zijn dat het land te vol wordt.

Lin begint vreselijk te huilen.

“Straks komen de soldaten weer,” zegt ze, “en dan nemen ze jullie allebei mee en dan heb ik geen papa en mama meer!”

“Daarom gaan we ook weg!” vertelt haar papa.

Weg? Maar waar moeten ze dan heen? En als de soldaten er achter komen en hen gaan achtervolgen en oppakken, wat dan?

“We vertrekken stiekem, midden in de nacht,” vertelt papa Lee. “Een vriend van ons wil ons meenemen, achter in zijn vrachtwagen, verstopt achter een stapel dozen. Hij gaat helemaal naar Sjanghai.”

Sjanghai is een grote Chinese havenstad aan de oceaan.

“In Sjanghai proberen we een schip te vinden dat ons mee kan nemen naar Europa.”

“Europa? Wat is dat?” vraagt Lin.

“Europa ligt hier heel ver vandaan, helemaal aan de andere kant van de wereld,” vertelt Ming.

“En in Europa mag iedereen in God geloven,” zegt Lee. “Daar hoef je niet bang te zijn, dat er soldaten komen om je op te pakken.”

Lin wordt bang. Europa is vast heel ver weg en ze is bang, dat je daar helemaal niet zomaar in de Heere mag geloven. In China mag dat immers ook niet!

De volgende nacht gaan ze op reis. Ze kunnen nu nog veel minder bagage meenemen dan de vorige keer. Toch mag Lin haar pop wel meenemen, anders vinden haar papa en mama het wel heel zielig.

Het wordt een vreselijke reis. Eerst een dagenlange toch in de stinkende, botsende vrachtwagen. Elke keer als de deuren opengaan, zijn ze bang dat het soldaten zijn om hen op te pakken, maar gelukkig gebeurt dat niet.

In Sjanghai vinden ze een schuilplaats in een pakhuis. Overdag gaat papa Lee erop uit, om te zoeken naar een schip dat hen stiekem mee wil nemen, weg uit China. Pas na twee weken heeft hij eindelijk geluk. Blij en opgelucht komt hij in het pakhuis terug.

“Ik heb een schip gevonden, dat ons mee wil nemen naar Rotterdam,” zegt hij. “Rotterdam ligt in Nederland, een klein landje ergens in Europa.”

“Willen ze ons zomaar meenemen?” vraagt  Ming.

“Nee, niet zomaar. Ze vragen er een heleboel geld voor. Als we voor de reis betaald hebben, houden we bijna niets meer over.”

“Toch moet het maar,” vindt Ming. “Want als we hier te lang blijven, worden we vast gesnapt en dan kan iedereen zien, dat we een kindje krijgen. En als dat gebeurt….”

Twee dagen later gaan ze, heel stilletjes, aan boord van het schip. Ze mogen er niet in een nette kamer slapen, maar de kapitein heeft achter in een grote zeecontainer een paar bedden neergelegd en eten voor een paar dagen.

“Als we eenmaal veilig op zee zijn, mogen jullie er af en toe ’s nachts uit,” zegt hij. “Maar dan moeten jullie wel zo stil mogelijk doen, want niet alle mensen op het schip weten dat ik jullie meeneem. Ook als we in vreemde havens komen, mogen jullie er niet uit, want anders gaat het mis. Als ze er achter komen, dat ik jullie meeneem, krijg ik een grote boete en worden jullie meteen teruggestuurd naar China.”

Het wordt een lange, moeilijke reis. Het grootste gedeelte van de tijd zitten Lin en haar papa en mama opgesloten in de zeecontainer. Af en toe, als het heel erg stormt, wordt Lin zeeziek. Eindelijk, op een goede dag, voelen ze opeens dat de container omhoog gaat. De kapitein had er al voor gewaarschuwd, maar toch schrikken ze er behoorlijk van. Ze worden op de wal getakeld, waar de container meteen op een vrachtwagen wordt geladen. Nog geen uur nadat ze zijn aangekomen in de haven rijdt de auto weg.

“Ik wil eruit!” snikt Lin.

“Wij ook!” zegt haar papa. Hij begint op de stalen wanden van de container te bonken, maar dat helpt niet. Pas als ze drie uur later stoppen, gaan de deuren van de container weer open. Haastig duwt papa de dozen opzij.

De man, die de deuren van de container openmaakt, schrikt vreselijk. Hij vraagt iets in een onbekende taal. Het is Nederlands, maar dat weten Lin en haar papa en mama niet. Ze kennen natuurlijk geen Nederlands.

“Wij komen uit China!” zegt papa in het Engels. “En we zoeken hier asiel.” De kapitein van het schip had hem verteld dat hij dat moest  zeggen.

“Wacht hier!” zegt de chauffeur. Haastig doet hij de deuren van de container weer dicht.

Nog geen kwartier later komt de politie. Lin begint te huilen, als ze de mannen ziet.

“Worden we nu meteen teruggestuurd naar China?” vraagt ze aan haar vader.

“Dat weet ik niet,” zegt Lin, “maar God zal ons helpen!”

Lee, Ming en Lin worden achterin een politieauto gezet. Onderweg kijkt Lin haar ogen uit. Overal ziet ze feestelijke verlichting en bomen met lichtjes erin.

“Waarom is dat?” vraagt ze aan haar vader.

“Dat weet ik niet,” antwoordt hij. “Maar ik zal het voor je vragen.”

Hij begint in het Engels tegen de politiemannen te praten. De man naast de bestuurder draait zich om en zegt: “Weten jullie dan niet, dat het morgen kerstfeest is? Of weten jullie misschien helemaal niet, wat kerstfeest is?”

Snel vertaalt Lee voor Ming en Lin wat de agent in het Engels gezegd heeft.

“Morgen is het kerstfeest,” zegt hij. “Het feest van de geboorte van Jezus Christus.”

 

In de maanden die volgen gebeurt er een heleboel. Lin en haar papa en mama komen eerst in een asielzoekerscentrum. Daar wordt ook Lins broertje geboren. Hij heet San. Lin is dolgelukkig met haar kleine broertje. En er is niemand die zegt, dat het niet goed is dat de kleine San is geboren! Iedereen vindt hem een schat!

Lins ouders moeten heel veel praten met allemaal mensen, om te vertellen dat het voor hen onmogelijk is terug te gaan naar China, omdat ze dan in de gevangenis terecht zullen komen. Lin gaat intussen al naar school en leert daar van alles. Het belangrijkste is dat ze er Nederlands leert. Daardoor kan ze de andere kinderen verstaan en krijgt ze gelukkig nieuwe vriendjes en vriendinnetjes. Ook haar papa en mama moeten weer naar school om de taal van het land waar ze nu wonen te leren.

Na een tijdje krijgen ze een eigen huis. Wat zijn ze blij. Lin kan wel zingen van geluk. Hun nieuwe huis heeft wel drie slaapkamers en een zolder. Het doet haar aan hun huis in Peking denken.

Zondags gaan ze samen naar de kerk. Want dat mag echt in het land waar ze nu wonen. Niemand houdt hen tegen en er zijn geen soldaten, die komen om hen op te sluiten. Voor papa, mama en Lin is dat nog steeds een groot wonder. In die kerk zijn er ook mensen, die wel op de kleine San willen letten, zodat papa en mama goed kunnen luisteren naar wat de dominee vertelt. En net als papa beginnen mama en Lin ook steeds beter te begrijpen en te geloven wat er in de Bijbel staat.

 

Dat is allemaal drie jaar geleden gebeurd.

Vorige week, was het feest. Een heel groot feest! Lee, Ming, Lin en San  kregen te horen dat ze in Nederland mochten blijven!

Zondags in de kerk werd ervoor gedankt. Iedereen is blij, dat de familie Wong niet terug hoeft naar China.

En nu, nu is het kerstfeest. Samen met alle gelovige mensen in de hele wereld vieren Lee, Ming, Lin en de kleine San het feest van de geboorte van Jezus Christus. Als vrije, gelukkige mensen.




 


DE GENIALE UITVINDER

 

Het was een regenachtige morgen en Remco zat wat verveeld achter zijn computer voor zich uit te staren. Het wilde die morgen niet lukken. Hij moest een artikel schrijven over een oud schip. Het zou in Turkije gesloopt worden, maar toen ze daar hoorden dat er veel meer schadelijke asbest in zat dan de eigenaren hadden gezegd, hadden de Turken het weer teruggestuurd. Nu lag het in de Rotterdamse haven, waar ze het asbest eruit zouden halen, maar dat kon niet omdat de omwonenden probeerden daar een stokje voor te steken.

Remco gaapte achter zijn hand. Het onderwerp boeide hem totaal niet!

Op dat moment rinkelde de telefoon op zijn bureau.

“Met Remco Jongeneel van het Christelijk Dagblad,” zei hij.

“Je spreekt met Richard Profijt.”

De stem en de naam van de man kwamen Remco vaag bekend voor. Waar kende hij die ook weer van?

“Of ben je soms vergeten wie ik ben?” vroeg de man.

Opeens wist Remco het weer. Richard had op de Havo bij hem in de klas gezeten.

“Proffie!” riep hij enthousiast. “Dat is lang geleden, zeg!”

“Nee, hè?” kreunde de man aan de andere kant van de lijn. “Die naam heb ik niet meer gehoord sinds ik van school af ben. Noem me alsjeblieft gewoon Richard.”

“Jij je zin,” zei Remco. “Waar hang jij tegenwoordig uit en wat doe je voor de kost?”

“Dat zijn twee vragen,” zei Richard. “Ik woon in Harderwijk en wat ik tegenwoordig doe wil ik je niet door de telefoon vertellen.”

“Je maakt me wel nieuwsgierig, zeg!” zei Remco. “Hoe weet je eigenlijk dat ik bij het Christelijk Dagblad werk?”

“Dat lijkt me nogal simpel. Ik heb een abonnement op die krant en ik zie jouw naam regelmatig onder of boven een artikel staan. Volgens mij ben jij nog al gek op primeurtjes.”

“Iedere journalist wil graag als eerste een nieuwtje brengen,” verdedigde Remco zich. “Daar is niets mis mee.”

“Dat zeg ik ook niet. “

“Waarvoor bel je me eigenlijk, Richard?”

“Heb je het momenteel erg druk?”

“Niet echt, nee. Ik werk aan een saai artikel, dus elke afleiding is welkom.”

“Heb je vanmiddag tijd om naar Harderwijk te komen?” vroeg Richard. “Dan heb ik een primeur voor je.”

“Je houdt me toch niet voor de gek?” wilde Remco weten.

“Nee, natuurlijk niet.”

“Waar gaat het dan over?” viste Remco.

“Dat zie je wel als je komt,” zei Richard.

“Mag ik je nummer, dan bel ik je zo terug,” zei Remco. “Ik moet het eerst regelen met mijn hoofdredacteur Erik Drent. Heeft het trouwens zin dat ik een fotografe meebreng?”

“Toe maar!” lachte Richard. “Meneer kan beschikken over een eigen fotografe! Nou, wat mij betreft is het prima als ze meekomt. Er valt inderdaad wel iets te fotograferen.”

 

’s Middags om twee uur vertrokken Remco en Marieke in Remco’s oude Eend vanuit Amersfoort naar Harderwijk.

“Wat is die Richard eigenlijk voor iemand?” wilde Marieke weten toen ze eenmaal op de A28 reden.

“Ik heb hem al een hele tijd niet gezien,” vertelde Remco. “Hoe hij nu is, weet ik dus niet, maar toen hij bij me in de klas zat was het nogal een dromer. Het was maar goed dat hij heel gemakkelijk leerde, anders had hij vast zijn diploma nooit gehaald. Onder de les zat hij vaak ik weet niet waar met zijn gedachten. Omdat hij toch altijd goede cijfers haalde en omdat zijn achternaam Profijt is werd hij altijd Proffie genoemd.”

“Daar was hij vast niet blij mee,” dacht Marieke. “Een bijnaam hebben is voor niemand leuk.”

“Volgens mij maakte Richard zich er niet zo druk om,” zei Remco.

“Ik hoop dat we niet voor niets naar Harderwijk rijden,” zei Marieke.

“Het maakt mij niet uit,” grinnikte Remco. “Ik ben liever met jou op pad dan dat ik op kantoor achter de computer zit.”

 

Het kostte Remco wel wat moeite het adres te vinden dat Richard had opgeven. Het bleek een kleine loods te zijn op een industrieterrein niet ver van het station vandaan. Richard stond hen al op te wachten. Remco zag, dat hij nog nauwelijks was veranderd.

“Sorry,” zei hij, “het lijkt me beter dat ik jullie geen hand geeft. Ik moest nog even wat afstellen, voordat jullie kwamen.”

“Wat afstellen?” vroeg Remco. “Je maakt me nu wel erg nieuwsgierig. Dit is trouwens mijn collega, Marieke.”

“Leuk je te leren kennen,” zei Richard, terwijl hij zijn handen probeerde schoon te vegen aan de overall die hij droeg. “Ik ben Richard Profijt”

“Marieke Wielinga,” stelde Marieke zich voor. “Zeg, zullen we naar binnen gaan, want m’n fototoestel wordt nat.”

“Goed,” knikte Richard. “We moeten daar trouwens toch zijn voor mijn uitvinding.”

“Uitvinding?” vroeg Remco verbaasd. “Heb jij iets uitgevonden?”

“Is dat zo gek?” lachte Richard. “Iedere dag worden er overal in de wereld uitvindingen gedaan.”

“Wat heb je uitgevonden,” wilde Marieke weten.

“Kom maar mee, dan zal ik het je laten zien,” zei Richard. Voor de twee anderen uit liep hij de loods in.

Remco verwachtte iets heel bijzonders te zien, maar dat viel tegen. De loods zag er netjes uit. Aan één van de muren was een groot bord bevestigd, waaraan allerlei gereedschap hing en op een werkbank tegen de andere muur stond een rek met reageerbuisjes, een brander en een aantal witte potten zonder etiket erop. De potten waren allemaal afgesloten. Onder de werkbank stonden een stuk of tien jerrycans. Middenin de loods stond een werkbank, met daarop een uit een auto gesloopte motor, die stevig was vastgezet. Tegen de achterwand stond een eenvoudig stalen bureau, met daarop een computer. Dat was alles.

“Waar is die uitvinding van je?” vroeg Remco. “Eerlijk gezegd zie ik hier niets bijzonders.”

“Let maar eens op,” zei Richard. Hij probeerde de motor te starten, maar er gebeurde niets.

“Er zit geen benzine in,” legde hij uit. “Dat wilde ik even controleren.”

Hij pakte een jerrycan onder de werkbank vandaan en goot daaruit een halve liter benzine in een maatbeker, die hij daarna in de benzinetank aan de zijkant van de automotor leegde. Opnieuw probeerde hij de motor te starten en die sloeg ditmaal onmiddellijk aan.

“Let nu op!” zei Richard. Hij wees naar een toerenteller, die hij op de tafel had vastgeschroefd en naar een stopwatch, die zodra de motor aansloeg was gaan lopen.

“Zo,” zei hij. “Wil jij het toerental noteren, Remco?”

“Waar slaat dit op?” Remco begon zich op te winden. “Ik ben toch zeker niet naar Harderwijk gekomen om te kijken hoe jouw oude automotor loopt?”

“Rustig maar,” probeerde Marieke hem te sussen. “Richard weet vast wel wat hij doet.”

Na een paar minuten begon de motor te sputteren en vervolgens sloeg hij af.

“Schrijf jij op hoelang de motor heeft gedraaid?” vroeg Richard aan Remco, terwijl hij op de stopwatch wees. Remco haalde zijn schouders op, maar deed toch wat hem gevraagd werd.

“Nu komt het!” waarschuwde Richard.

Opnieuw goot hij wat benzine in de maatbeker, ditmaal geen halve liter maar ongeveer vijf centiliter minder. Daarna pakte hij één van de witte emmers en maakte die open. Er bleek een grijswit poeder in te zitten. Met een maatschepje haalde Richard er vijf gram uit en deed dat in de maatbeker met benzine. In een oogwenk was het poeder verdwenen, opgelost in de benzine.

Zonder ook maar een moment te aarzelen, goot Richard het mengsel in de benzinetank van de motor, die hij daarna weer startte. De toerenteller begon zijn werk te doen en ook de stopwatch liep weer. Remco zag, dat het toerental gelijk was aan dat bij de eerste proef.

“Willen jullie wat drinken?” vroeg Richard. “Daar hebben we nu wel even tijd voor.”

Remco keek op de stopwatch.

“Kunnen we niet beter wachten tot die motor weer afslaat?” vroeg hij. “Volgens mij duurt dat nog maar een paar minuten.”

“Wacht maar af,” zei Richard. “Willen jullie koffie of thee?”

“Wat jij wilt,” zei Marieke. “Ik vind het allebei lekker.”

“Dan wordt het thee,” besliste Richard.

 

Een minuut of vijf later hadden ze alle drie een kop thee voor zich en tot Remco’s en Marieke’s verbazing liep de motor nog steeds. Pas toen ze hun thee bijna ophadden, sloeg de motor af. Remco keek op de stopwatch. De motor had meer dan drie keer zolang gelopen als de eerste keer.

“Hoe is dit mogelijk?” vroeg Remco verbaasd. “Wat voor spul heb je eigenlijk door de benzine gemengd?”

“Dat is mijn geheim,” lachte Richard. “Eerlijk gezegd heb ik er nog geen naam voor verzonnen.”

“Klopt het dat je maar een derde van de benzine nodig hebt om dezelfde afstand te kunnen rijden?” wilde Marieke weten.

“In ieder geval minder dan de helft,” zei Richard trots. “En het spul zorgt er ook voor, dat de auto veel minder uitlaatgassen produceert!”

“Die vinding is goud waard,” zei Remco bewonderend. “Tenzij het heel duur is om dat poeder te maken.”

“Zie ik er uit als iemand die veel geld heeft?” lachte Richard. “Ik schat, dat de benzine ongeveer tien cent per liter duurder moet worden, als mijn uitvinding er doorheen zit. Maar als je rekent dat je dan meer dan twee keer zover kunt rijden met een volle tank betekent dit dat het rijden de helft goedkoper wordt.”

“Fantastisch,” zei Remco. Ondanks het feit dat Richard vieze handen had, schudde hij hem hartelijk de hand. “Gefeliciteerd, man!”

“Ik heb morgenochtend een afspraak met iemand van de grootste oliemaatschappij van ons land,” vertelde Richard. “Ze wilden me eerst nauwelijks geloven, maar ze komen toch.”

“Misschien bieden ze je wel heel veel geld voor je uitvinding,” bedacht Remco.

“Dat denk ik ook,” zei Richard,  “maar daar ga ik niet op in. Ik wil dat alle oliemaatschappijen van de wereld mijn uitvinding kunnen gebruiken, zodat iedereen er beter van wordt.”

“Wie had dat kunnen denken!” Vol ongeloof schudde Remco zijn hoofd. “Ik ben er stil van.”

“Dat wil heel wat zeggen,” zei Marieke.

“Mag ik er een stuk over in de krant schrijven?” vroeg Remco.

“Natuurlijk, daarvoor heb ik je gebeld!”

 

Remco stelde nog een paar vragen, terwijl Marieke foto’s maakte van de motor en het geheimzinnige poeder. Daarna namen ze afscheid.

“Ik zorg ervoor dat het verhaal overmorgen in de krant komt,” beloofde Remco. “Morgenmiddag bel ik je nog even op om te vragen hoe het gesprek met die man van de oliemaatschappij is afgelopen.”

“Prima,” zei Richard. “Dan spreken we elkaar dan weer.”

 

Twee dagen later stond het artikel op de voorpagina van het Christelijk Dagblad. Richard had aan Remco verteld dat de man van de oliemaatschappij heel enthousiast was en het gelijk aan zijn hoogste bazen zou vertellen. Daarna zou hij weer contact met hem opnemen.

 

De dag nadat het artikel in de krant had gestaan, rinkelde meteen om half negen de telefoon op Remco’s bureau. Het was Richard.

“Remco?’ vroeg hij. “Zien jullie kans onmiddellijk naar Harderwijk te komen.?”

“Waarom?” vroeg Remco verbaasd.

“Vannacht is de loods die ik had gehuurd helemaal afgebrand.” Er klonk een snik door in Richards stem.

“Dat meen je niet!” schrok Remco. “We komen meteen!”

 

Een half uur later parkeerde Remco zijn Eend in de buurt van de plek waar de loods had gestaan. Het was er een drukte van belang. De politie had met rood-wit lint de omgeving afgezet, om te voorkomen dat nieuwsgierige ramptoeristen in de weg zouden lopen.

Richard stond hen al op te wachten.

“Hoe kan dit?” vroeg Remco hem, terwijl Marieke haar fototoestel voor de dag haalde.

Richard haalde zijn schouders op.

“Weet jij het?”

“Ik vind het wel heel toevallig, dat een dag nadat er een artikel in de krant heeft gestaan over je uitvinding, de boel afbrandt,” zei Remco.

“De politie denkt ook dat de loods in brand is gestoken,” knikte Richard. “Al zal het moeilijk worden dat te bewijzen. De boel is tot aan de grond toe afgebrand.”

“Dat verbaast me niets,” zei Marieke. “Met al die benzine en dat geheimzinnige poeder van jou brandde de loods waarschijnlijk als een fakkel. Hebben ze niets kunnen redden?”

Richard schudde zijn hoofd. Er stonden tranen in zijn ogen.

Marieke maakte vlug een paar foto’s, terwijl Richard zichzelf weer onder controle probeerde te krijgen.

“Kunnen we hier ergens in de buurt rustig zitten om er over te praten?” vroeg Remco aan Richard.

“Dat heeft niet zoveel zin,” zei Richard. “Daarmee krijg ik m’n loods, m’n motor, het poeder en m’n computer niet terug.”

“Ik wil je een paar vragen stellen,” legde Remco uit, “maar dat kunnen we beter niet doen waar andere mensen bij zijn. Je weet nooit wie er meeluisteren.”

“Vooruit dan maar,” zuchtte Richard. “We kunnen wel naar mijn huis gaan. Ik woon hier niet zover vandaan. Ik zal even aan de agenten vertellen, waar ze me kunnen vinden als ze me nodig hebben.”

Terwijl Richard naar de agenten slenterde, werd Remco op zijn schouders getikt.

“Hallo, grote broer!” zei een vrolijke stem.

Toen Remco opkeek zag hij tot zijn verbazing zijn jongere broertje Christiaan staan.

“Wat doe jij hier?” vroeg hij verbaasd.

“Christine en ik hoorden voor het nieuws, dat de loods van die uitvinder was afgebrand,” vertelde Christiaan. “En omdat we vandaag toch vrij waren en niets bijzonders te doen hadden, zijn we op onze fiets gesprongen en hierheen gereden.”

“Zoveel valt hier anders niet te zien,” mengde Marieke zich in het gesprek.

“O, maar we gingen er helemaal vanuit, dat jullie hier ook zouden zijn,” zei Christiaan. “We willen allebei graag weten, wat er nu eigenlijk precies aan de hand is.”

“Dat lees je morgen wel in de krant,” plaagde Remco. “Waar is Chistine nu?”

“Die wacht bij de fietsen tot ik jullie gevonden heb.”

“We stonden net op het punt met Richard mee te gaan naar zijn huis,” zei Remco. “Ik ben bang, dat we geen tijd hebben om een praatje met jullie te maken.”

“Mogen wij mee?” vroeg Christiaan. “Misschien kunnen we jullie helpen de brandstichter op te sporen.”

“Wie zegt dat we dat van plan zijn?”

“Ik ken je langer dan vandaag!” grijnsde Christiaan. “Ik weet zeker, dat je gaat proberen uit te vinden wie de dader is.”

“Dat was ik anders niet van plan,” zei Remco hoofdschuddend. “Laat de politie dat maar doen.”

“O,” zei Christiaan, “ik heb anders wel een plan waardoor je de daders te pakken kunt krijgen.”

“Dat meen je niet!” zei Marieke.

“Eigenlijk is het niet mijn plan, maar dat van Christine,” bekende Christiaan.

Op dat moment voegde Richard zich bij hen.

“Dit is mijn jongere broer Christiaan,” zei Remco. “Hij en zijn tweelingzus Christine schijnen een plan te hebben waardoor we er achter kunnen komen wie de brand gesticht heeft.”

Richard haalde zijn schouders op.

“Dat heeft niet zoveel zin,” zei hij. “Mijn motor en m’n andere spullen krijg ik daar niet mee terug.”

“Zullen we naar jouw huis gaan,” stelde Marieke voor. “Het is hier veel te druk om te praten.”

“Vooruit dan maar,” zuchtte Richard. “Dat kan er ook nog wel bij. Ik hoorde net, dat er geen resten van mijn computer zijn teruggevonden in de afgebrande loods.”

“Hoe kan dat?” vroeg Marieke verbaasd.

“Zullen we het daar thuis over hebben,” zuchtte Richard. “Ik wil hier zo snel mogelijk vandaan.”

“Dat kan ik me voorstellen,” knikte Remco.

 

Een kwartiertje later zaten ze met z’n vijven in de woonkamer van Richard. Hij woonde in een klein huisje, aan de rand van de oude binnenstad van Harderwijk.

“Ik had gehoopt, dat de harde schijf van de computer nog gered kon worden,” zei Richard. “Alle gegevens over mijn uitvinding staan erop.”

“Maar heb je dan geen back-up gemaakt?” vroeg Christiaan.

Richard schudde zijn hoofd.

“Dat lukte niet. Het was een oude computer en het diskettestation was kapot. Ik was van pan het te vervangen, maar omdat ik het zo druk had met mijn uitvinding ben ik er niet aan toe gekomen.”

“Ik denk, dat iemand jouw computer heeft gestolen en daarna de boel in brand heeft gestoken om zijn sporen uit te wissen,” zei Christine.

“Dat moet haast wel,” was Christiaan het roerend met zijn tweelingzus eens.

“Maar wie heeft er belang bij zo’n oude computer? Dat ding was allang aan vervanging toe, maar ik had geen geld om een betere te kopen.”

“Word wakker, man!” zei Remco. “Het gaat die dief niet om de computer, maar om je formule!”

“Misschien is iemand het er niet mee eens, dat jouw uitvinding op de markt komt,” bedacht Marieke.

“Maar iedereen heeft toch belang bij mijn uitvinding!” protesteerde Richard. “Remco heeft in het artikel van gisteren duidelijk gezegd, dat ik wil dat alle oliemaatschappijen er gebruik van mogen maken. De mensen klagen altijd, dat de benzine zo duur is en zo slecht voor het milieu. Nu komt er een uitvinding waardoor alles beter wordt en dan wordt hij gestolen. Is het niet om uit je vel te springen?”

“Is het, met behulp van de formule, makkelijk je uitvinding na te maken?” wilde Christiaan weten.

“Dat denk ik niet. Ze moeten trouwens eerst het wachtwoord nog zien te kraken, waarmee ik het document heb beveiligd.”

“Dat is voor iemand die een beetje verstand heeft van computers een koud kunstje,” zei Remco somber.

“Als je niet weet waar het over gaat, is het lastig om wijs te worden uit mijn aantekeningen,” wist Richard. “Je moet verstand hebben van scheikunde en de dingen ook nog eens op de juiste manier combineren.”

“Het duurt dus waarschijnlijk nog wel even voordat de dief jouw uitvinding na kan maken,” stelde Marieke vast.

“Als hij hem na wil maken,” zei Remco. “Het kan natuurlijk ook, dat hij kostte wat het kost, wil voorkomen dat die uitvinding op de markt komt. Al zou ik eerlijk gezegd niet weten wie daar belang bij kan hebben.”

“Christiaan, je zei, dat Christine een plan had om de dader te pakken te krijgen,” herinnerde Marieke zich opeens. “Hoe zit dat precies?”

“Remco moet morgen in de krant zetten, dat Richard thuis gelukkig nog een kopie heeft van de formule en dat hij die zo snel mogelijk gaat uitwerken om er octrooi op aan te vragen,” zei Christine.

“Maar ik heb helemaal geen kopie van de formule en zonder mijn aantekeningen lukt het me nooit alles opnieuw op papier te zetten. Natuurlijk weet ik nog wel ongeveer wat ik gedaan heb, maar het duurt minstens een paar weken voordat ik alles weer precies op een rijtje heb,” protesteerde Richard.

“Dat maakt niet uit!” zei Christiaan. “Je moet gewoon aan niemand anders vertellen, dat je helemaal geen aantekeningen hebt. Ik weet zeker dat de dief dan hierheen komt, om er voor te zorgen dat hij de kopie te pakken krijgt.”

“Of hij komt hier naar toe om ervoor te zorgen dat ik nooit meer een kopie kan maken!” huiverde Richard. “Als jullie verhaal klopt en het is de dief om de formule te doen loopt mijn leven gevaar.”

“Dat zou heel goed kunnen,” zei Remco ernstig.

“Het lijkt me dan beter, dat Remco in de krant zet, dat ik geen kopie heb,” bedacht Richard, “en dat ik ook niet meer precies weet hoe de formule precies is. Dan heeft die dief geen reden hierheen te komen.”

“Maar hij moet hier juist naar toe komen,” zeiden Christine en Christiaan precies tegelijk. “Anders kan hij ook niet in de val lopen.”

“Welke val?”

“Die wij, samen met de politie gaan opzetten,” zei Christiaan triomfantelijk.

De avond van de volgende dag was het rustig in de straat waar Richard woonde. Ook bij zijn huis was het stil. Richard had niet de moeite genomen de gordijnen te sluiten en zat in de achterkamer aan de tafel. Hij had een stapeltje papieren voor zich met allerlei ingewikkelde berekeningen en formules erop en deed net of hij ijverig zat te werken. De rest van het huis was donker.

Boven in zijn slaapkamer zaten Marieke en Remco op Richards bed. Remco wist de neiging om naar buiten te kijken, om te zien of er al iemand aankwam, maar met moeite te bedwingen.

“Ik hoop dat Christine’s plan werkt!” zei hij zacht.

“Het is helemaal niet zeker, dat de brandstichter vanavond of vannacht komt,” reageerde Marieke.

“Hoe langer hij wacht, hoe groter de kans dat Richard de uitvinding in veiligheid heeft gebracht.,” bracht Remco er tegenin.

“Het is helemaal niet zeker, dat de dader jouw artikel in het Christelijk Dagblad van vandaag heeft gelezen,” zei Marieke.

“Het nieuws is ook voor de radio geweest. Als het goed is weet de brandstichter intussen, dat Richard de formule van zijn uitvinding niet alleen op de computer op zijn werk, maar ook thuis bewaarde.”

“Ik hoop dat hij vannacht wel komt,” zei Marieke. “We kunnen moeilijk de komende dagen en nachten hier blijven.”

Op dat moment trilde Remco’s mobieltje in zijn broekzak. Het was Christiaan, die samen met Christine in de buurt wandelde. Ze deden net alsof ze een verliefd stelletje waren, maar hielden intussen de boel goed in de gaten.

“Er komt een grote Mercedes aan,” fluisterde Christiaan. “Er zitten twee mannen in en hij rijdt heel langzaam. Het lijkt alsof ze ergens naar op zoek zijn.”

“Misschien zijn het de brandstichters!” zei Remco opgewonden.

“Ik houd ze in de gaten,” zei Chritiaan. “Blijf hangen!”

Het bleef even stil, toen zei Christiaan: “Loos alarm. Ze rijden door.”

“Jammer,” zei Remco. “Volgende keer beter.”

De deur van de slaapkamer ging open en een politieman kwam binnen. Hij zat samen met een collega in een andere kamer op wacht. Beneden, in de keuken, zaten nog twee agenten.

“Nog nieuws?” vroeg de agent.

“Nog niet,” zei Remco. “Mijn broertje dacht, dat er een verdachte auto aankwam, maar die is doorgereden.”

“Hoe zag hij dat de auto verdacht was?” lachte de agent. “Die truc wil ik ook leren. Dat zou ons werk een stuk gemakkelijker maken.”

“Het was een Mercedes met twee mannen erin,” legde Remco uit. “Dat verwacht je niet zo gauw in deze buurt. Bovendien reed hij heel langzaam.”

“Het zou verdacht kunnen zijn,” gaf de agent toe. “Hoewel het met al dat eenrichtingsverkeer in deze buurt, soms lastig is de juiste weg te vinden.”

Opnieuw trilde Remco’s telefoon.

“De Mercedes is teruggekomen en stopt vlakbij het huis van Richard,” vertelde Christiaan.

“Zorg dat ze jullie niet in de gaten krijgen, want dan ruiken ze onraad en kunnen we het verder wel vergeten,” waarschuwde Remco.

“Christine en ik zijn het verliefste stelletje van de wereld,” lachte Christiaan. “Let op, ze lopen nu naar de voordeur.”

Op hetzelfde moment klonk de voordeurbel.

“Het gaat beginnen!” zei de agent. Zachtjes sloop hij naar de overloop, zodat hij kon horen wat er beneden in de gang werd gezegd.

Ze hoorden hoe Richard de voordeur opendeed en zei: “Goedenavond, wat kan ik voor u doen?”

“Mogen wij even binnen komen,” vroeg één van de twee mannen beleefd.

“Waarvoor?” deed Richard onnozel.

“Wij komen voor uw uitvinding. Wij hebben er belangstelling voor.”

“U komt wel op een ongebruikelijk tijdstip,” zei Richard, “maar kom toch maar even verder.”

Zodra de mannen in de gang stonden was het gedaan met hun vriendelijkheid.

“U geeft ons nu meteen keurig de formule en belooft ons die verder te vergeten,” snauwde één van hen.

“Ik zou niet weten waarom,” zei Richard. “Ik weet dat er heel veel mensen heel blij zijn als mijn product op de markt komt. Iedereen wordt er immers beter van.”

“Niet iedereen!” zei de man. “Wij bijvoorbeeld hebben er geen enkel belang bij, dat uw uitvinding op de markt komt. U kunt kiezen: of u geeft ons de formule, of we zoeken hem zelf op en steken daarna hier de boel in brand, net zoals we met uw loods gedaan hebben. Alleen zal er dan tussen de resten geen oude automotor maar een dode uitvinder worden gevonden. Is dat duidelijk?”

“Voor ons is het duidelijk genoeg,” klonk er opeens een stem vanuit de deuropening, achter de twee mannen. “Handen omhoog heren, u staat onder arrest.”

“Dat had je gedacht!” gromde één van de kerels. Voordat de politieman bij de deur er erg in had, stormde hij met gebogen hoofd op hem af. Hij gaf de agent een duw, zodat die bijna zijn evenwicht verloor en rende naar buiten.

Even later klonk een klap, gevolgd door een kreet.

Intussen waren de drie andere agenten hun collega te hulp geschoten, zodat de tweede man geen kant meer op kon.

“We hebben hem!” klonk Christiaans stem van buiten. “Kom ons gauw helpen, voordat hij ontsnapt!”

Tien minuten later werden de twee mannen geboeid afgevoerd naar het politiebureau.

 

Een paar dagen later belde Richard naar Remco.

“De mannen hebben bekend,” zei hij, “en mijn computer met daarop de formule is terecht!”

“Gefeliciteerd!” zei Remco. “Weet je ook waarom ze het gedaan hebben?”

“Ze werkten voor een wat kleinere oliemaatschappij, die zelf bezig was een product te ontwikkelen waardoor auto’s zuiniger gaan rijden. Ik was ze dus eigenlijk net een stap voor. Uiteraard waren zij niet van plan de uitvinding met andere oliemaatschappijen te delen.”

“En wat gaat er nu met jouw uitvinding gebeuren?” wilde Remco weten.

“Ik ga, samen met een paar mensen van verschillende oliemaatschappijen, er voor zorgen dat mijn uitvinding zo snel mogelijk op de markt komt!” zei Richard trots.

“Heb je al een naam bedacht?” was Remco’s volgende vraag.

“Nog niet” zei Richard. “Maar dat komt nog wel. We mogen in ieder geval blij zijn, dat het allemaal zo goed is afgelopen. Daarvoor wil ik jou, Marieke en de tweeling hartelijk bedanken.”

“Je hoeft ons niet te bedanken,” vond Remco. “Er is Iemand anders die ons heeft bewaard.”

“Hem heb ik ook al bedankt,” zei Richard, “en dat zal ik ook blijven doen. Tenslotte heeft Hij er ook voor gezorgd, dat ik die uitvinding kon doen, waardoor we weer beter met Zijn schepping kunnen omgaan.”

“Fijn dat we dat allebei weten!” zei Remco.


TERREUR IN EEN WOONWIJK

Het was stil op het redactiekantoor van het Christelijk Dagblad. Het was een koude winterdag en omdat de verwarming weer eens kuren had, waren de meeste medewerkers om vijf uur zo snel mogelijk vertrokken.

Remco Jongeneel zat achter z’n computer en zuchtte diep. Het lukte hem niet een goed slot te verzinnen voor het artikel waaraan hij zat te werken. Het ging over dierproeven en eigenlijk wist hij niet zo goed wat hij daarvan moest denken. Aan de ene kant was hij het met de mensen eens, die vonden dat je daarvoor geen dieren mocht gebruiken, aan de andere kant besefte hij ook dat je nieuwe medicijnen niet zomaar op mensen kon toepassen.

‘Laat ik er maar gewoon een draai aan geven!’ besloot hij uiteindelijk bij zichzelf. ‘Ik wil naar huis. Daar ga ik eerst een half uur onder de douche staan om weer warm te worden.’

Hij las het artikel nog een keer door, werkte het hier en daar wat bij, verzon een passende slotzin en zond het daarna door naar de computer van Erik Drent, de hoofdredacteur. Die moest het verder maar bekijken.

Terwijl hij zijn computer afsloot, kwam Marieke naar hem toe. Marieke was fotografe bij het Christelijk Dagblad. Samen hadden Remco en Marieke al de nodige avonturen beleefd.

“Hoi Remco,” zei ze. “Heb je het vanavond druk?”

“Je gaat me toch niet vragen of ik vanavond bij je op visite wil komen, hè?” lachte Remco.

“Dat zou je wel willen,” kaatste Marieke de bal terug. “Maar nu heb ik nog geen antwoord op m’n vraag.”

“Ik heb het heel druk!” zei Remco. “Ik heb straks eerst minstens een uur nodig om weer op temperatuur te komen. Daarna moet ik nog eten koken en de rest van de avond heb ik een afspraak met een heel boeiend boek uit de bibliotheek.”

“Je bent dus vrij,” constateerde Marieke. “Mooi zo!”

“Wat wil je van me?” vroeg Remco achterdochtig.

“Ik niets,” zei Marieke vlug, “maar mijn tante Agaath wel.”

“Maar ik ken je tante Agaath helemaal niet!” protesteerde Remco.

“Na vanavond wel,” zei Marieke zelfverzekerd. “We gaan vanavond samen naar haar toe.”

“Is dat zo?”

Marieke knikte heftig.

“Ze heeft me zojuist helemaal in paniek gebeld,” vertelde Marieke. “Ze heeft hulp nodig en ik heb haar beloofd dat wij zullen proberen haar te helpen. En vertel me nu niet, dat je geen zin hebt, met me mee te gaan, want dan doe ik je wat!”

“Nou moe!”

“Ik ben al ik weet niet hoe vaak met jou meegegaan,” vervolgde Marieke, “ook als ik daar helemaal geen zin in had. Nu is het jouw beurt!”

“Ay, ay, kapitein,” salueerde Remco. “Waar woont die tante van je?”

“In Harderwijk,” vertelde Marieke. “Dus je gaat mee?”

“Zo te horen heb ik geen keus,” lachte Remco. “Waarvoor heeft je tante onze hulp eigenlijk nodig? Toch niet om haar weggelopen poes op te zoeken?”

“Nee, natuurlijk niet! Precies weet ik het ook niet, maar het heeft iets te maken met de buurt waar ze woont.”

“Hoe laat heb je met haar afgesproken?”

“Om een uur of acht,” zei Marieke. “Fijn dat je meegaat! Mijn tante is een schat en jij ook!”

“Welja!” mompelde Remco, terwijl hij naar de garderobe liep waar zijn jas hing. “Marieke die mij een schat noemt! Dat ik dit nog mag meemaken!”

 

Precies om acht uur stuurde Remco zijn oude Eend de straat in waar Marieke’s tante Agaath woonde. Het was een al wat oudere wijk, niet zo heel ver van de oude binnenstad van Harderwijk vandaan. Hier en daar scheen er licht uit de ramen, maar de meeste huizen waren donker. Bijna overal waren de gordijnen gesloten.

Toen Marieke bij haar tante aanbelde, duurde het even voor er een reactie kwam.

“Wie is daar?” klonk het eerst door de brievenbus.

“Ik ben het, Marieke!” antwoordde Marieke, zo luid dat Remco verschrikt om zich heen keek. “Ik heb mijn collega Remco Jongeneel meegenomen!”

“Dat hoeft de hele buurt niet te weten!” protesteerde Remco.

“Tante Agaath is een beetje doof,” legde Marieke uit.

“Ik straks ook!” zei Remco.

Ze hoorden hoe er twee grendels weg werden geschoven, waarna de deur op een kier openging. Een oud vrouwtje keek argwanend om een hoekje. Pas toen ze er zeker van was, dat het inderdaad haar nichtje was, schoof ze de veiligheidsketting weg en opende ze de deur.

“Kom gauw binnen,” zei ze. “Het is koud buiten!”

‘Dan had u ons ook wel wat sneller binnen kunnen laten!’ dacht Remco. ‘U wist toch dat we zouden komen!’

Zijn humeur verbeterde een beetje toen hij zag dat er een thermoskan en drie kopjes op de tafel klaar stonden. Kennelijk had Marieke’s tante de koffie klaar.

“Waarvoor hebt u me eigenlijk gebeld?” vroeg Marieke, toen ze alledrie een kop koffie voor zich hadden.

“Dat zal ik je vertellen, lieve kind,” zei tante Agaath. “Ik voel me hier niet langer veilig in de buurt.”

‘Wat een toestand!’ dacht Remco ‘Laat ze ons helemaal uit Amersfoort komen om ons dat te vertellen! Net of wij daar wat aan kunnen doen!’

Blijkbaar dacht Marieke er net zo over, want ze zei: “Wat vervelend voor u! Ik wou dat wij u konden helpen, maar ik zou niet weten hoe!”

“Wat is er dan aan de hand?” vroeg Remco.

“Dat zal ik je vertellen, jongeman,” zei tante Agaath. “De laatste tijd gebeuren er allerlei vervelende dingen. Neem nu het huis van de familie De Jong, hier pal tegenover. Vorige week zijn ’s nachts, terwijl zij lagen te slapen, beneden de ramen ingegooid.”

“Is er ingebroken?” wilde Remco weten.

“Bij de Jong niet, maar wel bij de familie Van Aalderen op nummer 15. En bij de familie Da Costa zijn, een paar weken geleden, ’s nachts allemaal racistische leuzen op de ramen geschilderd. Ze kregen de rode verf er bijna niet af. Mevrouw Da Costa was er kapot van. Ze heeft als kind het concentratiekamp overleefd en nu dit!”

“De Da Costa’s zijn Joden,” begreep Marieke.

“Ja,” ging tante Agaath verder, “maar dat is nog niet alles. ’s Nachts doe ik geen oog dicht. Op de gekste tijden rijden ze met van die knetterende bromfietsen door de straat.”

“Het lijkt wel of ze proberen jullie hier weg te krijgen,” dacht Remco hardop. “Mag ik u wat vragen?”

“Natuurlijk!”

“Is dit huis van uzelf of is het een huurwoning?”

Tante Agaath glimlachte flauw.

“Waarvan had ik een eigen huis moeten betalen? Ik ben m’n hele leven lang dienstbode geweest.”

“Tante Agaath is nooit getrouwd,” legde Marieke uit.

“Staan er hier in de buurt veel huizen leeg?” was Remco’s volgende vraag.

“Wat denk je! Steeds meer mensen vertrekken, omdat ze bang zijn.”

“En er komen geen andere mensen in de leegstaande huizen,” stelde Remco vast.

“Niemand wil hier meer wonen!” zuchtte tante Agaath. “Vroeger was dit een nette buurt, maar nu verpaupert de hele boel!”

“Misschien moet u ook maar gaan verhuizen,” opperde Marieke.

Tante Agaath schoot overeind.

“Ik verhuizen? Ik pieker er niet over. Mijn ouders woonden hier vanaf hun trouwdag. Ik ben hier geboren en als het kan wil ik hier blijven tot m’n sterfdag.”

“Ik ben bang dat wij u niet kunnen helpen,” zei Remco voorzichtig. “Ik zou in ieder geval niet weten hoe!”

Op dat moment scheurde er buiten een brommer langs. Er klonk gerinkel van glas, gevolgd door een hevige knal.

“Wat was dat?” vroeg Marieke geschrokken.

Remco was al bij de voordeur. Het duurde even, voordat hij die kon openen. Tante Agaath had hem, nadat ze haar bezoek had binnengelaten, weer zorgvuldig op de knip gedaan. Op het moment dat Remco de deur open had, sloegen de vlammen al uit een huis, schuin tegenover dat van tante Agaath.

“Er is een molotovcocktail naar binnen gegooid,” riep hij naar Marieke, die bij haar tante in de kamer was gebleven. “Bel 112! Er moet een brandweer komen, anders brandt de hele boel af!”

Remco rende naar buiten om te zien of hij misschien zelf de brand kon blussen. Het viel hem op, dat er bijna niemand anders naar buiten kwam. Overal werden gordijnen opzij geschoven en zag je nieuwsgierige gezichten.

‘Ze durven niet naar buiten te komen!’ drong het tot hem door. Blijkbaar zat de angst er bij de buurtbewoners goed in.

Al snel had Remco door, dat hij weinig kon doen. Tot zijn opluchting zag hij dat het huis leeg was. Wel hadden de vorige bewoners hadden hun vitrage laten hangen, die bijna meteen vlam vatte. Het was voor Remco daardoor te gevaarlijk om te proberen de brand te blussen. Hij had er trouwens ook geen idee van waar hij water vandaan kon halen om het vuur te lijf te gaan. Hij kon het moeilijk emmertje voor emmertje bij tante Agaath uit de keuken halen.

Tot Remco’s opluchting hoorde hij in de verte het gehuil van een sirene. De politie of de brandweer was kennelijk onderweg.

Remco had er geen idee van, wat voor vloeistof de brandstichter gebruikt had, maar in ieder geval brandde het spul ontzettend goed. Tegen de tijd dat de brandweer arriveerde, waren er ook achter de ramen op de eerste verdieping vlammen te zien.

‘Deze oude huizen hebben waarschijnlijk een houten vloer en plafond,’ realiseerde hij zich. ‘Bij een nieuwbouwwoning duurt het vast veel langer voordat de boel zó brandt!’

De eerste brandweerwagen stoof de straat in en stopte pal voor de deur van het brandende huis. Remco deed een paar stappen terug, zodat hij de spuitgasten niet in de weg liep. Haastig begonnen de brandweerlieden een paar slangen uit te rollen en drie minuten nadat ze er waren, werden de eerste waterstralen op de brandhaard gericht. Ook de politie was op dat moment al present. Een paar agenten waren druk in de weer met roodwit lint, om de straat af te zetten. Eén van hen liep op Remco af.

“Is die oude Eend van u?” vroeg hij nors.

Remco knikte.

“Wilt u hem verplaatsen?!” Het klonk meer als een bevel dan een vraag. “Hij staat in de weg!”

Remco knikte en liep terug naar het huis van tante Agaath om de sleutels uit zijn jaszak te halen. Toen hij aanbelde deed Marieke open. Ze had haar jas aan.

“Ik wil een paar foto’s maken,” legde ze uit. “Misschien kan ik ze aan de één of andere plaatselijke krant verkopen.”

“We kunnen er ook een stuk over schrijven in het Christelijk Dagblad,” bedacht Remco.

“Ik denk niet, dat het nieuws interessant genoeg is voor een landelijke krant,” zei Marieke. “De mensen in Groningen en Zeeland zijn vast niet geïnteresseerd in een brand in Harderwijk.”

“Misschien wel als er een pyromaan actief is,” was Remco het niet met haar eens. “Het is zo klaar als een klontje dat de brand is aangestoken. Ik vraag me alleen af waarom.”

 

Nadat Remco zijn Eend een eindje verderop had geparkeerd, werden Remco en Marieke staande gehouden door een andere agent. Hij wilde weten waarom ze in de buurt van de brand rondliepen.

“Hebben jullie iets gezien?” vroeg de agent, nadat het tweetal hun naam had genoemd en verteld had dat ze bij Marieke’s tante op bezoek waren.

“We hebben niets gezien, alleen wat gehoord,” zei Marieke. “Ik denk, dat de brand gesticht is door iemand op een brommer.”

“Waarom denkt u dat?’

“Omdat we eerst het geknetter van een brommer hoorden en meteen daarna glasgerinkel en een knal.”

“Ik ben zo snel mogelijk naar buiten gegaan,” vulde Remco Marieke aan, “maar eer ik de voordeur open had was de straat leeg en zag ik het huis in lichterlaaie staan.”

“Jullie weten dus niet zeker, of die brommer iets met de brand te maken heeft,” zei de agent bedachtzaam. “Het kan natuurlijk ook, dat hij toevallig langsreed op het moment dat de ontploffing plaatsvond. Er kan bijvoorbeeld een gasleiding gesprongen zijn.”

“In zoveel toeval geloof ik niet,” zei Marieke. “Daarvoor zijn er hier de laatste tijd al te veel vreemde dingen gebeurd.”

“Hoe weet u dat?’ vroeg de agent achterdochtig.

“Van m’n tante. Ze heeft me vandaag speciaal gebeld, om me te vragen of ik een oplossing weet voor de problemen hier in de buurt.”

“En hebt u die? Als dat zo is, willen wij die ook graag horen. We krijgen de laatste tijd ook regelmatig klachten over overlast in deze buurt, en we surveilleren hier al extra. Meer kunnen wij niet doen. Het vervelende is, dat er nooit iets bijzonders gebeurt als wij in de buurt zijn.”

“Wie kan er belang bij hebben de buurtbewoners weg te pesten?” vroeg Remco zich hardop af.

“Geen idee,” zei de agent. “De bouwvereniging is er in ieder geval niet blij mee. De buurt krijgt door al die toestanden een slechte naam, waardoor het steeds moeilijker wordt nieuwe huurders te vinden.”

“Toch is het, afgezien van de vervelende dingen van de laatste tijd, een prima buurt om te wonen. Je zit hier niet ver van het centrum en ook vlakbij de boulevard. Als ik hier zou wonen, ging ik daar ’s avonds vast regelmatig naar toe om een luchtje te scheppen. Dat deed tante Agaath ook altijd, toen ze nog wat jonger was. Nu durft ze dat niet meer.”

De agent knikte en borg zijn opschrijfboekje weg.

“Als u nog wat te binnen schiet, hoor ik dat graag van u,” zei hij. “Een prettige avond verder.”

 

Weer binnen praatten ze nog een tijdje met tante Agaath, die behoorlijk van streek was. Omdat hij toch iets wilde doen, beloofde Remco haar dat hij de volgende dag contact op zou nemen met de bouwvereniging.

“Dat helpt toch niets,” zei tante Agaath somber. “Meneer van Zwieten heeft ons beloofd er alles aan te doen en je ziet het resultaat. Deze keer gooien ze een brandbom bij een leeg huis naar binnen, de volgende keer doen ze het bij mij. Er zal waarschijnlijk niets anders opzitten dan een ander huis te zoeken in een buurt met minder overlast. Ik vind het vreselijk en ben blij, dat mijn vader en moeder dit niet meer hoeven mee te maken. Dit was vroeger zo’n keurige buurt en nu…”

Het huilen stond de oude dame nader dan het lachen.

Een uurtje later vertrokken Remco en Marieke weer. Ze vonden het best vervelend tante Agaath alleen te laten, vooral omdat ze haar eigenlijk niet konden helpen.

“Ik hoop, dat de politie er gauw achter komt, wie hier de boel onveilig maken,” zei Marieke bij het afscheid. “Als er iets is, mag u me altijd bellen. U hebt mijn telefoonnummer.”

Weer buiten zagen ze, dat de rust weer een beetje was teruggekeerd in de straat. De brand was geblust en er stonden alleen nog een busje van de brandweer en een politiewagen voor de geblakerde woning. Dankzij het feit dat ze zo snel ter plaatse waren, hadden de brandweerlieden weten te voorkomen dat het huis tot aan de grond toe was afgebrand. Een paar mannen waren bezig stevige houten schotten voor de ramen te zetten. Niet alleen de ingegooide ruit was gesneuveld, ook de andere ramen waren door de hitte gesprongen.

“Ik vind het maar niets, dat we m’n tante aan haar lot moeten overlaten,” zuchtte Marieke.

Remco antwoordde niet. Opeens sloeg hij een arm om Marieke heen en trok haar dicht tegen zich aan.

“Ben je nu helemaal…” protesteerde Marieke woedend.

“St..,” siste Remco. “Niet meteen kijken, maar daar, achter die struik, staat iemand.”

Marieke speelde het spelletje onmiddellijk mee. Ze legde haar hoofd op Remco’s schouder en fluisterde: “Zou dat de pyromaan zijn?”

Remco antwoordde niet. Langzaam wandelden ze in de richting van de duistere figuur. Die probeerde zich tussen de struiken zo klein mogelijk te maken.

“We doen net of we hem niet zien,” fluisterde Remco nauwelijks hoorbaar. “Ik denk, dat zijn brommer hier vlakbij staat. Als we zijn nummer kunnen noteren, is het voor de politie een koud kunstje te achterhalen wie het is.”

Op hun dooie gemak wandelden ze langs de tuin waar de onbekende zich had verborgen. Om er voor te zorgen dat de ander geen argwaan kreeg, zei Remco: “Ik vind, dat we onze neefjes en nichtjes ook best voor onze bruiloft kunnen uitnodigen. Tenslotte trouwen we maar één keer.”

“Sinds wanneer heb jij geld teveel?” speelde Marieke het spelletje mee. “Ik ben al vijftien keer tante!”

“Hoe meer zielen, hoe meer vreugd!” lachte Remco. “We maken er gewoon een daverend feest van.”

“En de maanden na de bruiloft eten we droog brood, omdat we de rekeningen niet kunnen betalen!”

“Als er veel mensen komen, krijgen we ook veel enveloppen met inhoud,” zei Remco luchtig. Vanuit zijn ooghoeken zag hij hoe de donkere gestalte zich zo klein mogelijk maakte tussen een rijtje coniferen. Het was zo klaar als een klontje dat hij niet ontdekt wilde worden. Ze waren intussen bij Remco’s auto aangekomen, maar het tweetal liep gewoon door. Bij de eerste de beste zijstraat sloegen ze af. Marieke wilde Remco’s arm van zich af schudden, maar Remco hield haar stevig vast.

“Waarschijnlijk komt de kerel zo meteen achter ons aan, om te kijken waar we naar toe gaan,” zei hij. “Hij moet geen argwaan krijgen.”

“Misschien is het wel een meisje of een vrouw,” zei Marieke. “Ik geloof nooit, dat hij of zij ons achterna komt, maar ik zal je voor deze keer je zin geven. Waarom sloeg je eigenlijk af?”

“Ik weet zeker, dat de brandstichter zijn brommer hier in de buurt heeft neergezet,” zei Remco. “Het is voor hem te link om zich op dat ding in de buurt van het brandende huis te vertonen.”

“Als ik hem was, was ik er nadat ik het huis in de fik had gestoken, als een haas vandoor gegaan,” zei Marieke.

“Ik niet,” was Remco het niet met haar eens. “Wat heb je er aan, brand te stichten, zonder dat je daarna naar het resultaat kunt kijken? De politie maakt niet voor niets altijd foto’s van de omstanders bij een brand. Het gebeurt regelmatig dat ze daardoor een pyromaan op het spoor komen.”

“Ik vraag me af, of we wel met een echte pyromaan te doen hebben,” zei Marieke. “Het lijkt er meer op, dat iemand probeert zoveel mogelijk huizen in deze buurt leeg te krijgen. De vraag is alleen, wie daar belang bij kan hebben.”

Remco gaf geen antwoord. Ze liepen net langs een gangetje tussen twee huizen en vlak bij de muur van het linkerhuis zag hij iets blinken.

“Wacht even,” fluisterde hij. Remco keek achterom om te zien of ze gevolgd werden. Hij zag niemand.

“Daar staat iets,” wees hij. “Ik ga even kijken.”

Samen liepen ze de brandgang in. Tegen de muur stond een scooter. In het donker konden Remco en Marieke niet goed zien of hij oud of nieuw was. Voorzichtig voelde Remco aan het motorblok. Het was nog een beetje warm.

“Dit is vast de scooter van de brandstichter,” zei hij opgewonden.

“Dat zou heel goed kunnen,” gaf Marieke toe. “Wat doen we nu?”

“Het nummer noteren en dan maken dat we wegkomen,” antwoordde Remco.

“Je wilt dus niet proberen die jongen te pakken te krijgen?”

“Ik pieker er niet over. Ik voel er niets voor een mes tussen m’n ribben te krijgen.”

“Of een kogel tussen je ogen!” huiverde Marieke.

Remco was intussen naar de achterkant van de scooter gelopen.

“Er zit een lap over de nummerplaat!” zei hij opgewonden. “De eigenaar heeft in ieder geval wat te verbergen.”

Snel haalde Remco de lap weg. Met behulp van het lampje in zijn mobieltje, lukte het hem de letters en cijfers op de nummerplaat te ontcijferen. Haastig zette hij ze op een kladpapiertje.

Remco kwam net overeind toen hij een gerucht hoorde. De ingang van de brandgang werd versperd door een in het zwart geklede figuur. Op zijn hoofd had hij een helm met een donker vizier.

“Wat doen jullie daar bij mijn scooter,” zei hij met verdraaide stem.

Hoewel ze vreselijk schrok, had Marieke haar antwoord al klaar.

“We waren op weg naar de achterdeur van ons huis, toen we tegen dat stomme ding aanliepen. Normaal staat hier nooit iets en kunnen we zonder last te hebben van obstakels ons huis bereiken. Wat doe jij hier eigenlijk in de buurt en waarom staat die scooter hier?”

“Dat gaat je niets aan. Blijf van m’n scooter af, of ik doe je wat!”

Geschrokken deinsden Remco en Marieke terug, toen de eigenaar van de scooter op hen af kwam.

“Kom lieverd,” zei Remco. “Laten we maar naar binnen gaan.”

Op goed geluk probeerde hij een schuttingdeur aan zijn linkerhand. Krakend zwaaide die naar binnen open en op datzelfde moment ging er in de tuin er achter een lamp branden.

De man in het zwart slaakte een verwensing. In een paar grote stappen was hij bij zijn scooter. Tot opluchting van Remco en Marieke sprong hij erop. Hij zag het dus kennelijk niet zitten hen te lijf te gaan. De motor van de scooter sloeg aan en zonder zijn licht aan te doen stoof de man weg.  Het geknetter van de motor klonk Remco en Marieke als muziek in de oren.

‘Wij kunnen beter ook maar gaan,” zei Remco, die hoorde dat de achterdeur van het huis achter de schutting open ging. “Straks denken ze nog dat wij iets met de brand te maken hebben.”

Marieke was het helemaal met hem eens. Samen zetten ze het op een lopen totdat ze bij de oude Eend waren.

“Zullen we gelijk naar het politiebureau gaan?” stelde Remco voor.

Marieke keek op haar horloge.

“Misschien kunnen we beter naar huis gaan en tot morgen wachten.”

“Dat denk ik niet,” bedacht Remco. “Als die kerel door krijgt, dat de lap van zijn nummerplaat is verdwenen, voelt hij vast nattigheid.”

“En wat dan nog?”

“Dan laat hij zijn scooter verdwijnen en gaat hij naar de politie om aangifte te doen van diefstal. Dat zou ik tenminste doen als ik in zijn schoenen stond.”

“Zou hij werkelijk zo brutaal zijn?” vroeg Marieke zich hardop af.

“Bij zulke figuren weet je het nooit.”

“Vooruit dan maar,” zei Marieke. “Op naar het politiebureau!”

 

Het duurde even voordat Remco en Marieke het politiebureau hadden gevonden. De wachtcommandant keek raar op van het tijdschrift waarin hij zat te lezen, toen het tweetal binnenkwam.

“Waarmee kan ik jullie helpen?” vroeg hij.

“Het gaat over die brand van vanavond,” zei Marieke.

“Misschien kunnen we u helpen de dader op te sporen,” voegde Remco er aan toe. Hij viste het papiertje uit de zak waarop hij het nummer van de kentekenplaat van de scooter had geschreven.

De politieman was meteen klaarwakker.

“Wat weet u precies?” vroeg hij.

Remco en Marieke begonnen te vertellen. Toen Remco over de vondst van de scooter begon, floot de agent tussen zijn tanden.

“Wacht even,” zei hij, nadat Remco het nummer genoemd had. Hij startte een bepaald programma in zijn computer op en tikte de cijfers en letters in.

“Jochem van Zwieten,” mompelde hij zachtjes, maar Remco hoorde het toch.

“Van Zwieten?” riep hij verrast. “Die naam heb ik vanavond eerder gehoord.”

“Zo heet de contactpersoon van tante Agaath bij de bouwvereniging!” voegde Marieke er aan toe.

De wachtcommandant, die wel door had dat hij door de naam van de eigenaar van de scooter te noemen, zijn boekje te buiten was gegaan, ging er verder niet op in.

“We gaan de zaak tot op de bodem uitzoeken,” beloofde hij.

“Mogen wij morgen contact met u opnemen over het verdere verloop van het onderzoek?” vroeg Remco.

“Vooruit dan maar!” zei de politieman.

 

De volgende morgen om een uur of elf belde Remco naar het politiebureau in Harderwijk. Hun vermoeden bleek te kloppen. Jochem van Zwieten had in opdracht van zijn vader een molotovcocktail in het leegstaande huis naar binnen gegooid. Ze hadden zowel de vader als de zoon opgepakt en beiden hadden vrijwel meteen bekend. Een grote projectontwikkelaar had meneer Van Zwieten veel geld geboden, als hij ervoor zou zorgen dat de bouwvereniging de huizen in de buurt van tante Agaath wilde verkopen. Ze wilden er een paar luxe appartementcomplexen bouwen, waar ze heel veel geld mee konden verdienen. De bouwvereniging voelde niet veel voor het plan en had geen zin een wijk met tevreden huurders van de hand te doen. Daarom had Van Zwieten zijn zoon gevraagd, of hij in ruil voor een mooie scooter, de buurt onveilig wilde maken. Het plan leek te lukken en steeds meer mensen wilden verhuizen.

Tante Agaath had niet veel later alarm moeten slaan, want het had niet veel gescheeld of de bouwvereniging was met de projectontwikkelaar in zee gegaan. Dan had Marieke’s tante haar huis moeten verlaten en was de hele buurt met de grond gelijk gemaakt. Nu de waarheid boven tafel was gekomen, gingen deze plannen gelukkig niet door.

 

Nadat ze het goede nieuws had gehoord, belde Marieke meteen haar tante. Die begon te huilen toen ze hoorde, dat de problemen voorbij waren.

“God heeft mijn gebeden verhoord!” zei ze ernstig. “Ik zag er vreselijk tegenop te moeten verhuizen en nu hoeft dat niet. Hartelijk bedankt!”

“U kunt beter de Heere bedanken,” zei Marieke. “Hij heeft er voor gezorgd, dat wij die jongen en z’n scooter ontdekten.”

“Natuurlijk ga ik Hem bedanken!” had tante Agaath het laatste woord. “Dat heb ik m’n hele leven gedaan en dat zal ik altijd blijven doen!”



BEDREIGING IN VEERE

 

“Eindelijk eens een opdracht naar m’n hart!”

Tevreden nestelde Marieke Wielinga zich nog beter op de voorbank van de oude Eend van haar collega Remco Jongeneel.

“Hoe bedoel je dat?” vroeg Remco, terwijl hij het gaspedaal van z’n oude wagentje zo diep mogelijk induwde.

“Nou, het lijkt wel of we zelf vakantie hebben,” lachte Marieke. Ze stak de vingers van haar linkerhand in de lucht en somde op: “Maandag naar Terschelling, dinsdag naar Sneek, woensdag naar Dwingeloo, vandaag naar Zeeland en morgen naar Valkenburg in Limburg. Wat wil een mens nog meer?”

“Wat zou je denken van wat actie?”

Hoewel ze wist dat Remco haar zat te plagen, hapte Marieke onmiddellijk.

“Jij altijd met je actie! Als je zo van actie houdt, snap ik niet dat je in zo’n oude, trage Eend rijdt!” Ze wees naar een Mercedes, die met veel te grote snelheid langs zoefde.

“Omdat ik geen duurdere auto kan betalen,” zei Remco nuchter.

“Jij vindt onze opdracht toch ook leuk?” vroeg Marieke.

“Natuurlijk wel,” gaf Remco toe. “Er is niets mis met het toeren door Nederland op kosten van de krant.”

“Ik vind het een goed idee van Erik Drent, een katern te maken over een aantal mooie plekjes in Nederland,” vond Marieke. “Een heleboel mensen gaan ieder jaar naar het buitenland, terwijl ze niet eens weten hoe mooi hun eigen land is.”

“Dat komt ook door het weer,” wist Remco. “Heel veel mensen kiezen het zekere voor het onzekere en gaan daarom met vakantie naar Zuid-Frankrijk of andere zonnige oorden.”

“In Zeeland is het vaak veel mooier weer dan in de rest van Nederland,” vertelde Marieke. “Kennissen van mij gaan ieder jaar naar Zeeland en ze hebben bijna altijd mooi weer.”

“Dat zal ik in ieder geval in m’n artikel vermelden,” beloofde Remco.

“Ben je er al uit naar welke plaats we precies gaan?” vroeg Marieke.

“Wat vind je van Veere? Ik ben er als kind al eens met vakantie geweest en het lijkt me leuk om daar nog eens een kijkje te nemen.”

“Ik vind het best,” zei Marieke. Ze rommelde wat in het vak voor haar en vond en oude wegenkaart van Nederland. “Weet je hoe je moet rijden?”

“Voorlopig hoeven we alleen de A58 maar te volgen,” wist Remco. “Als ik het goed heb, moeten we dan ergens vlak voor Middelburg rechtsaf, maar ik neem aan dat dat wel op de borden staat.”

 

Het liep al tegen de middag toen ze uiteindelijk Veere bereikten. Hoewel het seizoen nog lang niet was begonnen, was het druk in de Zeeuwse havenplaats.

“Laten we eerst maar ergens koffie gaan drinken,” stelde Remco voor. “Ik ben uitgedroogd na de lange reis vanuit Amersfoort.”

“Prima,” lachte Marieke. Ze pakte haar fototoestel van de achterbank van de auto. “Zullen we een restaurant zoeken met uitzicht op de haven?”

Toen ze uit de auto stapten zei Remco verwonderd: “Volgens mij is het hier veel warmer dan in Amersfoort.”

“Je weet niet hoe het daar nu is,” zei Marieke. “Laat jij je jas in de auto?”

Remco knikte.

“Volgens mij is het warm genoeg om zonder jas op een terras te gaan zitten.Wacht, ik verstop nog even m’n laptop, want ik voel er niets voor dat m’n auto wordt opengebroken en m’n computer wordt gestolen.”

Tien minuten later zaten ze op een terras achter een kop koffie met een warme Zeeuwse bolus. Nieuwsgierig keken Marieke en Remco om zich heen. In de haven lagen zeil- en motorboten in allerlei soorten en maten.

“Moet je dat schip zien!” Remco wees Marieke op een kolossaal jacht, dat aan de rand van de vaargeul voor anker lag.

“Zo’n schip is minstens net zo duur als een eengezinswoning,” wist Marieke. “Ik vraag me af wie zo’n jacht kan betalen.”

“Waarschijnlijk mensen met een eigen bedrijf of zo,” veronderstelde Remco. “Of gepensioneerden die hun zaak hebben verkocht en het er nu lekker van nemen.”

Marieke haalde haar fototoestel voor de dag. Omdat ze als fotografe voor het Christelijk Dagblad werkte, had ze een prachtig digitaal toestel, compleet met telelens.

“Zal ik een paar foto’s van het jacht maken?” stelde ze voor.

“Dat kun je doen,” zei Remco, “al denk ik niet, dat veel lezers van onze krant zich zo’n jacht kunnen permitteren.”

“Wat maakt dat nou uit. Heel veel mannen kopen ook tijdschriften over luxe auto’s, terwijl ze weten dat ze er zelf nooit in zullen rijden.”

Zonder zich iets van Remco aan te trekken begon Marieke foto’s te maken. Op het dek van het jacht liepen en paar mannen. Bijna allemaal droegen ze een smetteloos wit kostuum. Eén man viel daarbij uit de toon. Het was een dikke kerel in een slecht zittend, donker pak. Hij gebaarde heftig naar de man die tegenover hem stond. Het leek wel of ze ruzie hadden.

Even overwoog Marieke er iets over te zeggen tegen Remco maar ze bedacht zich. Remco was altijd vreselijk nieuwsgierig en in staat om op onderzoek te gaan. Zolang hij niets in de gaten had, begon zij er ook niet over. Ze hadden al vaak genoeg tot hun nek toe in de narigheid gezeten!

Marieke maakte niet alleen foto’s van het luxe jacht, maar ook van andere boten in de jachthaven. Toen ze hun koffie op hadden stond Remco op.

“Zullen we ook nog in de rest van het stadje rondkijken?” stelde hij voor.

“Natuurlijk!” zei Marieke. “We zijn hier niet alleen heen gereden om ons te vergapen aan een paar boten. Dan hadden we net zo goed naar Spakenburg of zo kunnen gaan.”

Meer dan een uur bleven Remco en Marieke in Veere. Ze bekeken de oude gevels en gebouwen, zoals de Campveerse Toren, een oud vestingwerk waarin al eeuwen een restaurant was gevestigd.

Om een uur of drie hadden ze alles wel zo’n beetje bekeken.

“Zullen we naar Domburg rijden?” stelde Marieke voor. “Als we in Zeeland zijn moeten we toch op z’n minst de zee hebben gezien.”

“Mij best,” zei Remco. Samen wandelden ze op hun gemak naar het achteraf straatje, waar Remco de Eend geparkeerd had. Ze stonden op het punt in te stappen, toen vanuit een zijstraat een in het wit geklede man naar hen toe kwam. Hij liep regelrecht op Marieke af.

“Hier dat fototoestel!” snauwde hij.

“Ik pieker er niet over!” zei Marieke kwaad. “Waar slaat dit op!”

Er kwam een vreemd licht in de ogen van haar belager.

“Doe wat ik zeg,” gebood hij. “Want anders…”

Hij stak zijn hand in de zak van z’n colbert en toverde een klein vuurwapen te voorschijn.

Terwijl hij het pistool op Marieke richtte, siste hij: “Ik zal niet aarzelen dit wapen te gebruiken, dus…”

Gebiedend stak hij zijn linkerhand uit.

Marieke keek naar Remco, in de hoop van zijn kant hulp te krijgen.

“Doe het nu maar,” raadde hij haar aan. “Als die vent gaat schieten, zijn we nog veel verder van huis.”

Hoewel ze behoorlijk de smoor in had, zag Marieke in dat Remco gelijk had. Zwijgend gaf ze haar fototoestel aan haar belager.

Remco en Marieke verwachtten allebei min of meer, dat de man er meteen vandoor zou gaan, maar dat bleek niet het geval te zijn. Hij stak zijn wapen in de zaak en bestudeerde op zijn gemak Marieke’s camera. Al gauw had hij gevonden wat hij zocht. Aan de zijkant van het toestel zat een klepje, waarachter de kaart zat, waarop de digitale foto’s werden opgeslagen. Hij opende het klepje en haalde de kaart eruit. Daarna sloot hij het toestel zorgvuldig en gaf hij het terug aan Marieke.

“Zie je wel, dat het helemaal niet moeilijk is,” glimlachte hij. “Een prettige dag verder.”

Voordat Remco en Marieke van hun verbazing waren bekomen, was de man tussen de huizen verdwenen.

Remco was de eerste die wat zei.

“Waar slaat dit allemaal op?” vroeg hij zich hardop af.

“Dat lijkt me wel duidelijk,” antwoordde Marieke. “We moeten maken, dat we wegkomen.”

“Waarom? Denk je dat hij spijt krijgt, dat hij alleen het kaartje heeft meegenomen en niet het hele toestel?”

“Schiet nou maar op!” zei Marieke. “Tegen de tijd dat die vent dat kaartje heeft bekeken, wil ik hier zo ver mogelijk vandaan zijn!”

“Ik snap er nog steeds niets van,” bekende Remco.

Marieke ging er verder niet op in maar stapte in de Eend. Remco wist niets beters te doen dan haar voorbeeld te volgen. Hij startte de motor en manoeuvreerde het oude wagentje de straat uit.

“Wil je nog steeds naar Domburg?” vroeg hij aan Marieke. Die haalde haar schouders op.

“We moeten in ieder geval niet teruggaan in de richting Breda,” zei ze.

“Wil je me nu eindelijk eens uitleggen, wat je precies bedoelt?” Remco, die zich zat op te winden, begon steeds harder te praten.

“Rustig maar,” suste Marieke. “Waar denk je dat die vent vandaan kwam?”

“Hoe moet ik dat nou weten?”

“Herinner jij je dat luxe jacht nog?” hielp Marieke hem op weg.

“Dat schip dat jij zo nodig moest fotograferen? Natuurlijk herinner ik me dat!”

“Bijna alle bemanningsleden van dat jacht droegen een wit kostuum,” vertelde Marieke.

“Dat is me helemaal niet opgevallen,” zei Remco.

“Dat kan kloppen,” knikte Marieke. “Daarvoor lag het schip eigenlijk te ver van de kade. Ik zag het, toen ik door de telelens van mijn fototoestel keek.”

Het begon Remco te dagen.

“Jij denkt, dat die man die ons beroofd heeft van dat schip kwam?”

“Dat weet ik wel bijna zeker,” zei Marieke.

Remco schudde zijn hoofd.

“Waarom zou iemand die waarschijnlijk werkt op het jacht van zo’n rijke stinkerd een kaartje uit jouw fototoestel willen hebben?”

“Omdat ik misschien een foto heb gemaakt van iets, dat ik helemaal niet had mogen zien!”

“Zoals?”

“Weet ik veel? Alle mensen op dat schip droegen een wit kostuum, op één man na. Hij droeg een zwart pak. Ik denk, dat hij niet bij de bemanning van het schip hoorde, want hij maakte ruzie met een andere man.”

“Als die vent in dat witte pak ons niet had bedreigd, had je waarschijnlijk nooit meer aan die ruzie gedacht,” veronderstelde Remco.

“Dat denk ik ook niet,” beaamde Marieke.

“Door zijn actie heeft hij me juist nieuwsgierig gemaakt,” zei Remco. “Ik zou nu dolgraag willen weten, wie die twee mannen op de foto zijn. Jammer dat we daar nu nooit achter kunnen komen.”

“Dat kunnen we wel,” zei Marieke, “en dat is meteen ook de reden dat we moeten maken dat we hier weg komen. Omdat m’n kaart vol was, heb ik een ander exemplaar in m’n toestel gestopt, vlak voordat we terugliepen naar de auto. Het kaartje wat de man heeft afgepakt is helemaal leeg.”

“Dan moeten we inderdaad niet terugrijden in de richting Breda,” schrok Remco. “Die kerel zal woedend zijn, als hij ontdekt dat hij het verkeerde kaartje te pakken heeft.”

“Het zit er dik in, dat hij ons dan achterna komt,” zei Marieke. “En ik ga er vanuit, dat zijn auto heel wat sneller zal zijn dan jouw oude Eend.”

Ze hadden intussen de rand van het stadje bereikt. Remco ging niet linksaf, richting Middelburg, maar rechtdoor. Al rijdend probeerde hij zich de kaart van Zeeland voor de geest te halen. Het lukte maar half. Voor zijn werk kwam hij maar zelden in deze provincie en hij was er na zijn kindertijd nooit meer op vakantie geweest.

Blijkbaar raadde Marieke zijn gedachten, want ze bukte zich en haalde voor de tweede keer die dag de kaart te voorschijn.

‘We kunnen op verschillende manieren terugrijden naar Amersfoort,” zei ze, nadat ze de kaart een tijdje bestudeerd had. “We kunnen met een boog over Noord-Beveland naar Goes rijden en dan daar de A58 weer pakken, maar we kunnen ook via de Oosterscheldedam naar Rotterdam rijden.”

Remco dacht even na.

“Laten we eerst een rustig plekje zoeken,” stelde hij voor. “Dan kunnen we kijken wat er op die foto’s staat. Het lijkt me trouwens sowieso beter, dat we ons een tijdje verstoppen, want het kan natuurlijk ook, dat er meer dan één auto achter ons aan wordt gestuurd.”

Marieke verbleekte. Aan die mogelijkheid had ze helemaal nog niet gedacht. Haastig begon ze de kaart te bestuderen.

“Dan moeten we dus maken dat we van deze weg afkomen! Als deze kaart klopt, kunnen we zo ergens rechtsaf.”

“Prima!”

Bij de eerstvolgende gelegenheid sloeg Remco rechtsaf. Het was een klein weggetje, dat door het land kronkelde. Marieke zat de helft van de tijd achterstevoren om te zien of ze ook gevolgd werden. Gelukkig bleek dat niet het geval te zijn. Na ongeveer een kwartier reed Remco de Eend een zandpad op, in de richting van een bosje. Pas toen hij er zeker van was, dat ze van de weg af niet konden worden gezien, stopte hij.

“Zo,” zei hij, terwijl hij de motor afzette. “Nu wil ik eerst wel eens zien wat er op die foto’s staat.”

“Anders ik wel!” zei Marieke. Ze haalde het kaartje voor de dag en stak het in haar fototoestel.

“Wacht,” zei Remco. “Ik pak mijn laptop even. Dan kunnen we het beter zien.”

Een paar minuten later kwamen de foto’s die Marieke gemaakt had één voor één in beeld. Toen de eerste foto van het luxe jacht in beeld kwam, zette Remco de presentatie stil. Hij drukte op een paar knoppen, zodat het beeld inzoomde op de mensen, die op het dek van het schip stonden.

“Kijk! wees Marieke. “Dat is de vent die ons bedreigde!”

“Mooi!” zei Remco. “Dan weten we in ieder geval dat we op het goede spoor zitten.”

Omdat op de eerste foto verder weinig bijzonders te zien was, klikte Remco de volgende aan. Nu kwam ook de man in het zwarte pak in beeld.

“We moeten proberen in te zoomen op zijn hoofd,” zei Remco. Hij schoof de laptop door naar Marieke. “Doe jij het maar. Jij bent er handiger in dan ik.”

Even later was het hele scherm van Remco’s laptop gevuld met het hoofd van de man in het zwarte pak. Doordat het beeld zo sterk was uitvergroot, was het vreselijk korrelig.

Opnieuw drukte Marieke een paar toetsen in. Het hoofd van de man werd daardoor kleiner, maar wel duidelijker.

“Hij komt me bekend voor,” zei Remco. “Ik zou alleen niet weten wie het is.”

“Laten we eerst maar eens kijken wie die andere man is,” stelde Marieke voor. “Misschien worden we daar wat wijzer van.”

De man in het witte pak herkenden ze allebei onmiddellijk. Zijn foto had ongeveer een jaar geleden op alle voorpagina’s van de kranten gestaan; ook op die van het Christelijk Dagblad.

“Meneer Vlessing!” zei Marieke. “De man die vorig jaar miljoenen heeft gekregen, nadat hij zijn bedrijf heeft verkocht aan een stel buitenlandse investeerders.”

“Nou, dan zijn we er in ieder geval achter wat hij met een deel van die miljoenen heeft gedaan,” zei Remco droog.

“Ik neem aan, dat hij zijn mannetje niet achter ons aan heeft gestuurd, omdat we ontdekt hebben dat hij een duur jacht heeft,” peinsde Marieke. “Zoiets kun je in een klein land als Nederland toch niet geheim houden.”

“Dan kunnen we maar één ding concluderen,” zei Remco. “Vlessing wil niet dat hij samen met die andere man gezien wordt.”

“Dat betekent dus, dat die andere man niet deugt!” stelde Marieke vast.

“Dat is wel heel kort door de bocht,” vond Remco.

“Vind je? Nou, ik niet! Waarom loopt de bemanning van Vlessing met een pistool op zak? Dat is toch niet normaal, voor iemand die niets te verbergen heeft?”

“Misschien heeft die kerel er wel een vergunning voor. Ik kan me voorstellen dat een rijke vent als die Vlessing bang is voor kidnapping. Er valt tenslotte heel wat bij hem te halen.”

“Dat is zo,” gaf Marieke toe. “Heineken hebben ze indertijd ook ontvoerd om flink veel losgeld te krijgen.”

“Wat doen we nu?”

“Ik vind, dat we naar de politie moeten gaan,” zei Marieke. “Via de computer moet het voor hen een koud kunstje zijn te achterhalen, wie die man in het zwarte pak is. Als we daar achter kunnen komen, weten we waarschijnlijk ook meteen waarom Vlessing iemand achter mij aan heeft gestuurd voor dat fotokaartje. Zullen we naar het politiebureau in Middelburg gaan?”

“Niet naar Middelburg,” besliste Remco. “Als die lui merken dat wij spoorloos zijn, zetten ze daar misschien een mannetje neer om ons op te wachten.” Hij pakte de kaart, bestudeerde hem even en vervolgde: “We gaan via Noord Beveland naar Goes.”

“Mij best,” zei Marieke.

Nadat ze hun spullen hadden opgeruimd reden ze verder.

“Ik hoop, dat ze niet zo slim zijn ons bij de Veersegatdam op te wachten,” mompelde Remco, toen hij zijn auto de N255 opdraaide.

“Zou dat kunnen?” vroeg Marieke verschrikt.

“Alles kan!” zei Remco.

“Wat nu?”

“We wagen het er op,” besliste Remco. “We kunnen ook proberen via allerlei binnenweggetjes naar Goes te rijden, maar dat kost heel veel tijd.”

“Doe dat toch maar,” zei Marieke. “Voor mij is het al meer dan genoeg als er één keer per dag een wapen op me wordt gericht.”

“Vooruit dan maar,” gaf  Remco toe.

 

Ruim anderhalf uur later parkeerde Remco zijn auto in de buurt van het politiebureau van Goes. Hij zorgde er wel voor, dat het wagentje vanaf de ingang van het gebouw niet te zien was.

Onderweg naar het bureau sloeg Marieke opeens een arm om Remco heen.

“Er staat een vent voor het bureau te wachten, “ fluisterde ze. “We moeten gewoon doorlopen en net doen of het een verliefd stelletje zijn!”

‘Ze moest eens weten dat ik echt verliefd op haar ben,’ dacht Remco, terwijl hij op zijn beurt zijn arm om Marieke’s schouders sloeg. Vanuit zijn ooghoeken zag hij dat er inderdaad een man bij de bushalte voor het politiebureau stond. Hij droeg een onopvallende regenjas en stond een sigaret te roken.

“Misschien is het gewoon iemand die op de bus wacht,” fluisterde hij.

“Daar komen we gauw genoeg achter, want de bus komt er aan,” zei Marieke.

De man had de bus blijkbaar ook gezien, want hij deed een paar stappen achteruit. Hij draaide zich om en begon de etalage van een winkel naast het politiebureau te bestuderen.

“Als de bus stopt, rennen wij er gauw voorlangs,” bedacht Remco. “De man kan ons dan niet zien en voordat hij het in de gaten heeft zijn wij binnen.”

“Het lijkt me handiger als we een politieagent opzoeken en hem de zaak uitleggen,” zei Marieke nuchter. “Jouw plannetje vind ik te riskant. Ik voel er niets voor als schietschijf te dienen.”

“Goed,” zei Remco. “Ik hoop alleen wel, dat we een beetje gauw een politieagent zien. Hoe eerder we ons verhaal kunnen vertellen, hoe beter het is.”

Het duurde meer dan een halfuur, voordat Remco en Marieke een politieagent tegen het lijf liepen. Omdat ze allebei door elkaar praatten, begreep hij er eerst niet veel van. Uiteindelijk zorgde hij ervoor, dat ze door een collega met een onopvallende auto naar de achteringang van het bureau werden gebracht.

De wachtcommandant krabde zich even achter de oren, toen hij het verhaal hoorde.

“Ik zal zien of er iemand beschikbaar is, die u kan helpen,” zei hij.

“Misschien iemand van de afdeling narcotica,” opperde Remco.

“Narcotica?” vroegen de wachtcommandant en Marieke precies tegelijk.

Remco kinkte.

“Ik denk,” legde hij uit, “dat Vessings schip gebruikt wordt om drugs te smokkelen. Dat dure jacht van hem is zeewaardig, dus hij kan er overal mee naar toe. Het moet voor hem een koud kunstje zijn op volle zee drugs van een vrachtschip uit bijvoorbeeld Zuid-Amerika over te laden in zijn eigen schip en het spul daarna Nederland binnen te smokkelen. Vlessing is een bekende Nederlander. Hem zullen ze niet zo gauw verdenken.”

“Je vergeet één ding,” bracht Marieke er tegenin. “Waarom zou hij dat doen? Vlessing bulkt van het geld en hoeft dus helemaal geen drugs te smokkelen.”

“Toch denk ik dat ik gelijk heb!” hield Remco vol.

“Goed,” zei de wachtcommandant. “Ik zal zien of er een rechercheur van narcotica binnen is.”

 

Tien minuten later zaten Remco en Marieke tegenover rechercheur De Putter. Zodra hij de foto zag, waarop de man in het zwarte pak stond, floot hij tussen zijn tanden.

“Kent u die man?” vroeg Marieke nieuwsgierig.

“Nou en of! Zijn echte naam doet er niet toe, maar wij noemen hem altijd de Hyena. Het is een belangrijke drugssmokkelaar die door de politie over de hele wereld wordt gezocht. Wie had dat kunnen denken, dat hij iets te maken zou hebben met Vlessing.”

“Zie je wel!” zei Remco triomfantelijk. “Ik had wel gelijk! Wat doen we nu?”

“Jullie doen niets!” besliste de rechercheur. “Jullie blijven netjes hier, totdat we een inval hebben gedaan op het jacht. Als jullie nu naar huis gaan, is het risico groot dat die lui jullie wat aandoen.”

 

Vol spanning wachtten Remco en Marieke af wat er verder ging gebeuren. Het duurde nog uren voordat rechercheur De Putter kwam opdagen. Gelukkig was de wachtcommandant zo vriendelijk Chinees voor hen te laten halen, zodat ze geen honger hoefden te lijden.

“Kat in ’t bakkie!” zei rechercheur De Putter, toen hij tegen tienen terugkwam op het bureau.

“Hoe is het gegaan?” vroeg Remco nieuwsgierig.

“Meneer Vlessing ontkende uiteraard in alle toonaarden, toen wij hem zeiden dat hij werd verdacht van drugssmokkel. Gelukkig hadden we een speurhond meegenomen, die is opgeleid om drugs op te sporen. Na wat zoeken vond hij een geheime bergplaats, onderin de kiel van het schip. Vlessing had maar liefst tien kilo cocaïne aan boord. Eerst ontkende hij in alle toonaarden dat hij iets met de smokkel te maken had, maar toen bleek dat zijn vingerafdrukken op de zakken zaten, viel hij door de mand.”

“En de Hyena?” wilde Marieke weten.

“Eerst dachten we dat die gevlogen was, maar toen we de bemanningsleden gingen ondervragen, bleek dat één van hen geen woord Nederlands sprak. Toen hij door had, dat hij ontmaskerd was, probeerde hij te ontsnappen door in het water te springen. Gelukkig hadden we daar al min of meer op gerekend. Agenten van een politieboot, die we achter de hand hadden gehouden, hebben hem uit het water gevist en meegenomen naar het politiebureau in Middelburg.”

“Weet u al waarom die Vlessing drugs is gaan smokkelen?” vroeg Remco.

De Putter knikte.

“Toen hij door had, dat ontkennen zinloos was, heeft hij meteen een bekentenis afgelegd. Eigenlijk is het een triest verhaal. Omdat hij zich, nadat hij zijn bedrijf verkocht had, stierlijk verveelde, is hij op zoek gegaan naar spanning en avontuur en op het verkeerde pad geraakt.”

“Hij had zich beter in kunnen zetten voor goede doelen,” vond Marieke. “Er zijn heel veel mensen in de wereld die zijn hulp hard kunnen gebruiken.”

“Voorlopig kan hij in ieder geval weinig meer doen met z’n geld,” zei De Putter. “Ik denk, dat hij wel voor een paar jaar achter de tralies verdwijnt.”

“Wat een verhaal!” zei Remco. “En dan te bedenken dat we alleen maar naar Zeeland zijn gekomen voor een vakantiebijlage van onze krant!”

“Het verhaal dat je nu kunt schrijven is veel spannender,” lachte De Putter.

Marieke gaapte en keek op haar horloge.

“Kunnen we gaan?” vroeg ze. “We hebben nog een lange reis voor de boeg en ik val om van de slaap.”

“Eerst moeten jullie een verklaring afleggen,” zei de rechercheur.

 

Het was al bijna middernacht toen Remco en Marieke weer op de A58 zaten.

“Wat een avontuur!” zei Remco. “Het begint nu pas tot me door te dringen, aan wat voor gevaar we ontsnapt zijn. Voor hetzelfde geld hadden die lui ons allebei voorgoed het zwijgen opgelegd. Die cocaïne is een vermogen waard en ik denk, dat mensen als die Hyena niet voor een moord terugdeinzen.”

Marieke huiverde even.

“Gelukkig heeft God ons bewaard,” zei ze zacht. “Net als bij al onze andere avonturen.”

“Hij is er altijd,” beaamde Remco. “Gelukkig wel!”

 



 

 

EEN OVERVAL MET EEN LUCHTJE

 

 

Het was kwart over vijf. Met een zucht sloot Remco Jongeneel zijn computer af. Hij was blij, dat hij het artikel over de maïsoogst, die dreigde te mislukken, af had. Het was bedoeld voor de krant van morgen en Marieke had er een foto bij gemaakt.

‘Nu komt het moeilijkste moment van de dag,’ dacht hij. Langzaam liep hij naar het kantoortje waar Marieke aan het werk was. ‘Hopelijk is Marieke er nog.’

Marieke keek verbaasd op, toen ze Remco zag binnenkomen.

“Wat kom jij doen?” vroeg ze.

“Ik kom je om een gunst vragen,” zei Remco.

“O!” Marieke’s gezicht werd één groot vraagteken.

“Zou je met me mee willen gaan naar de juwelier?”

Tot Remco’s verrassing begon Marieke te blozen.

“Ik zou niet weten wat ik met jou bij een juwelier zou moeten,” zei ze zacht.

‘Ze denkt, dat ik een sieraad voor haar wil kopen!’ In gedachten moest Remco er om grinniken, maar hij liet niets merken.

“Mijn moeder is morgen jarig,” legde hij uit, “en ik wil haar een nieuw horloge geven.”

“En omdat je zelf niet zo heel veel smaak hebt, wil je dat ik mee ga,” begreep Marieke.

“Precies,” knikte Remco. “Je kent m’n moeder en weet dus vast wel wat voor soort horloge bij haar past.”

“Goed,” zei Marieke. “Heb je vijf minuten, dan ga ik met je mee.”

“Fijn!” zei Remco.

 

Het was al bijna kwart voor zes, toen Remco zijn oude Eend in de Amersfoortse binnenstad parkeerde.

“We moeten opschieten,” zei Marieke. “De winkels sluiten over een kwartier!”

“We kunnen in een kwartier vast wel een horloge uitzoeken,” zei Remco.

“Heb je al een juwelier op het oog?” wilde Marieke weten.

“Het maakt mij niet uit,” zei Remco.

“Goed, ik weet er wel een, hier niet zo ver vandaan.”

De juwelier keek verrast op, toen hij het tweetal binnen zag komen. Blijkbaar had hij zo laat geen klanten meer verwacht.

“Wat kan ik voor u doen, mevrouw en meneer?” vroeg hij.

“We willen even bij de horloges kijken,” nam Marieke de leiding.

“Die staan hier,” wees de juwelier. Hij liep naar een vitrine, waarin een heleboel horloges lagen. “Is het voor u zelf, mevrouw, of voor uw man?”

“Het is voor de moeder van mijn collega!” verbeterde Marieke hem. “Ze is morgen jarig.”

“Juist ja,” mompelde man. Hij keek op zijn eigen horloge. “Een horloge voor een dame van middelbare leeftijd. Mag ik u vragen wat het ongeveer mag kosten?”

“Laat eerst maar eens wat zien,” zei Remco. “Mijn moeder staat altijd voor me klaar, dus het mag wel wat kosten. Als het een goedkoop horloge had moeten zijn, was ik wel naar de HEMA gegaan.”

“Goed,” zei de man. Hoewel het in de winkel helemaal niet warm was, parelden er zweetdruppeltjes op zijn voorhoofd.

‘Er is iets vreemds met hem aan de hand,’ dacht Remco.

Op dat moment werd de deur van de winkel opengegooid. In de deuropening stond een helemaal in het zwart geklede figuur. Hij droeg een leren motorpak en een zwarte helm. Het donkere vizier van de helm was gesloten, waardoor het onmogelijk was zijn gezicht te zien. In zijn linkerhand had hij een vuurwapen.

“Handen omhoog!” riep de man. “Dit is een overval!” Hij richtte de loop van het wapen op de juwelier, die als versteend achter de toonbank stond.

Marieke slaakte een kreet van schrik. Meteen zwaaide het vuurwapen haar kant op. Even aarzelde de overvaller. Blijkbaar had hij er niet op gerekend dat er zo vlak voor sluitingstijd nog klanten in de winkel zouden zijn.

“Liggen!’ zei hij hees. “En geen geintjes, anders schiet ik jullie lek!”

‘Dit kan niet waar zijn!’ dacht Remco, terwijl hij het bevel van de overvaller opvolgde. ‘Ik kom nooit bij een juwelier en juist die ene keer dat ik er wel naar toe ga, wordt hij overvallen!’

Hij keek naar Marieke, die naast hem op de grond lag.

“Sorry,” fluisterde hij.

“Kop dicht!” schreeuwde de overvaller. “Zodra jullie een beweging maken of wat zeggen, schiet ik!”

Het was duidelijk dat de overvaller behoorlijk nerveus was. Pas toen hij ervan overtuigd was, dat hij van Remco en Marieke geen last zou hebben, wendde hij zich weer tot de juwelier.

“Doe de deur op slot!” gebood hij. “En waag het niet alarm te slaan, want dan ga je er aan!”

‘Het lijkt wel of hij hoopt, dat hij mag schieten,’ dacht Remco spottend. ‘Ik denk, dat hij nog nooit een kogel heeft afgevuurd. Ik zou wel eens willen weten, wat hij gaat doen, als ik overeind kom!’

Even overwoog hij die mogelijkheid, maar al gauw had hij door dat het totaal zinloos was, de rover op stang te jagen. Hoe vaak hoorde je niet, dat overvallers in paniek slachtoffers maakten?

“De sleutel zit in deze la,” zei de juwelier. “Ik ga hem nu pakken.”

“Ga je gang,” zei de overvaller. “Maar bij de eerste de beste verdachte beweging schiet ik!”

“Niet doen!” de stem van de juwelier trilde. “Ik zal precies doen wat u zegt!”

“Zo mag ik het horen,” gromde de overvaller. Met de loop van zijn revolver volgde hij de juwelier, toen die naar de deur liep om die op slot te doen.

Pas nadat hij dat gedaan had, ontspande de overvaller zich wat.

“Je begrijpt zeker wel waarvoor ik kom,” zei hij. “Laten we maar beginnen met het geld.”

“Er zit niet zo heel veel geld in m’n kassa,” zei de juwelier. Het klonk verontschuldigend. “Het was niet druk vandaag en de meeste klanten hebben gepind.”

“Geef me wat je hebt,” zei de overvaller. “Het geld is maar bijzaak. Het is me vooral daarom te doen.” Hij wees naar een vitrine, waarin een groot aantal trouwringen lag. “Doe ze in een stevige plastic zak!”

Gehoorzaam volgde de juwelier de bevelen van de overvaller op. Hoewel zijn handen trilden, leek hij niet heel bang te zijn. Na de ringen waren de kettingen aan de beurt. De horloges sloeg de dief over. Ook aan de vitrines waarin het goedkopere spul lag, besteedde hij geen aandacht.

‘Hij neemt alleen spul mee, dat gemakkelijk kan worden omgesmolten,’ realiseerde Remco zich. ‘Het lijkt wel of hij er verstand van heeft!’

Het leek een eeuwigheid te duren, voordat de overvaller vond dat het genoeg was. Toen de plastic zak zo goed als vol was, griste de man die uit de handen van de juwelier. Met zijn wapen nog steeds op de man gericht, liep hij achteruit naar de deur. Hij draaide de sleutel, die nog in de deur zat, om en stapte naar buiten.

“Een prettige avond nog en bedankt,” riep hij spottend. Daarna was hij verdwenen.

 

Zodra de overvaller weg was, kwamen Remco en Marieke overeind.

“We moeten 112 bellen!’ zei Marieke. Ze liep naar de juwelier toe, die zich op een stoel had laten zakken. “Gaat het, meneer?”

De juwelier knikte.

“Gelukkig hebben we het er goed af gebracht!” zei hij. “Voor hetzelfde geld had hij ons alledrie neergeschoten.”

“Daar geloof ik niets van,” zei Remco, terwijl hij zijn mobieltje uit z’n zak viste. “Hij riep wel heel hard, dat hij het zou doen, maar ik geloof nooit, dat hij het ook echt durfde.”

“Misschien was het zijn eerste overval,” opperde Marieke.

Remco hief zijn hand op, omdat hij 112 aan de lijn had.

“Met Remco Jongeneel,” zei hij. “We staan hier bij een juwelier, die zojuist is overvallen.” Haastig noemde hij de naam en het adres van de juwelierszaak.

“De politie komt er aan,” zei hij, terwijl hij zijn mobieltje weer in z’n zak stopte.

“Ik neem aan, dat wij als getuige ook verhoord worden,” zei Marieke. Ze zuchtte diep. “Daar gaat m’n vrije avond!”

“Wat mij betreft mogen jullie wel gaan,” zei de juwelier, tot stomme verbazing van Remco en Marieke. “Ik red het alleen ook wel.”

Remco schudde zijn hoofd. “Ik denk niet, dat de politie het daar mee eens is. Als wij nu weggaan, brengen we niet alleen u, maar ook onszelf in de problemen.”

“Hopelijk duurt het niet al te lang,” zei Marieke. “Op dat punt hebt u gelijk, meneer. We weten net zo weinig als u.”

Vanuit de verte zwol het geluid aan van een politiesirene.

Even later stormden de eerste agenten de juwelierszaak binnen. Een al wat oudere agent nam meteen de leiding.

“Hm,” constateerde hij. “De boel ziet er nog redelijk uit. Ik had verwacht dat het hier een ravage zou zijn.”

“Wat bedoelt u daarmee?” De stem van de juwelier klonk schril.

“Eigenlijk niets,” zei de politieman. Verwonderd keek hij de juwelier aan. “Meestal slaan die lui de boel kort en klein bij een roofoverval.”

“Meneer is zo verstandig geweest, te doen wat de overvaller vroeg,” kwam Marieke de juwelier te hulp. “Ik weet zeker, dat de overvaller wel degelijk geweld had gebruikt, als de juwelier had tegengestribbeld.”

“Hij dreigde voortdurend met een vuurwapen,” voegde Remco er aan toe.

“Wie zijn jullie?” wilde de agent weten.

“Ik ben Marieke Wielinga en dat is mijn collega Remco Jongeneel.”

“Wat deden jullie op de plaats van het misdrijf?”

“Tja, wat doet iemand in een winkel? Dat lijkt me duidelijk. We waren hier om iets te kopen!” Marieke begon zich op te winden. “Of zijn wij soms ook verdacht?”

“Is er een reden waarom ik u zou verdenken?” kaatste de politieman de bal terug.

“Nee, natuurlijk niet!” zei Marieke verontwaardigd. Remco legde bezwerend z’n hand op haar arm.

“Rustig maar. Die man doet ook alleen maar zijn werk.”

“Zo is het,” knikte de agent. Hij wenkte een paar collega’s.

“Leo, jij neemt een verklaring op van meneer. Ingrid, neem jij mevrouw voor je rekening. Zelf zal ik met de juwelier praten.”

Remco en Marieke werden allebei naar een hoek van de winkel meegenomen. De juwelier verdween met de leidinggevende agent naar een kantoortje achter de winkel. Marieke zuchtte diep, toen ze tegenover Ingrid zat. Ze had er spijt van, dat ze met Remco mee was gegaan.

 

Een halfuur later stonden Marieke en Remco buiten. Marieke keek op haar horloge.

“Breng me maar gauw thuis,” zei ze tegen Remco. “Ik rammel.”

“Zullen we op mijn kosten ergens iets gaan eten?” stelde Remco voor. “Het is tenslotte mijn schuld, dat jij nu zo laat thuis bent.”

“Jouw schuld?” Verwonderd keek Marieke Remco aan. “Jij kunt er toch ook niets aan doen, dat die juwelier nu net vandaag werd overvallen? Trouwens, volgens mij was ik degene die deze juwelier uitkoos.”

“Het doet er niet toe,” vond Remco. “Ga je mee uit eten of niet?”

Marieke knikte instemmend.

“Dan kunnen we gelijk nog even doorpraten over de overval.”

Een kwartier later zaten ze tegenover elkaar in een restaurant; allebei met een glas drinken voor zich.

“Wat vroegen ze allemaal aan jou?” wilde Remco weten.

“Gewoon, de normale dingen. Naam, adres, woonplaats en beroep en wat we in de winkel deden. Ook moest ik vertellen hoe de overvaller er uit zag, maar ik denk niet, dat ze met mijn verklaring veel zijn opgeschoten. Het enige dat ik zeker weet, is dat het een man was.”

“Mij vroegen ze precies hetzelfde,” vertelde Remco. “De agent die mij ondervroeg, wilde ook nog weten of mij iets ongewoons was opgevallen.”

“Dat vroeg die Ingrid ook aan mij. Wat heb je gezegd?” vroeg Marieke nieuwsgierig.

“Niets bijzonders,” zei Remco. “Ik weet alleen zeker dat die vent links was.”

“En dat hij normaal Nederlands sprak,” vulde Marieke aan.

“Ja, dat heb ik ook verteld. Toen ik dat zei, keek die Leo me een beetje verbaasd aan.”

“Blijkbaar gaan ze er bij de politie vanuit, dat de meeste overvallen door allochtonen worden gepleegd,” dacht Marieke hardop.

“Weet je wat me ook nog opviel,” zei Remco, “maar dat heb ik niet tegen die agent gezegd. Dat die juwelier al zenuwachtig was, voordat de overvaller er was.”

“Dat is zo!” zei Marieke verrast. “Ik heb er tijdens het verhoor geen seconde meer aan gedacht, anders had ik het zeker gezegd.”

“Het leek wel of die juwelier wist dat er iets ging gebeuren,” filosofeerde Remco. “Misschien heeft die roofovervaller hem van te voren wel bedreigd.”

“Als dat zo was, had hij beter de winkel wat eerder dicht kunnen doen. Zo druk is het toch niet meer tegen sluitingstijd.”

“Misschien was hij dat wel van plan, maar kon dat niet omdat wij nog in de winkel waren,” zei Remco. “Ik zou zijn verklaring wel eens willen lezen.”

“Weinig kans,” zei Marieke. “Ik denk niet, dat ze ons verder nog nodig hebben. Als de juwelier geluk heeft, wordt de zaak opgelost en als dat niet het geval is, krijgt hij geld van de verzekering. Ik neem tenminste aan, dat hij voor diefstal verzekerd is.”

“Dat is voor hem in ieder geval te hopen,” zei Remco.

“Nu heb je nog geen horloge voor je moeder,” bedacht Marieke.

“Weet je dat ik daar helemaal niet meer aan heb gedacht,” zei Remco. Hun gesprek werd onderbroken, doordat een ober hun eten kwam brengen. Nadat ze hadden gebeden voor hun eten, praatte het tweetal nog wat door over de overval.

“Ga je er wat over in de krant zetten?” wilde Marieke weten.

“Wat vind jij?”

“Ik vind dat we het wel kunnen doen,” zei Marieke. “Het gebeurt tenslotte niet iedere dag, dat we midden in een overval belanden.”

“Jammer dat jij geen foto’s hebt gemaakt,” vond Remco.

Marieke schoot in de lach.

“Ik zie het helemaal voor me. Meneer, zou u zo vriendelijk willen zijn uw helm af te zetten, zodat we een mooie foto in de krant kunnen plaatsen.”

“Dat motorpak en die helm waren gloednieuw,” zei Remco. Hij dacht even na. “Heb jij het geluid van een motor gehoord, voor of na de overval?”

Marieke schudde haar hoofd.

“Waarschijnlijk gebruikte hij dat pak alleen maar als vermomming. Voor hetzelfde geld was hij op de fiets.”

“Dat denk ik niet,” zei Remco. “Heb jij ooit een vent in een motorpak op een fiets zien zitten? Dat lijkt me geen gezicht. Ik denk eerder, dat hij met een auto is gevlucht.”

“Of hij had zijn motor een eindje verderop staan.”

“Dat is ook niet logisch. Als je je na een overval snel uit de voeten wilt maken, moet je je motor niet een paar straten verderop parkeren.”

“Weet je wat,” zei Marieke. “Laten we het speurwerk deze keer maar gewoon aan de politie overlaten. Tenslotte worden zij er voor betaald!”

 

De volgende dag werd Remco om een uur of elf gebeld. Het was de politie van Amersfoort, die vroeg of hij die middag naar het bureau kon komen.

“Heeft het te maken met die overval op de juwelier?” wilde Remco weten. De agent die belde antwoordde bevestigend.

“Vooruit dan maar,” zuchtte Remco. “Gaat het erg lang duren?”

“Dat hangt er vanaf,” zei de agent. “Er zijn een paar onduidelijkheden in uw verklaring en in die van de vrouw die bij u was.”

“Moet zij ook komen?”

“Dat is wel de bedoeling, ja.”

‘Wat een toestand!’ dacht Remco, nadat hij de telefoon had neergelegd. Mijn moeder verwacht dat ik vanavond kom eten en ik moet nog steeds een cadeautje voor haar kopen.’

 

Tussen de middag bleek dat ook Marieke niet blij was met het bezoek aan het politiebureau.

“Ik vraag me af, wat ze nog willen weten,” zei ze.

“Misschien worden wij ook wel verdacht,” bedacht Remco.

“Hoezo?” stoof Marieke op. “We hebben toch niets verkeerds gedaan?”

“Volgens mij niet, nee,” zei Remco. “Maar dat kan de politie niet weten. Straks heeft de juwelier de politie van alles en nog wat wijsgemaakt.”

“Laten we er maar gewoon heengaan,” zuchtte Marieke.

 

Dit keer werden ze niet apart genomen. Samen zaten ze tegenover de politieman, die een dag eerder de leiding had bij het onderzoek. Leo en Ingrid waren er ook, maar nadat ze Remco en Marieke hadden begroet, zeiden ze verder niet veel.

“We zullen maar meteen met de deur in huis vallen,” begon de politieman, die zichzelf voorstelde als Tichelaar. “Jullie verklaring is op een groot aantal punten strijdig met die van meneer Vondeling.”

“Meneer Vondeling?”

“De juwelier heet zo,” zei Tichelaar. “Ik dacht dat jullie dat wel wisten.”

Remco en Marieke schudden hun hoofd.

“Waarom waren jullie gisteren juist bij die juwelier?” wilde de politieman weten.

Marieke gaf antwoord: “We waren laat en Remco wilde nog een horloge voor zijn moeder kopen. Vanaf de plaats waar hij zijn auto geparkeerd had, was dit volgens mij de dichtstbijzijnde juwelier.”

“Is jullie voor de overval iets bijzonders opgevallen?”

“Ik denk, dat de juwelier wist, dat er iets stond te gebeuren,” zei Remco. “Hij keek ons bijna de winkel uit en was behoorlijk zenuwachtig.”

Tichelaar bladerde wat in de papieren die voor hem lagen.

“Waarom hebben jullie daar geen van beiden gisteren iets over gezegd?”

“Daar hebben we niet aan gedacht,” legde Marieke uit. “Na de overval hebben we er uiteraard samen over doorgepraat. We hadden allebei het idee dat er iets niet klopte.”

“Jullie zeggen allebei, dat de man geen accent had,” vervolgde de politieman. “Weten jullie dat zeker?”

“Absoluut!” zei Marieke.

“Ik weet het ook heel zeker,” knikte Remco. “Ik schaamde me eigenlijk een beetje, omdat ik zodra ik die kerel zag min of meer verwachtte dat hij van buitenlandse afkomst was.”

“Maar dat was hij niet?”

“Dat weet ik niet zeker, want hij droeg een leren motorpak en handschoenen. Eerlijk gezegd heb ik helemaal geen stukje huid gezien, dus ik kan ook niet zeggen wat voor kleur hij had. Maar hij had in geen geval een accent. Ook gebruikte hij een Nederlandse uitdrukking: ‘Ik schiet je lek!’ Ik weet niet, of buitenlanders die uitdrukking gauw zullen gebruiken.”

“Vreemd!”

“Hoezo?” vroeg Marieke verbaasd. “Er zijn toch ook wel Nederlanders die overvallen plegen?”

“Helaas wel, ja.” Even aarzelde Tichelaar, toen zei hij: “Meneer Vondeling is ervan overtuigd, dat het een zogenaamde medelander was.”

“Hoe komt hij daar nu bij?”

“Tja, het is zijn woord tegen dat van jullie,” zei Tichelaar, terwijl hij met zijn hand door zijn haar streek.

“Zijn er opnames gemaakt van de overval?” bedacht Remco opeens. “Ik neem aan, dat die juwelier een video bewakingssysteem heeft.”

“Hij heeft wel zo’n systeem,” knikte de politieman, “maar dat is al een paar weken stuk. Hij heeft de recorder opgestuurd naar de leverancier en nog niet teruggekregen.”

“Het is mij allemaal iets te toevallig!” zei Remco. “Het lijkt er verdacht veel op, dat Vondeling meer weet dan hij wil laten merken.”

Even keek Tichelaar Leo en Ingrid veelbetekenend aan, maar hij zei verder niets.

“Jullie hebben het er dus samen nog over gehad,” zei hij. “Is jullie nog meer opgevallen?”

“De man wist precies, welke spullen hij mee moest nemen,” zei Remco. “Horloges en dergelijke liet hij liggen. Hij nam alleen spullen mee, die je gemakkelijk kunt smelten om er iets anders van te maken.”

“Op zich is dat niet ongewoon,” vond Tichelaar. “Van horloges en dergelijke is meestal het registratienummer bekend en dieven weten dat.”

Opeens bedacht Remco wat.

“Weet u of de juwelierszaak van meneer Vondeling goed loopt?” vroeg hij aan de politieman. “Kan het niet zo zijn, dat hij zelf die overval heeft verzonnen?”

“Waarom denk je dat?”

“Voor de overval was hij zenuwachtig, maar toen die kerel er eenmaal was, bleef hij behoorlijk rustig. Ook wist hij niet hoe gauw hij die spullen af moest geven.”

Ook dit keer ging Tichelaar niet op Remco’s opmerking in.

“Zijn er nog andere dingen die jullie zijn opgevallen?” wilde hij weten.

Marieke vertelde dat de overvaller een splinternieuw motorpak had gedragen, maar dat ze geen van beiden een motor hadden gehoord. Daarna stelde Tichelaar nog een paar vragen, waarna ze konden gaan.

“Wat denk je,” vroeg Remco, terwijl ze het bureau verlieten. “Zouden ze ons verdenken?" 

“Ik zou niet weten waarom!” zei Marieke verontwaardigd. “Ik denk, dat ze beter die Vondeling eens goed aan de tand kunnen voelen. Er zit een luchtje aan deze zaak, dat steeds harder gaat stinken.”

“Zullen we naar hem toe gaan?” stelde Remco voor.

“Ben je mal! Straks krijgt hij argwaan. Ik voel er niet voor de politie voor de voeten te lopen!”

“Dan moet ik maar naar een andere juwelier om een horloge te kopen,” zei Remco.

“Ik ga met je mee,” zei Marieke. “Maar als we weer middenin een overval terechtkomen ga ik gillen!”

 

Een paar dagen later werd Remco opnieuw gebeld door Tichelaar.

“De zaak is rond,” vertelde hij. “Jullie hadden het helemaal bij het rechte eind. De winkel van Vondeling liep de laatste maanden steeds slechter, waardoor hij nauwelijks z’n huur kon betalen. Hij heeft toen samen met zijn zoon het plan voor de overval bedacht. Hij schrok wel even, toen hij jullie die middag zag binnenkomen. Eigenlijk was het niet de bedoeling, dat er pottenkijkers bij waren. Later bedacht hij, dat het ook wel prettig was dat er getuigen waren. Daardoor zou de hele overval een stuk geloofwaardiger worden. Hij had met zijn zoon, die voor overvaller speelde, afgesproken dat hij zou zeggen dat de overvaller een buitenlands accent had. Achteraf kon hij zich wel voor zijn hoofd slaan, omdat hij kon weten, dat jullie iets heel anders zouden zeggen. Het was zijn bedoeling de gestolen buit later beetje bij beetje weer in de winkel te leggen, nadat hij het geld van de verzekering had gekregen.”

“Gelukkig is hij tegen de lamp gelopen,” zei Remco. “Ik heb altijd geleerd dat je niet mag stelen, zelfs niet van jezelf.”

“De verzekering oplichten is ook een vorm van diefstal,” was Tichelaar het met hem eens.

Nadat de politieman had opgehangen, belde Remco meteen Marieke. Daarna begon hij ijverig te typen. Met een beetje geluk kon het bericht van de opgeloste roofoverval nog net mee met de kopij voor de krant van de volgende dag.


 

SCHOOLBRAND ROND OUD EN NIEUW

 

Het was 2 januari. Met een slaperig hoofd schoof Remco Jongeneel nog net op tijd de redactiekamer van het Christelijk Dagblad binnen. Doordat het de vorige nacht nogal laat was geworden, had hij zich deze morgen verslapen.

“Nu Jongeneel er ook is, kunnen we beginnen,” zei Erik Drent, de hoofdredacteur. “Allereerst wil ik jullie allemaal het allerbeste toewensen voor het nieuwe jaar.”

De speech die volgde hoorde Remco maar half.

‘Hopelijk hoef ik niet de hele dag binnen te werken,’ dacht hij bij zichzelf, ‘want dan val ik vast boven het toetsenbord van mijn computer in slaap.’

Gelukkig mochten ze na Eriks toespraak eerst een kop koffie halen.

Toen iedereen terug was op zijn plaats, begon Erik Drent de taken te verdelen. Via de verschillende nieuwsdiensten waren er allemaal berichten binnengekomen. De journalisten en redacteuren moesten bekijken of ze de moeite waard waren om in de krant voor de volgende dag te plaatsen.

“Jongeneel,” zei Erik Drent, “ik wil dat jij met Marieke naar Veenendaal gaat. Daar is in de nacht van oud en nieuw een basisschool gedeeltelijk afgebrand.”

“Prima!” zei Remco. Vanaf Amersfoort was het niet ver naar Veenendaal. Het was dus een leuke klus om het nieuwe jaar mee te beginnen. Hoewel, leuk? Een brand in een school is natuurlijk nooit leuk.

 

Een halfuur later waren Remco en Marieke onderweg. Op zijn computer had Remco uitgezocht om welke school het ging. Ook had hij via de website van de school het telefoonnummer van de directeur opgezocht. De kinderen hadden nog vakantie en de directeur was waarschijnlijk niet op school.

Het was niet druk op de weg, omdat veel mensen nog vakantie hadden. Zonder problemen bereikten Remco en Marieke in Remco’s oude Eend Veenendaal. Met behulp van een kaart in Remco’s stratenboek hadden ze de school al gauw gevonden.

Het gebouw zag er troosteloos uit. Rondom de school waren hekken geplaatst, zodat niemand het gebouw in en uit kon.

De uiteindelijke schade leek mee te vallen. Eén van de lokalen was helemaal zwartgeblakerd, de ramen waren gesprongen en inmiddels afgetimmerd met grote platen multiplex. De andere lokalen leken vooral rook en waterschade te hebben opgelopen.

“Wie doet er nu zoiets?” vroeg Marieke zich hardop af.

“Ik denk, dat er meer mensen zijn, die maar wat graag een antwoord op die vraag willen hebben,” zei Remco. Even verderop stond een groepje mensen te praten. “Die mensen daar hebben er vast wel een mening over.”

Samen liepen Remco en Marieke naar de mensen toe. Eén man had het hoogste woord. Hij leek ook precies te weten, wie de brand gesticht had.

“Ik weet zeker dat er buitenlanders achter zitten,” zei hij luid. “Weet je wel, van die snotjongens van een jaar of zestien, zeventien! Zelf zijn ze te beroerd om naar school te gaan, daarom steken ze onze school maar in de fik.”

“Wat een onzin!” vond een vrouw, die naast hem stond. “Iedereen kan het gedaan hebben. Het kunnen net zo goed Nederlanders zijn, die aan elkaar wilden laten zien hoe stoer ze wel niet waren.”

“Let op mijn woorden!” zei de eerste man vol overtuiging. “Het zijn buitenlanders!”

Remco begon zich op te winden. Wat een eigenwijze kerel!

“Zou ik uw naam mogen weten?” vroeg hij de man. “Dan kunnen we die onder de foto zetten, die we van u in de krant zetten.”

Als door een wesp gestoken keek de man hem aan.

“Ik wil helemaal niet met mijn foto in de krant en hoe ik heet gaat u helemaal niets aan. Wie bent u eigenlijk?”

“Ik ben Remco Jongeneel,” vertelde Remco. Terwijl hij zijn hand naar de man uitstak vervolgde hij: “Journalist van het Christelijk Dagblad. We zijn hier naartoe gekomen om meer informatie over de brand te krijgen. Wij wilden het de politie vragen, maar zo te horen hebt u de zaak al half opgelost. De politie hoeft alleen nog maar alle buitenlanders in Veenendaal te ondervragen en dan hebben ze de dader.”

Zonder Remco’s uitgestoken hand vast te pakken draaide de man zich om. Met grote stappen beende hij weg. Bij de hoek van de straat draaide hij zich nog één keer om.

“Wacht maar, tot ze de dader te pakken hebben!” riep hij. “Dan zullen jullie zien dat ik gelijk heb.”

“Kan iemand mij vertellen, wat er precies gebeurd is?” vroeg Remco, toen de man uit het zicht was.

De vrouw die het voor de buitenlanders had opgenomen, zei: “Als ik het goed begrepen heb, is er in de nacht van oud en nieuw een Molotovcocktail door het raam het lokaal in geslingerd, met als gevolg dat de boel in brand is gevlogen.”

“Kan het geen verdwaalde vuurpijl zijn?” vroeg Remco.

“Vuurpijlen gaan echt niet zomaar door een ruit,” reageerde een andere man. “En reken maar dat ze in de kerstvakantie alle ramen goed hadden afgesloten. Het is immers niet de eerste keer dat er rond de jaarwisseling brand wordt gesticht in een school. Maar ik geloof dat je geluk hebt. Daar komt net een busje van de technische recherche aan. Zij kunnen je vast wel meer vertellen.”

Inderdaad stopte er een onopvallend blauw busje voor de school, waarin vier mannen zaten. Ze droegen alle vier een wit pak.

Remco liep op goed geluk op één van de mannen af. “Goedemorgen, zou ik u een paar vragen mogen stellen?”

“Ik zou niet weten waarom?” gromde de man. “Laat me er door, ik moet aan het werk.”

“En ik ben aan het werk,” zei Remco. Hij viste zijn perskaart uit zijn binnenzak en liet die aan de man zien: “Remco Jongeneel, ik ben journalist van het Christelijk Dagblad.”

“Nou,” ontdooide de politieman wat, “als je meer wilt weten, moet je bij m’n chef zijn. Die komt er zo aan.”

“Dank u wel!” zei Remco, maar de man had zich al omgedraaid en liep samen met z’n collega’s naar het hek toe.

“Ze zijn hier niet echt toeschietelijk, hè?” zei Marieke.

“Hopelijk is hun chef wat toeschietelijker. Ik hoop dat het niet te lang duurt voordat hij komt.”

“Ik maak ondertussen vast wat foto’s.” Marieke haalde haar camera voor de dag en zoomde in op het geblakerde lokaal. Door de beroete ramen heen waren de mannen van de technische recherche niet veel meer dan vage schimmen.

“Waarschijnlijk komen ze er nooit achter, wie de dader is,” zei de vrouw die het voor de buitenlanders op had genomen somber. “Iedereen kan het gedaan hebben. Gisteren zijn ze ook al bezig geweest. Toen zochten ze buiten naar sporen. Net of je die kunt vinden op een schoolplein!”

Remco bekeek de school nog eens goed.

“Het is niet logisch!” bedacht hij opeens hardop.

“Wat is niet logisch?” vroeg Marieke verbaasd.

“Het lokaal dat ze hebben gekozen!”

“Hoe bedoel je?”

“Nou, als ik brandstichter was, zou ik nooit voor dat lokaal gekozen hebben. Het zit midden tussen de andere lokalen en is vanaf de weg veel minder gemakkelijk te bereiken dan het voorste lokaal.”

Marieke knikte.

“Meestal hebben de mensen die in de nacht van oud en nieuw brand stichten, teveel gedronken,” vervolgde Remco. Hij dacht even na en vervolgde toen: “Dat kan het ook niet zijn, want dronken mensen hebben meestal geen fles benzine met een lont eraan bij zich.”

Marieke schoot in de lach.

“De enige flessen die ze bij zich hebben, zitten vol met drank! Ik begrijp wat je bedoelt. Er moet echt opzet in het spel zijn.”

“Daar is de politie ook van overtuigd,” klonk het opeens achter hen. Toen Marieke en Remco zich omdraaiden, zagen ze een man staan.

“Bakker, recherche Veenendaal,” stelde hij zich voor. “En u bent?”

“Ik ben Marieke Wielinga en dat is mijn collega Remco Jongeneel. Wij werken voor het Christelijk Dagblad.”

“Dat weet ik,” glimlachte de rechercheur. “Die krant ligt iedere dag bij mij op de mat. Sinds wanneer vindt het Christelijk Dagblad een schoolbrand belangrijk genoeg om er twee mensen op af te sturen?”

“Dat moet u aan Erik Drent vragen,” zei Remco. “Er zijn natuurlijk meer branden in scholen geweest, de afgelopen dagen, maar omdat er in Veenendaal veel lezers van onze krant wonen…”

“Juist ja,” knikte Bakker. “Ik dacht, dat jullie hierheen waren gekomen om mij te helpen.”

“Hebt u hulp nodig, dan?” vroeg Remco.

“Geen idee,” zei de politieman eerlijk. “Kom, dan zal ik jullie het lokaal laten zien waar de brand gesticht is.”

Achter de rug van Bakker stak Remco zijn duim in de lucht naar Marieke. Wat een geluk dat ze mee naar binnen mochten. Normaal hielden politiemensen er meestal niet van als ze door de pers voor de voeten werden gelopen.

Samen met rechercheur Bakker liepen ze de school in. In de gang stonk het naar rook, maar verder viel er weinig te zien. Pas toen ze in de buurt van het uitgebrande lokaal waren, werd de boel smeriger. Er lagen kleine plasjes water op de vloer en doordat er doorheen gelopen was, zag je overal vieze voetstappen.

“Kunnen de leerlingen volgende week wel naar school?” vroeg Remco.

“Dat denk ik wel,” antwoordde rechercheur Bakker. “We hopen het onderzoek hier vanmiddag verder af te ronden en dan kan de schoonmaakploeg erin. Alle lokalen, behalve dat van groep zeven, kunnen dan weer gebruikt worden.”

“En groep zeven maar hopen, dat ze nog een paar weken extra vrij zijn,” grinnikte Remco.

“Vergeet dat maar. Ik heb de directeur van de school gisteren al gesproken en hij is van plan, de lessen gewoon te laten doorgaan. Deze school heeft een behoorlijke gemeenschapsruimte en het is de bedoeling dat de lessen voor groep zeven daar volgende week worden gehouden.”

Ze waren intussen bij het uitgebrande lokaal beland, waarvan de deur uitnodigend open stond. De vier in het wit geklede mannen keken wel een beetje vreemd op, toen ze zagen dat meneer Bakker gezelschap had, maar ze gaven geen commentaar.

“Mag ik een paar foto’s maken?” vroeg Marieke.

“Natuurlijk, ga je gang. Veel valt er trouwens niet te zien. De steen, die de dader of daders door het raam hebben gegooid, is meegenomen naar het laboratorium, net als de resten van de Molotovcocktail.”

“Hoe zag die Molotovcocktail er precies uit?” wilde Remco weten.

“Gewoon, een wijnfles waarin waarschijnlijk benzine heeft gezeten.”

“Zat er een etiket op die fles?” vroeg Marieke.

“Waarschijnlijk niet, maar het kan ook zijn, dat die door de hitte is verbrand. Alleen de hals van de fles was heel, de rest was gebroken. Mijn mannen zijn onder anderen op zoek naar restanten van de fles en het etiket. Al wat gevonden, jongens?”

Eén van zijn collega’s kwam overeind en schudde zijn hoofd.

“Niks bijzonders.”

“Hopelijk geen waardevolle dingen,” zei Marieke. “Het zou sneu zijn als ze die kwijt zijn.”

Nadat Remco en Marieke wat hadden rondgekeken en Marieke een paar foto’s had gemaakt, vroeg rechercheur Bakker: “En, weten jullie al wie de dader is?”

“Toen u zojuist arriveerde, hadden we het er net over, dat het zo vreemd is dat voor dit lokaal is gekozen,” vertelde Marieke.

“Het is niet logisch,” voegde Remco er aan toe. “Dit lokaal ligt een behoorlijk eindje van de weg af, waardoor het lastiger is om weg te komen.”

“Maar als je in de buurt van de weg een lokaal in brand steekt, valt het meer op,” was één van de rechercheurs het niet met hem eens.

“Hier valt het ook op,” zei Remco. “Naast de school staan huizen en ik neem aan, dat de bewoners daarvan meteen gaan kijken, als ze glasgerinkel horen.”

“We hebben al een buurtonderzoek gedaan, maar dat heeft niets opgeleverd,” zuchtte rechercheur Bakker. “De helft van de mensen was niet thuis en de andere helft heeft niets gehoord of gezien. De brand werd om kwart over twaalf ontdekt en is waarschijnlijk rond de klok van twaalf uur aangestoken.”

“Dan is het geen wonder, dat niemand iets gehoord heeft,” stelde Marieke vast. “Bij al dat geknal van vuurwerk valt dat glasgerinkel vast niet op.”

“Precies!” zei Bakker grimmig. “En daarom is er maar één conclusie mogelijk. De brand is niet gesticht door een stel baldadige jongelui, maar door iemand die heel goed wist wat hij deed.”

“Een pyromaan!” fluisterde Remco.

“Jij zegt het!” knikte de rechercheur.

 

“Wat nu?” vroeg Marieke, toen ze een kwartier later weer buiten stonden.

Remco keek op zijn horloge.

“Zullen we kijken of we de directeur van de school te pakken kunnen krijgen?” stelde hij voor. “Misschien heeft hij een idee, wie het gedaan kan hebben.”

“We kunnen het proberen, maar ik denk niet dat het erg veel uithaalt. Als hij iets weet, had hij het vast wel aan de politie verteld.”

“We kunnen het in ieder geval proberen,” vond Remco. “Per slot van rekening verwacht Erik Drent van ons, dat we met een goed verhaal voor de krant van morgen thuiskomen.”

Het duurde even voordat de telefoon werd opgenomen.

“Met Wiskerke,” klonk het uiteindelijk korzelig.

“Met Remco Jongeneel, van het Christelijk Dagblad. We zouden u graag wat vragen willen stellen over de brand van gisteren in uw school.”

“Ik zou niet weten waarom ik met u zou moeten praten,” zei meneer Wiskerke stug. “Volgens mij schiet niemand daar iets mee op.”

“Wel als we daardoor misschien de dader kunnen achterhalen,” zei Remco vlug. Hij was bang, dat de man de hoorn op de haak zou gooien en dan konden ze een interview wel vergeten.

“Laat me niet lachen,” zei Wiskerke. “Iedereen kan het gedaan hebben. Dronken jongelui in de nacht van oud en nieuw, jullie kennen dat wel.”

“Niet iedereen heeft het gedaan en de dader was vast niet dronken. We hebben zojuist met rechercheur Bakker gesproken en samen zijn we tot de conclusie gekomen, dat de school met opzet als doelwit is gekozen. U weet toch, dat de school rond twaalf uur in brand is gestoken? Op dat tijdstip zijn de meeste mensen nog nuchter genoeg om te weten wat ze doen. Ik zou daarover heel graag met u van gedachten willen wisselen, kan dat?”

“Vooruit dan maar,” zuchtte de directeur. Ik wil niet dat morgen in de krant te lezen staat, dat ik weiger mee te werken aan het zoeken naar de daders.”

 

Niet veel later zaten ze in de huiskamer van de familie Wiskerke. Mevrouw Wiskerke bood koffie aan, maar verdween nadat ze die gezet had in de keuken. Gelukkig bleek de schooldirecteur heel wat minder chagrijnig dan hij door de telefoon had geklonken.

“Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt, en ik hoop het nooit meer mee te maken,” zei hij. “Gistermorgen werd ik gebeld door een collega, die me vertelde dat er brand geweest was in de school.”

“Door een collega?” vroeg Marieke verrast. “Niet door de politie?”

“Ik zat in Rotterdam,” legde Wiskerke uit. “Ik heb daar samen met mijn vrouw oud en nieuw gevierd bij mijn schoonouders. Ik neem aan, dat de politie geprobeerd heeft me thuis te bereiken, maar dat lukte uiteraard niet.”

‘In ieder geval één verdachte minder,’ constateerde Remco bij zichzelf. ‘Wiskerke heeft een alibi.’

“We hebben meteen onze spullen gepakt en zijn naar huis gegaan,” vervolgde hun gastheer. “Ik heb m’n vrouw en kinderen afgezet en ben zelf doorgereden naar het politiebureau. Samen met rechercheur Bakker ben ik daarna naar de school gegaan om de schade op te nemen.”

“Die lijkt gelukkig mee te vallen,” zei Remco meelevend. “Volgens meneer Bakker kunnen jullie volgende week weer gewoon aan het werk.”

“Alleen voor groep zeven wordt het een beetje behelpen, maar daar vinden we ook wel een oplossing voor.”

“Wat is dat eigenlijk voor groep?” wilde Remco weten.

“Waarom wil je dat weten?”

Remco bloosde, maar stelde zijn vraag toch: “Zou het kunnen dat één van de leerlingen uit die groep de brand heeft gesticht?”

“Diezelfde vraag stelde de politie me ook al. Helaas moest ik hem toen ook met ‘Ja’ beantwoorden. Groep zeven is een lastige groep, een heel lastige groep mag ik wel zeggen. Er zitten een stuk of vijf raddraaiers in, die de boel voortdurend op stelten zetten. Dat is al zo vanaf dat ze in groep drie zaten. Het vervelende is, dat ze met hun gedrag de hele sfeer in de klas bederven. Andere kinderen, die normaal gesproken helemaal niet zo zijn, worden daardoor ook steeds vervelender. Als ze niet meedoen, worden ze door de anderen zo verschrikkelijk gepest, dat ze geen leven meer hebben. Ze moeten dus wel meedoen.”

“Kunnen die vijf jongens niet worden aangepakt?” vroeg Marieke verbaasd.

“Het zijn drie jongens en twee meisjes,” vertelde Wiskerke. “We hebben al van alles en nog wat gedaan, om een eind te maken aan hun vervelende gedrag, maar helaas zonder resultaat.”

“Ik neem aan, dat u hun namen hebt doorgegeven aan de politie?” Het was meer een vaststelling van een feit dan een vraag.

“Ja, maar zonder resultaat. Ze waren alle vijf keurig thuis tijdens de jaarwisseling. De politie heeft overigens alle kinderen van groep zeven verhoord, behalve diegenen die met vakantie zijn.”

“En ze hadden allemaal een alibi?”

Meneer Wiskerke knikt instemmend.

“Kinderen van die leeftijd zwerven tijdens de jaarwisseling meestal nog niet ’s nachts over straat. Zeker niet als de klok twaalf slaat. Dan zijn ze thuis of bij vrienden en familieleden.”

Remco kon niet anders doen dan de man gelijk geven. Hij had gedacht de brandstichting simpel te kunnen oplossen. Ondervraag de kinderen uit groep zeven en je vindt vanzelf de dader.

“Hoe is de leerkracht van groep zeven eronder?” vroeg Marieke.

“Meneer Velvis? Die is volledig ingestort. Hij zat de laatste maanden toch al niet lekker in zijn vel en dit is de bekende druppel. Ik ben bang, dat hij voorlopig wel een tijdje uit de running is. Het zoveelste slachtoffer van de leerlingen van groep zeven. Ik het niet leuk dit te moeten zeggen, maar ik zal blij zijn, als ze over anderhalf jaar de deur van de basisschool voorgoed achter zich dichttrekken.”

“Het zoveelste slachtoffer?” vroeg Remco verbaasd.

“Je moet heel stevig in je schoenen staan, wil je het bij deze groep volhouden. De afgelopen jaren is het regelmatig gebeurd, dat leerkrachten zich ziek meldden, omdat ze niet in staat waren de klas in het gareel te houden.”

“Wat een toestand!” zei Remco. “Ik hoop, dat meneer Velvis er snel weer bovenop is.”

“Anders ik wel. Het zal duidelijk zijn, dat mijn invalkrachten ook niet in de rij staan om in groep zeven in te vallen.”

 

Met een diepe zucht stapte Remco even later in zijn oude Eend.

“Denk jij wat ik denk?” vroeg hij aan Marieke.

“Ik wil het niet denken!” antwoordde Marieke. “Hopelijk vergissen we ons.”

Remco haalde zijn mobieltje uit z’n jaszak en toetste het nummer van de krant in.

“Zou je een adres voor me op kunnen zoeken?” vroeg hij aan zijn collega die hij aan de telefoon had. “Ik ben op zoek naar een meneer Velvis in Veenendaal en omgeving.”

Nog geen minuut later kreeg hij antwoord. Er woonde maar één Velvis in Veenendaal. Hopelijk was hij de man die ze zochten.

Toen ze bij het huis waren aangekomen, zagen ze dat de gordijnen waren gesloten. Pas nadat Remco voor de derde keer had aangebeld, werd het raam boven hun hoofd opengeschoven.

“Laat me met rust!” schreeuwde de man. Zijn stem sloeg over. “Ik heb u niets nieuws te vertellen.”

“Hij denkt dat we van de politie zijn,” fluisterde Marieke.

Remco dacht razendsnel na.

“Wij zijn niet van de politie,” riep hij naar boven. “We zijn gekomen om u te helpen, meneer Velvis!”

“Ik heb geen hulp nodig!” Met een klap sloeg de overspannen leerkracht zijn raam dicht.

“Wat nu?” vroeg Marieke.

“Geen idee,” zei Remco eerlijk. “Maar dat deze man hulp nodig heeft lijkt me duidelijk.”

Op dat moment stopte er een auto achter Remco’s Eend. Rechercheur Bakker stapte uit, samen met een collega.

“Jullie hier?” vroeg hij verbaasd.

“Ik ben bang, dat meneer Velvis achter de brand zit,” legde Remco uit. Om er vlug aan toe te voegen: “Maar ik heb daarvoor geen enkel bewijs.”

“Wij wel,” zei de rechercheur. “Op de hals van de kapotte fles hebben we een paar vage, maar bruikbare vingerafdrukken gevonden. En weet je wat het vreemde was? Ze kwamen precies overeen met de vingerafdrukken die we op het bureau, de borstel en het schoolbord hebben gevonden. Zou u alstublieft aan de kant willen gaan, zodat wij ons werk kunnen doen?”

 

Vanaf een afstandje keken Marieke en Remco toe, hoe meneer Velvis door de politie werd afgevoerd. De man had zijn hoofd gebogen en hield de mouw van zijn jas voor zijn gezicht. Marieke overwoog even een foto te maken, maar besloot het niet te doen. Het zou weliswaar een primeur zijn voor het Christelijk Dagblad, maar niet één waar de lezers op zaten te wachten.

“Kom,” zei Remco, nadat de politieauto uit het zicht was verdwenen. “Laten we maar terug gaan naar Amersfoort.”

“Toch triest dat zoiets op een christelijke school is gebeurd,” zei Remco, terwijl hij koers zette naar de A12.

“Het zou op geen enkele school mogen voorkomen,” verbeterde Marieke hem. “Maar ik begrijp wel, wat je bedoelt. Juist de kinderen van christelijke ouders zouden beter moeten weten.”

“Ze horen het in ieder geval vaak genoeg,” zei Remco. “Thuis, zondags in de kerk, op school… Hopelijk dat de leerlingen van groep zeven nu eindelijk door krijgen, dat ze veel te ver zijn gegaan. Dan is al deze narigheid tenminste nog ergens goed voor.”

“Laten we dat inderdaad maar hopen,” zei Marieke. “Wat voor straf zou die meester krijgen?”

“Geen idee. Ik ben blij dat ik geen rechter ben, maar journalist.”

“Door de manier waarop wij in de krant schrijven, werken we mee aan het oordeel dat de mensen van iemand zoals Velvis vormen,” wist Marieke.

“Dan moeten we er in dit geval voor zorgen, dat de mensen na gaan denken over de gevolgen van pestgedrag op school,” was Remco van mening.

“Hoe wil je dat doen?”

“Gewoon, door de waarheid te vertellen. Deze school in Veenendaal is vast niet de enige, waar het mis gaat. Misschien leren ouders, leerkrachten en leerlingen in andere plaatsen er wat van.”

“Laten we dat dan maar hopen,” verzuchtte Marieke.


 

 

ONRUST OP BOSCHLUST

 

Het liep al tegen de middag toen Remco Jongeneel door de hoofdredacteur Erik Drent bij zich werd geroepen.

“Ga zitten,” zei Erik, toen Remco zijn kantoor binnenkwam.

“Hebt u me ergens voor nodig?” vroeg Remco.

Erik Drent knikte.

“Jij houdt van raadsels, hè?”

Remco schoot in de lach.

“Ik kan juist helemaal niet tegen raadsels,” grinnikte hij. “Daarom probeer ik ze altijd zo snel mogelijk op te lossen.”

“Mooi zo,” zei Erik. “Dan heb ik een leuk klusje voor je.”

“Ik neem aan, dat het met m’n werk voor de krant te maken heeft,” zei Remco.

“Natuurlijk, al denk ik niet, dat het dit keer een grote primeur zal opleveren.”

“U maakt me nieuwsgierig,” zei Remco.

“Luister. Mijn ouders hebben al jaren een stacaravan op een kleine camping op de Veluwe, in de buurt van Elspeet. Ze hebben er altijd met veel plezier gestaan, maar de laatste tijd gebeuren er allerlei vervelende dingen. Ze overwegen daarom de caravan te verkopen en een andere camping te zoeken. Dat zou ik heel jammer vinden, want ze komen daar al jaren en kennen ook de meeste vaste campinggasten.”

“Wat voor vervelende dingen?” wilde Remco weten.

“Dat kunnen m’n ouders je beter zelf vertellen.”

“U wilt dus dat ik daar een kijkje ga nemen?”

“Graag. Het is momenteel niet zo druk, dus als je zou willen…”

“Waarom gaat u zelf niet?” flapte Remco eruit.

“Omdat ik verantwoordelijk ben voor de krant, die morgen bij de lezers op de mat ligt.”

“Mag Marieke mee?”

“Van mij wel. Twee zien meer dan een en jullie worden niet voor niets ‘Het Team’ genoemd,” zei Erik Drent.

 

Een uur later waren Remco en Marieke onderweg. Het was stralend weer en Remco had het dak van zijn oude, Lelijke Eend opengeschoven. Hij vermeed de A28 en reed langs allerlei mooie boswegen naar het adres dat Erik hem had gegeven.

“Ik kan me slechtere manieren bedenken om m’n geld te verdienen,” zei Marieke lachend. “Ik hoop, dat we everzwijnen zien. Daar lopen er hier toch veel te veel van rond?”

“Ik denk niet dat we die beesten te zien krijgen,” zei Remco. “Daar zijn ze te schuw voor. Volgens mij zie je die dieren alleen ’s nachts en ’s morgens vroeg. Ik zou trouwens liever geen woedend everzwijn tegenkomen.”

“Ik ook niet,” gaf Marieke toe. “Kijk, daar moeten we heen.”

Aan de kant van de weg stonden twee borden onder elkaar. Op de ene stond het tekentje van een camping, met daaronder Boschlust, op het andere waren een stel huisjes getekend met daaronder de tekst Recreatiepark De Bosrand. Een pijl eronder wees naar rechts.

“Lekker toeristisch hier,” constateerde Marieke.

Boschlust bleek een kleine, gemoedelijke camping te zijn. Er was wel een slagboom, maar die stond uitnodigend open.

“Wat doen we?” vroeg Remco, terwijl hij uitstapte. “Gaan we eerst naar Eriks ouders of naar de campinghouder?”

“Laten we eerst maar naar de campingbaas gaan,” vond Marieke. “Misschien vindt hij het wel helemaal niet leuk, als we zomaar op zijn camping rondneuzen.”

Samen liepen ze naar een gebouw, waar boven de deur een houten plank was bevestigd, waarop met grote krulletters stond: ‘RECEPTIE’. In het kantoortje was niemand, maar gelukkig ontdekte Remco een bel op de balie. Hij drukte erop, maar er volgde geen reactie. Pas nadat Remco voor de tweede keer had gebeld verscheen er een man. Hij gaapte zo hartgrondig, dat Remco en Marieke in de lach schoten.

“Sorry,” zei de man. “Ik heb de afgelopen nachten geen oog dichtgedaan en was daardoor op m’n stoel in slaap gevallen.”

“Heeft dat te maken met de vervelende gebeurtenissen van de afgelopen tijd?” vroeg Remco.

De campingbaas was meteen klaarwakker.

“Wat weten jullie daarvan?” vroeg hij nijdig.

Haastig legde Remco uit, wie ze waren en waarom ze naar de camping waren gekomen.

“Kom maar even mee naar achteren,” zei de man, “daar kunnen we rustig praten. Trouwens, mijn naam is Jaap, Jaap Bos.”

“Met sch?” vroeg Remco.

De campingbeheerder schudde zijn hoofd: “Gewoon met een s. Vroeger stond hier een huis met de naam Boschlust. Met sch, omdat bos vroeger zo werd geschreven. Dat ik Bos heet is puur toeval.”

“Wat voor vervelende dingen gebeuren er allemaal?” vroeg Marieke toen ze eenmaal zaten.

“Allemaal kleine en grotere pesterijen,” vertelde meneer Bos. “We hebben een heleboel vaste gasten die hier een stacaravan hebben. Daarvan worden ruiten ingegooid, tuintjes omgewoeld, tuinkabouters vernield, hekjes omgetrapt en meer van dat soort vervelende dingen. Veel gasten zijn hier alleen in het weekend, maar dan gebeurt er nooit wat. De dader kiest altijd caravans uit, waarvan de eigenaren er niet zijn. Ook gebeurt het regelmatig dat de haringen van tenten uit de grond worden getrokken als het regent, zodat de hele boel kletsnat wordt.”

“Wie doet er nu zoiets?” vroegen Remco en Marieke precies tegelijk.

“Als ik dat wist, was het probleem snel opgelost,” zei Jaap Bos. “Ik heb werkelijk geen idee. Geloof me, ik heb er heel wat voor over de dader op heterdaad te betrappen. Maar ik kan onmogelijk dag en nacht wakker blijven. Blijkbaar ruikt de dader wanneer ik lig te slapen, want dan slaat hij toe.”

“Kunnen het geen everzwijnen zijn?” vroeg Remco. “Als ik het goed heb begrepen, lopen er teveel van die dieren rond op de Veluwe en zorgen ze voor de nodige overlast.”

“Heb jij ooit een everzwijn een raam in zien gooien?” vroeg Marieke spottend.

“Het zijn geen everzwijnen,” gaf Jaap Marieke gelijk. “In het verleden hebben we daar wel eens last van gehad. Daarom hebben we een hek om de camping geplaatst en bij de ingangen wildroosters laten maken.”

“Er zijn dus meerdere ingangen,” stelde Remco vast.

“Klopt! Behalve de hoofdingang is er ook nog een achteringang. Die is alleen bedoeld voor voetgangers, die een boswandeling willen maken. Vroeger was het gewoon een opening in de omheining met een wildrooster, maar nadat de ellende is begonnen, heb ik er een hek in gemaakt. ’s Avonds om half elf gaat de boel op slot en ’s morgens om een uur of zeven maak ik het hek weer open. De campinggasten weten dat.”

“En de hoofdingang, wordt die ook afgesloten?” wilde Remco weten.

“Na tienen mogen er geen auto’s op het terrein rijden. Dan is de slagboom dicht. Maar lopend of op de fiets kun je dag en nacht de camping op en af. We zijn een camping, geen concentratiekamp.”

“Vervelend allemaal,” leefde Marieke mee. “Iedereen kan het dus gedaan hebben.”

“Hebt u met iemand ruzie?” vroeg Remco. “Een vroegere campinggast, die u hier hebt weggestuurd of zoiets?”

“Ik zou het echt niet weten! Het is minstens zes jaar geleden dat ik een stel baldadige jongens van de camping heb weggestuurd, omdat ze iedere nacht de boel op stelten zetten. Later heb ik trouwens van één van hen een excuusbrief gekregen. Verder zou ik het echt niet weten.”

“En één van de vaste campinggasten?” opperde Marieke.

“Dat kan ik me nauwelijks voorstellen. Als er problemen zijn, lossen we die samen op, zo werkt dat hier.”

“We moeten uit zien te vissen, wie er belang bij heeft, uw camping een slechte naam te bezorgen,” zei Remco. “Anders zou ik het ook niet weten. Zijn er hier andere campings in de buurt?”

Jaap Bos schoot in de lach.

“Het wemelt op de Veluwe van de campings. Vaak zijn die veel groter dan de mijne. Ik kan me niet voorstellen, dat één van mijn collega’s mij probeert weg te pesten, zodat hij meer klanten krijgt. Zomers zijn bijna alle campings vol, dus daar kan het ook niet aan liggen,” zuchtte Jaap.

“Er moet toch een motief zijn!” zei Remco.

“Daar komen we waarschijnlijk pas achter, als we de dader te pakken hebben,” zei Marieke. “We moeten proberen hem op heterdaad te betrappen.”

“Of haar! Het kan ook een vrouw zijn!” zei Remco.

“Vrouwen doen zoiets niet!”

Marieke zei het zo stellig, dat Jaap Bos in de lach schoot.

“De tijd zal het leren! Maar als ik het goed begrijp, willen jullie me dus helpen!”

“Natuurlijk!” zei Remco. “Ik heb een plan!”

 

Omdat ook het gesprek met Eriks ouders niets had opgeleverd fietsten twee weken later in de loop van de middag vier jongelui het campingterrein van Boschlust op. Hun fietsen waren afgeladen met een paar lichtgewicht tentjes, slaapzakken, luchtbedden en andere kampeerspullen. Het waren Remco en Marieke, samen met Remco’s tweelingbroer en –zus Christiaan en Christine.

Vrolijk pratend en lachend liepen ze naar de receptie. Remco deed het woord.

“Hebt u nog een plaats voor ons vrij?” vroeg hij aan het meisje, dat achter de balie van de receptie zat.

“Sorry,” zei het meisje. “In principe zijn wij een gezinscamping. Er kamperen hier voornamelijk ouderen en gezinnen met jonge kinderen. Voor jongelui valt hier weinig te beleven. Een paar kilometer verderop is een veel grotere camping. Daar hebben ze een apart veld voor jongeren. ’s Avonds is daar ook een disco en er worden allerlei sportieve activiteiten georganiseerd. Misschien kunnen jullie het daar proberen.”

Geschrokken keken Remco en Marieke elkaar aan. Hier hadden ze niet op gerekend.

“Wij willen helemaal niet naar de disco,” zei Marieke. “We zijn hier juist naartoe gekomen voor de rust en om te genieten van de natuur.”

“Hebben jullie een radio of zoiets bij jullie?” vroeg het meisje.

Remco schudde zijn hoofd.

“We zouden het heel erg fijn vinden, als je voor ons een uitzondering wilt maken,” zei hij. “We zullen ons echt heel netjes gedragen.”

“Wat mij betreft mogen jullie hier kamperen, maar ik denk niet, dat meneer Bos het goed vindt,” aarzelde het meisje.

“Daar kunnen we maar op één manier achter komen,” zei Remco. “Zou je het hem willen vragen?”

“Ik wil het wel doen, maar reken er maar niet teveel op.” Fluisterend voegde ze er aan toe: “M’n baas heeft de laatste tijd een humeur om op te schieten.”

“Hoe komt dat?” vroeg Christiaan met een effen gezich

“Dat doet er niet toe,” zuchtte het meisje. “Wachten jullie even, dan ga ik hem bellen.”

Ze tikte een nummer in en draaide zich daarna om. Zachtjes begon ze te praten. Remco en de anderen deden net alsof ze niet mee wilden luisteren en liepen naar het raam. Pas toen het meisje de hoorn weer had neergelegd liepen ze terug naar de balie.

“Meneer Bos komt eraan,” zei ze. “Voordat hij een besluit neemt, wil hij eerst zien wat voor vlees hij in de kuip heeft.”

 

Meneer Bos arriveerde vijf minuten later. Zoals afgesproken deden ze allemaal net alsof ze elkaar niet kenden. Nadat hij het viertal de hand had geschud, vroeg hij: “Hoelang zijn jullie van plan te blijven?”

“Dat hangt er vanaf,” zei Remco, “maar waarschijnlijk zijn we binnen een paar dagen weer vertrokken.”

“Goed,” zei meneer Bos, “ik wil het wel met jullie proberen, maar zodra ik merk dat jullie overlast veroorzaken, moeten jullie vertrekken.”

“Van ons zullen jullie geen last hebben,” beloofde Marieke.

 

Drie kwartier later stonden de twee tenten en waren Marieke en Christiaan bezig met het avondeten.

“Hadden we niet beter gewoon tegen het meisje kunnen zeggen, dat we hierheen zijn gekomen om een eind te maken aan alle ellende van de laatste tijd?” vroeg Christine zich hardop af.

“Dat leek ons niet verstandig,” vertelde Remco. “Hoe minder mensen weten waarom we hier zijn, hoe beter het is.”

“Ik ben blij dat we hier hopelijk niet al te lang hoeven te staan,” zei Christiaan. “Dit is waarschijnlijk de saaiste camping waar ik ooit heb gekampeerd.”

“Wat dat betreft is het wel goed, dat het meisje ons waarschuwde,” zei Marieke.

Na het eten liepen ze samen een rondje over de camping. Christiaan gaapte verstolen achter zijn hand.

“Wakker blijven, broertje,” plaagde Remco. “We hebben nog een lange nacht voor de boeg.”

“Ik hoop, dat die vandaal vannacht toeslaat,” zei Christine. “Dan kunnen we morgen weer naar huis.”

“St!” waarschuwde Remco. “Het is niet de bedoeling dat de mensen weten waarom we hier zijn.”

“Eigenlijk had Erik Drent hier ook moeten zijn,” vond Marieke. “Hij zij wel erg gretig ‘Ja’ toen wij voorstelden hier een paar nachten te gaan posten.”

“Eerlijk gezegd kan ik me Erik Drent niet echt in een tent voorstellen,” zei Remco. “Volgens mij vindt hij kamperen veel te primitief.”

“Geef hem eens ongelijk,” zei Marieke. “Ik vind het eigenlijk ook maar niks. Vooral als het regent is kamperen helemaal niet leuk.”

 

Terug bij de tenten namen ze voor de laatste keer hun plan door. Twee aan twee zouden ze die nacht over de camping sluipen, in de hoop de onruststoker op heterdaad te betrappen. Zodra één van de twee paartjes iets verdachts opmerkte, zouden ze de anderen waarschuwen met behulp van hun mobieltjes. Het geluid daarvan hadden ze afgezet; de trilfunctie was voldoende.

Om tien uur zochten ze de douchehokken op. Daarna kropen Christine en Marieke in de ene tent en Remco en Christiaan in de andere. Jaap Bos had hen verteld dat de man of vrouw die de boel vernielde altijd pas na middernacht toesloeg.

Precies om twaalf uur ritsten ze voorzichtig hun tent weer open. De tweeling ging de ene kant op, in de richting van de ingang van de camping. Remco en Marieke slopen naar het gedeelte van de camping waar de stacaravans stonden, omdat de vernielingen daar het vaakst plaatsvonden.

De camping lag er verlaten bij. Langs de weggetjes en paden brandden lantaarns, maar bijna alle stacaravans waren donker. De bewoners sliepen of waren er niet.

Marieke en Remco probeerden zoveel mogelijk in de schaduw te blijven, zodat de man of vrouw die de boel vernielde hen niet zou opmerken.

Het werd een lange nacht en er gebeurde niets. De enige levende wezens die Remco en Marieke zagen, waren konijntjes die bij het licht van de maan op de grasvelden rond hipten. Teleurgesteld zochten ze om een uur of vijf hun tenten weer op. Het zou niet lang meer duren voordat de zon opkwam en de kans dat de vandaal zou toeslaan was nu wel heel klein.

Christiaan en Christine waren ook net terug.

“Tjonge, wat ben ik blij dat het er op zit!” zuchtte Christiaan. “Ik dacht dat we een avontuur gingen beleven!”

Remco schoot in de lach.

“Avonturen komen meestal niet op bestelling,” zei hij. “Laten we maar gauw naar bed gaan, morgen praten we wel verder.”

Hoewel hij bekaf was, kon Remco de slaap niet vatten. Er was iets, iets belangrijks, maar hij wist niet wat. Toen hij eindelijk in slaap viel, droomde hij van een woeste achtervolging door de bossen achter de camping. Toen hij de dader eindelijk te pakken had, bleek het Erik Drent te zijn, die hem uitlachte en zei, dat het allemaal een grap was.

 

Pas om een uur of elf kwam er weer wat beweging in de twee tentjes. Drie kwartier later zaten ze aan een laat ontbijt, dat ze maar meteen met het middageten combineerden.

“Wat een dooie bedoening was dat vannacht,” zei Christiaan met volle mond. “Het leek wel of alle caravans onbewoond waren.”

Remco verslikte zich bijna in zijn boterham met gebakken ei. Dat was het!

“De dader staat hier op de camping!” zei hij, toen hij zijn mond leeg had.

“Hoe weet je dat opeens zo zeker?” vroeg Christine.

“Jaap Bos vertelde ons, dat de dader altijd caravans uitkiest, waar niemand thuis is,” legde Remco uit. “Hij moet dus weten, welke gasten er wel en welke er niet zijn. Ik zag vannacht geen verschil tussen de bewoonde en onbewoonde caravans. Jullie wel?”

De drie anderen schudden hun hoofd.

“Iemand die hier niet iedere dag rondloopt, kan nooit zeker weten of er iemand in een caravan ligt te slapen, tenzij hij er met zijn neus bovenop heeft gestaan!” zei Remco triomfantelijk.

“Dan hoeven wij vannacht dus niet bij de ingang te posten,” bedacht Christine. “We kunnen ons dan alle vier tussen de stacaravans verstoppen. Des te groter is de kans dat we de dader snappen.”

Remco knikte instemmend.

“Hopelijk slaat hij vannacht wel toe,” zei hij. “Ik moet er niet aan denken nog een nacht voor niets buiten rond te scharrelen.”

 

Klokslag twaalf die nacht gingen ze weer op pad. ’s Middags hadden ze nog een rondje over de camping gelopen en gekeken welke caravans bewoond werden. Die caravans zouden ze extra in de gaten houden, omdat de dader hoogstwaarschijnlijk uit één ervan zou komen. Deze keer bleven ze niet met z’n tweeën bij elkaar, maar zochten ze elk een eigen plekje op.

Remco huiverde in het donker. Hij stond tegen een dikke boom geleund. Allemaal hadden ze donkere kleren aangetrokken, zodat ze minder zouden opvallen.

Tegen tweeën hoorde hij een geluid. Het kwam uit de richting van het hek dat de camping van het bos scheidde. Terwijl hij in de richting van het geluid begon te sluipen, trilde de telefoon tegen zijn rechterbeen. Blijkbaar was hij niet de enige die iets had gehoord. Des te beter, dan was hij niet alleen als hij probeerde de laffe vandaal te overmeesteren.

Bij het hek aangekomen, zag hij niemand. Het geluid kwam niet vanaf de camping, maar van buiten het hek. Onder de bomen bewoog iets.

Remco schrok zich een hoedje, toen hij opeens een hand op zijn schouder voelde.

“Zie je iets?” fluisterde Christiaan.

“Daar, onder de bomen beweegt wat!” wees Remco.

“Een everzwijn!” zei Christiaan opgewonden.

“Allemaal leuk en aardig,” zei Remco. “Maar ik had toch liever gehad dat het onze dader was.”

Op dat zelfde moment klonk achter hen glasgerinkel, gevolgd door een kreet: “Houdt hem!”

“Christine!”

Zo snel ze konden renden de broers in de richting van het geluid.

“Wacht!” zei Remco opeens. Haastig trok hij Christaan mee achter een boom, die naast het pad stond. “Hij komt deze kant op.”

Christiaan hoorde het nu ook. Over het pad naderde iemand. Zijn snuivende adem en rennende voetstappen waren duidelijk te horen.

“We pakken hem van achteren, als hij lang komt!” siste Remco.

Hij was nog maar nauwelijks uitgesproken toen de man passeerde. Remco wilde hem grijpen, maar Christiaan was hem voor. Met een tackle die hem op het voetbalveld een bloedrode kaart op zou leveren, vloerde hij de vluchteling. De man viel, maar probeerde meteen weer overeind te komen. Zover liet Christiaan het niet komen. Hij ging bovenop de rug van de man zitten, zodat die geen kant meer op kon.

“Hij ging die kant op!” hoorden de jongens in de verte Marieke roepen.

“We hebben hem,” riep Remco terug. “Ga meneer Bos halen en waarschuw de politie.”

“Geen politie,” kreunde de man.

“Vanaf nu bepalen wij wat er gebeurt!” zei Remco scherp. “Het is afgelopen met uw valse spelletjes!”

 

Een kwartier later zaten ze met z’n zessen in de kantine. Remco en Christiaan zaten elk aan een kant van de betrapte dader. Het was een man van een jaar of zeventig. Hij zag er verschrikkelijk uit. Bij de val was hij tegen een boomstronk geklapt, waardoor hij een dikke buil op z’n voorhoofd had. De broek van zijn trainingspak was gescheurd en zat vol groene en bruine vegen. Met gebogen hoofd zat hij somber voor zich uit te staren.

Vol ongeloof schudde Jaap Bos zijn hoofd.

“Meneer Groen!” zei hij voor de zoveelste keer. “Ik kan het nog steeds niet geloven! Hoe lang staat u hier al niet op de camping?”

“Twaalf jaar.” Het antwoord van meneer Groen was nauwelijks te verstaan.

“Waarom hebt u het gedaan?” was Jaap Bos’ volgende vraag.

“Ik ben stom geweest!” fluisterde meneer Groen.

“Dat is wel duidelijk!” zei Remco. “Maar daarmee hebben we geen antwoord op onze vraag.”

“Mijn caravan staat op instorten en ik heb geen geld om een nieuwe te kopen,” zei meneer Groen.

“En uit jaloezie vernielt u daarom de caravan van uw buren!? Belachelijk!” zei Jaap Bos kwaad. “Hoe kunt u! Zondags zit u met een schijnheilig gezicht vlak bij ons in de kerk, om er vervolgens ’s nachts op uit te gaan. Wat bent u voor een christen?”

“Ik weet niet wat me bezielt,” gaf Groen toe. “Iedere keer denk ik weer: ik doe het niet, maar dan belt m’n opdrachtgever weer. Hij belooft me gouden bergen en daarom ga ik ’s nachts toch weer op pad.”

“Opdrachtgever?” vroeg Christine verbaasd. “U doet het dus niet uit u zelf!”

“Van wie moet u de boel hier slopen?” zei Jaap Bos. Aan zijn toon was duidelijk te horen, dat die persoon voorlopig maar beter uit de buurt kon blijven.

Meneer Groen antwoordde niet, maar keek naar de grond.

“Ik denk dat ik het wel weet!” zei Remco tegen Jaap Bos. “Volgens mij zitten uw buren hier achter.”

“Mijn buren?” vroeg de campinghouder verbaasd.

“Ja, die lui van dat bungalowpark De Bosrand! Die lui willen vast uitbreiden, maar omdat ze geen bos mogen kappen, willen ze dit terrein kopen!” zei Remco.

“Je slaat de spijker op z’n kop,” mompelde meneer Groen.

“En u krijgt er geld voor, als u er voor zorgt dat meneer Bos zijn camping wel moet verkopen!” begreep Marieke.

“Geen geld, maar een huisje op De Bosrand, op de plaats waar nu m’n caravan staat.”

“Waarom bent u niet bij mij gekomen, om over de problemen met uw caravan te praten?” vroeg Jaap Bos. “U weet toch dat ik ’s winters, als het rustig is op de camping, bewoners help met klusjes aan hun caravans?”

“Ik weet werkelijk niet, wat me bezield heeft,” zei meneer Groen. “Wilt u me alstublieft vergeven?”

‘Dat gaat wel erg gemakkelijk!’ dacht Remco.

“U moet niet alleen aan mij, maar ook aan Iemand anders vergeving vragen,” zei Jaap Bos. “Ik denk, dat u wel weet Wie ik bedoel.”

Meneer Groen knikte nauwelijks merkbaar. Er glinsterden tranen in zijn ogen.

“Wat doen we nu?” vroeg Marieke. “Hebt u de politie al gewaarschuwd?”

“Nog niet. Laten we eerst maar gaan slapen, dan zien we morgen wel verder. Ik neem aan, dat u uw lesje inmiddels geleerd heb, meneer Groen?”

Opgelucht kwam meneer Groen overeind.

“Ik zal alle schade vergoeden,” beloofde hij.

“Doe geen beloften die u niet waar kunt maken!” waarschuwde Jaap Bos. “Morgen spreken we elkaar wel weer. Heel hartelijk bedankt, jongens. Dankzij jullie kunnen de bewoners van Boschlust voortaan weer rustig slapen.”

“Slapen!” gaapte Christiaan. “Ik kan me op dit moment niets beters bedenken!”




    WATER IN  DE POLDER

De ruitenwissers van de oude Eend van Remco Jongeneel konden de grote hoeveelheid water nauwelijks verwerken. De felle zuidwestenwind deed verwoede pogingen de auto omver te blazen. De Eend, toch al geen raceauto, reed nauwelijks zestig over de dijk langs het Haringvliet.

“Als Erik Drent nog eens wat weet...,” verzuchtte Marieke Wielinga. “Als het aan mij ligt, rijdt hij de volgende keer zelf naar een uithoek om foto's te maken.”

“Tja,” zei Remco, terwijl hij ternauwernood een grote plas wist te ontwijken, “ik vind het ook niet leuk. Maar eigenlijk zit je op de verkeerde te mopperen. Erik Drent kan er ook niets aan doen dat we hier naar toe moeten.”

Marieke schoot in de lach.

“Dat denk ik ook niet,” gaf ze toe. “Het zou me verbazen als hij weet hoe hij een graafmachine moet bedienen.”

“We zijn er!” zei Remco. Ze konden niet verder.

Midden op de dijk stonden een paar roodwitte hekken, met een bord eraan: Verboden voor alle verkeer.

Opgelucht parkeerde hij zijn auto aan de rand van de dijk.

“Laten we ons eerst maar in onze regenpakken hijsen,” stelde Marieke voor. “Dan blijven we misschien nog een beetje droog.”

Met de nodige moeite wurmden Remco en Marieke zich in hun regenjassen en -broeken. Het portier van de Eend waaide Remco bijna uit z'n handen, toen hij uitstapte.

“Hopelijk worden we niet gelijk weggestuurd!” Remco moest roepen om zich boven de storm verstaanbaar te maken.

“Ik ben bang dat er met dit weer weinig van m'n foto’s terecht komt,” riep Marieke terug.

Even bleven ze staan. Door de storm werd het water in het Haringvliet opgezweept. Het kleine eiland Tiengemeten was door de dichte regenval niet veel meer dan een grijze vlek.

“Laten we maar gaan!” stelde Marieke voor. “Straks wordt mijn fototoestel nog nat!”

Samen liepen ze langs de hekken over de dijk naar het westen. Links van hen sloeg het water van het Haringvliet tegen de dijk en ook rechts van hen, binnendijks, stond de boel blank.

“Er is veel meer water binnengekomen dan ik verwacht had,” constateerde Remco verwonderd.

Al gauw naderden ze de plaats van bestemming. Een grote, ronkende vrachtwagen blokkeerde de hele weg. Marieke en Remco konden er nauwelijks langs.

Nadat ze de vrachtwagen gepasseerd waren, floot Remco verbaasd tussen zijn tanden. Voor hen hield de weg abrupt op en gaapte een gat van een meter of vijf diep en minstens drie meter breed. Vanuit het Haringvliet kolkte het water de polder in.

Aan de voet van de dijk, tot aan de assen in het water, stond een grote, gele graafmachine.

“Onvoorstelbaar!” mompelde Remco. “Wie doet er nu zoiets?”

“Dat zouden wij ook wel willen weten!” Van achter de vrachtwagen kwam een man naar het tweetal toe. “Wie zijn jullie eigenlijk en wat komen jullie hier doen?”

Voordat Remco de vragen van de man kon beantwoorden, vroeg Marieke: “Wat is er precies gebeurd?”

“Ik heb jullie een vraag gesteld!” zei de man scherp. “Wie zijn jullie? Volgens mij hebben jullie hier niets te zoeken!”

“Wij werken voor het Christelijk Dagblad,” zei Remco vlug. “Mijn naam is Remco Jongeneel en dat is mijn collega Marieke Wielinga.”

“Wij hebben hier geen pottenkijkers nodig!”

“Dat snappen wij ook wel,” zei Marieke. “Maar we vonden het bericht, dat we binnenkregen op het kantoor van de krant, zo vreemd, dat we meteen hierheen zijn gereden.”

“Vreemd is veel te zwak uitgedrukt. Als ik de kerel die dit gedaan heeft in handen krijg…” De toon van de man beloofde weinig goeds voor de dader.

“Weet u zeker dat het een man is?” wilde Marieke weten.

“Zeker is het niet,” gaf de man toe, “maar ik ken maar weinig vrouwen die een graafmachine kunnen bedienen.”

“Wat is er nu eigenlijk precies gebeurd?” vroeg Remco.

“Vannacht heeft één of andere onverlaat met die graafmachine een gat in de dijk gegraven,” legde de man uit. “De gevolgen waren rampzalig. De felle westenwind, die toch al tegen de dijk beukte, stuwde het water door de opening, waardoor die heel snel groter werd. Voordat er alarm werd geslagen, stond er al heel wat water in de polder. We proberen nu het gat te dichten, maar dat moet op een vakkundige manier gebeuren. We kunnen wel een aantal vrachtwagens met zand in de opening gooien, maar daarvan wordt minstens de helft gelijk weer weggespoeld.”

“Hoe lossen jullie het dan op?” vroeg Remco nieuwsgierig.

“Er worden zandzakken gehaald en vanuit de wijde omgeving worden vrijwilligers opgetrommeld, om te helpen het zand in de zakken te doen. Die volle zakken worden dan in de opening gestapeld. Als het goed is, kunnen we op die manier het gevaar voorlopig keren. Later, als de storm is gaan liggen, wordt de dijk pas echt hersteld.”

“Jullie hebben dus geen idee, wie de dader is,” stelde Marieke vast.

De man schudde zijn hoofd.

“En die machine dan?” Remco wees naar de machine onder aan de dijk. “Die moet toch van iemand zijn?”

“Klopt,” knikte de man. “Uiteraard is de politie meteen op zoek gegaan naar de eigenaar. Jammer genoeg liep dat spoor dood. De machine stond een kilometer of tien hier vandaan geparkeerd bij een bouwterrein. Daar werd hij gebruikt om de boel bouwrijp te maken. Het is een nieuw industrieterrein, een eindje bij de bewoonde wereld vandaan. Overdag is het er een drukte van belang, maar ’s avonds is daar niemand.”

“En de dader heeft die graafmachine zo meegenomen?” Marieke geloofde haar oren niet.

“Dat klopt, ja. Daarom weten we ook wel bijna zeker, dat het iemand is die gewend is met grote machines om te gaan. Er zat geen contactsleuteltje in, maar dat was voor de dader blijkbaar geen probleem. Waarschijnlijk is hij onder het dashboard gekropen en heeft op die manier contact gemaakt. Daarna is hij hierheen gereden en begonnen met graven. Zeker weten we dat niet, want we hebben nog geen tijd gehad om in de graafmachine te kijken.

“Waarom is hij juist hier gaan graven?” onderbrak Remco de man. “Als ik het goed begrijp, heeft hij eerst een heel eind over de dijk gereden, voordat hij hier was.”

“Geen idee,” zei de man eerlijk. “Waarschijnlijk komen we daar pas achter, als de politie die kerel heeft ingerekend.”

“Maar tot nu toe is het dus nog een raadsel. Kan één van de mensen, die bezig zijn met de aanleg van dat nieuwe industrieterrein, het gedaan hebben?” vroeg Marieke zich hardop af.

“Iedereen kan het gedaan hebben, dat is juist zo frustrerend.”

“En het kan zo weer gebeuren! De politie kan moeilijk alle dijken van de Hoeksche Waard dag en nacht gaan bewaken,” bedacht Remco.

Over de dijk aan de andere kant van het gat naderde een kleine colonne.

“Daar zijn de hulptroepen,” zei de man tevreden. “Hopelijk lukt het ons nu snel het gat te dichten!”

“Zullen wij ook helpen?” vroeg Remco aan Marieke.

“Ik ben bang dat het weinig nut heeft, als ik help met het vullen van zandzakken,” zei Marieke eerlijk. “Zo sterk ben ik niet. Ik denk dat het handiger is als ik probeer wat foto’s van de werkzaamheden te maken. Maar als jij je handen wilt laten wapperen, moet je dat vooral niet laten.”

Remco dacht even na.

“We staan aan de verkeerde kant. Ik zou niet weten hoe ik daar zou moeten komen zonder doornat te worden. Ik denk dat het handiger is dat we, nadat jij je foto’s hebt gemaakt, naar een dorp hier in de buurt gaan. Misschien kunnen de bewoners ons daar wat wijzer maken.”

“Dat waag ik te betwijfelen,” zei Marieke, “maar we kunnen het allicht proberen.”

 

Het kostte Marieke de nodige moeite foto’s van de werkende mannen te maken. Het regende nog steeds en Marieke wilde ze niet dat haar dure fototoestel nat werd. Uiteindelijk bood de chauffeur van de vrachtwagen haar aan vanuit de cabine door de open deur foto’s te maken.

Eerst maakte Marieke een aantal foto’s van de vrijwilligers, die meteen na aankomst waren begonnen met het volscheppen van de zandzakken. De volle zakken werden netjes aan de rand van het gat gelegd. Pas als er een grote stapel gevuld was, zouden ze in opening worden opgestapeld.

Nadat ze klaar was met de zakkenvullers, zoomde Marieke in op de gele graafmachine. Tot haar verbazing zag ze dat een wit A4-tje aan de binnenkant op de voorruit geplakt zat. Haastig maakte ze er een paar foto’s van. Daarna riep ze Remco.

“Moet je kijken,” zei ze, terwijl ze hem het beeld van de graafmachine toonde. “Wat zou dat zijn, achter die voorruit?”

“Geen idee,” antwoordde Remco eerlijk. “Misschien heeft de politie een bericht opgehangen, waarop staat dat iedereen overal moet afblijven. Ik denk niet, dat ze al tijd hebben gehad de graafmachine uitgebreid op sporen te onderzoeken.”

“Dat zou kunnen, maar ik zie verder nergens roodwit lint of zo,” aarzelde Marieke.

“Ik zal proberen daarachter te komen,” beloofde Remco. Hij was allang blij, dat hij ook iets doen kon.

Haastig liep hij naar een politieman, die samen met de man die ze eerder hadden gesproken aan de rand van de opening stond.

“Hebben jullie de graafmachine al onderzocht?” vroeg hij, nadat hij zich had voorgesteld.

“Nog niet. We hebben wel wat anders aan ons hoofd. Eerst moet dat gat dicht. Die graafmachine loopt niet weg. Daar komt bij, dat we geen van allen laarzen bij ons hebben. We onderzoeken die machine wel als we het water uit de polder hebben gepompt.”

Remco had genoeg gehoord. Terwijl hij terugliep naar Marieke werkten zijn hersens op volle toeren. De kans was groot, dat er in de cabine van de graafmachine een aanwijzing was te vinden over de dader of zijn motieven. Het probleem was alleen dat hij, net zo min als de agenten, laarzen bij zich had.

“En?” vroeg Marieke zodra ze Remco weer zag.

“Ze zijn er nog niet aan toe gekomen om de graafmachine te onderzoeken.”

“Dus dat papier is daar niet door politiemensen opgehangen,” stelde Marieke vast.

“Klopt! En ik wil weten wat erop staat!” Even aarzelde Remco, toen begon hij in de luwte van de vrachtwagen zijn regenbroek uit te trekken. Zijn gewone broek en sokken volgden, waarna hij de regenbroek en zijn schoenen weer aantrok. Zijn sokken en lange broek gaf hij aan Marieke.

“Wil je deze onder je jas stoppen?” vroeg hij. “Ik ga proberen in de graafmachine te komen.”

“Ik vraag me af of dat lukt,” zei Marieke. “Je kunt niet zien waar je loopt. Misschien zit er wel een sloot onderaan de dijk.”

“Dat denk ik niet, want dan had de dader de graafmachine daar ook niet naar toe kunnen rijden,” zei Remco.

Omdat hij bang was, dat hij zich misschien nog zou bedenken, begon hij voorzichtig de dijk af te klauteren. Bij de rand van het water aangekomen, trok hij zijn schoenen uit en stak die in de ruime zakken van zijn regenjas.

‘Ik hoop niet dat er prikkeldraad onder het water verborgen zit,’ dacht hij, terwijl hij voorzichtig met zijn linkervoet het wateroppervlak beroerde. Hij rilde toen hij merkte dat het water nog kouder was dan hij had verwacht.

‘Doorzetten!’ hield hij zichzelf voor. ‘Je hebt A gezegd, dus je moet ook B zeggen. Anders ga je tegenover Marieke af als een gieter! In het zwembad kun je er ook het beste maar ineens inspringen als het water koud is!’

Remco deed een grote stap naar voren, waardoor hij bijna struikelde. Ternauwernood wist hij zijn evenwicht te bewaren. Heel wat voorzichtiger deed hij daarna de volgende stap. Eerst kriebelde gras onder zijn voeten, maar al gauw ging dat over in rul zand. Onder zijn regenbroek steeg het water tot boven zijn knieën.

Remco keek naar de graafmachine en rekende uit, hoe hoog het water stond. Als zijn berekeningen klopten, zou hij zijn onderbroek droog kunnen houden. Hij haalde diep adem en begon zo snel als hij durfde naar het gele voertuig toe te waden. Toen hij eindelijk zijn doel bereikt had, waren zijn benen totaal gevoelloos. Klappertandend greep hij de treeplank vast en begon hij naar boven te klauteren.

“Ik mag natuurlijk geen sporen uitwissen,” mompelde hij. “Hoewel, alle sporen die aan de buitenkant zaten, zijn door de regen natuurlijk allang weggespoeld.”

Hij greep de deurknop van de cabine vast en tuurde naar binnen. Marieke had het goed gezien. Op de voorruit, aan de binnenkant, was inderdaad een vel papier vastgeplakt. Met grote, onregelmatige zwarte letters stond geschreven:

Leuk hè, als je land onder water wordt gezet!

Remco had genoeg gezien. Het had geen zin naar binnen te gaan om naar verdere sporen te zoeken. Hij was geen rechercheur en zou de boel alleen maar bederven voor de politie.

Hij zwaaide naar Marieke, die op de dijk stond toe te kijken. Met een zucht liet hij zich daarna voor de tweede keer in het ijskoude water zakken.

Gelukkig bereikte hij zonder problemen de dijk.

“En?” vroeg Marieke, zodra hij binnen gehoorsafstand was. “Had ik gelijk?”

Remco knikte maar ging er verder niet op in.

“Laten we maar zo snel mogelijk teruggaan naar de Eend,” stelde hij voor, zodra hij weer op de dijk stond. “Ik ben zowat bevroren.”

“Overdrijven is ook een vak!”

Remco, koud en nat als hij was, had geen zin in een discussie. Hij trok zijn schoenen aan en begon in de richting van zijn auto te lopen, het aan Marieke overlatend of ze hem wilde volgen of niet. De fotografe moest hollen om naast hem te komen.

“Wat stond er op het papier?” vroeg ze nieuwsgierig.

“Leuk hè, als je land onder water wordt gezet!”

“Dat meen je niet!”

“Toch wel,” zei Remco. “Ik vind het trouwens knap stom van de dader, dat hij zo’n aanwijzing heeft achtergelaten!”

“Misschien heeft hij het alleen gedaan om aandacht te krijgen,” bedacht Marieke.

“Aandacht waarvoor?”

“Voor zijn probleem. Want dat die kerel of vrouw een probleem heeft lijkt me duidelijk.”

 

Bij de Eend aangekomen verruilde Remco eerst zijn regenbroek voor zijn gewone broek voordat hij instapte. Gelukkig had hij een oude doek in zijn auto waarmee hij zijn benen en voeten een beetje schoon en droog kon wrijven. Zodra hij zich had aangekleed startte Remco de motor en zette hij de verwarming van de Eend op de hoogste stand.

“Waar gaan we naartoe?” wilde Marieke weten, nadat Remco de Eend gekeerd had.

“Er zal hier in de buurt wel ergens een dorp zijn,” veronderstelde Remco. “Ik snak naar een kop koffie en iets eetbaars.”

“Moeten we de politie niet bellen?”

“Ook, maar dat kan wat mij betreft nog wel even wachten. Die hebben het toch te druk met het opvullen van dat gat in de polderdijk.”

 

Ze zochten een restaurant op in Numansdorp.

“Goed,” zei Remco, terwijl hij dankbaar aan een kop gloeiend hete koffie nipte. “Wat hebben we?”

“Een gat in een dijk, een gestolen graafmachine en een stuk papier met daarop een vreemde tekst,” somde Marieke op.

“Leuk hè, als je land onder water wordt gezet!” Nadenkend trommelde Remco met zijn vingers op het tafelblad. “Blijkbaar is het land van de dader ook een keer onder water gezet en neemt hij nu wraak.”

“Wat een onzin. Als dat zo is, hadden wij dat vast wel geweten. Nederland doet er alles aan om land uit het water te winnen.”

“Er is nog een raadsel,” zei Remco. Hij pakte de wegenkaart die hij uit de auto had meegenomen en vouwde die voor zich open op de tafel.

“Kijk,” wees hij. “Hier ongeveer zal de graafmachine gestolen zijn en daar zit het gat in de dijk. De dader is dus een heel stuk langs de dijk gereden, voordat hij er was. Ik vraag me nog steeds af waarom hij juist daar is gaan graven.”

“Het heeft vast alles met dat geheimzinnige papier te maken,” veronderstelde Marieke.

“Wacht eens even!” Zonder verdere uitleg haalde Remco de laptop, die hij mee naar binnen had genomen, voor de dag en startte hem op. Sinds kort had hij een draadloze internetverbinding waarmee hij overal in Nederland op het web kon surfen.

“Wat doe je?” vroeg Marieke nieuwsgierig.

“Even wat checken,” zei Remco vaag.

Hij tikte een woord in op Google, speurde de lijst af en had al gauw gevonden wat hij zocht. Hij startte een pagina op en kon nauwelijks wachten tot de gezochte pagina in beeld was. Razendsnel vlogen zijn ogen over de regels.

“Hebbes!” zei hij triomfantelijk.

“Wat?”

“Hier, lees zelf maar.” Remco draaide de laptop om, zodat Marieke, die tegenover hem zat, kon zien wat hij had opgezocht.

Even was het stil, toen zei Marieke zacht: “Jij denkt dus, dat één van de voormalige bewoners van het eiland Tiengemeten de dader is.”

“Vast!” zei Remco stellig. “Zo’n tien jaar geleden is besloten Tiengemeten terug te geven aan de natuur. Alle bewoners van het eiland moesten het verlaten.”

“Ja, dat heb ik net ook gelezen,” zei Marieke. Het klonk een beetje spottend.

“En het land van de boeren komt gedeeltelijk onder water te staan,” ging Remco, totaal niet uit het veld geslagen, verder. “Vandaar die kreet op dat papier: ‘Leuk hè, als je land onder water wordt gezet!’ De dader wil gewoon dat anderen ook aan den lijve ondervinden, hoe vervelend het is als je land overstroomd wordt.”

“Toch vind ik het geen slimme actie,” zei Marieke. “Hij kan toch op z’n klompen aanvoelen, dat hij zal worden ontmaskerd.”

“Misschien maakt hem dat wel niets uit. Wat zou jij doen, als iemand je dwingt je bedrijf op te geven en ergens anders te gaan wonen?”

“Ik zou er niet vrolijk van worden,” gaf Marieke toe. “En wat nu?”

“We kunnen twee dingen doen,” zei Remco. “We kunnen naar de politie gaan of zelf proberen te achterhalen wie het gedaan heeft.”

“Ik vind dat we de rest van het speurwerk beter aan de politie kunnen overlaten,” vond Marieke. “Ten eerste kost het erg veel tijd om uit te vinden wie er op het eiland gewoond hebben en waar ze naartoe zijn verhuisd en ten tweede kan het best zijn, dat die man gevaarlijk is.’

“Je hebt helemaal gelijk!”zei Remco. Hij sloot zijn laptop af en wenkte de eigenaar van het restaurant.

“We willen graag betalen en kunt u ons zeggen waar het politiebureau is?” vroeg hij, toen de man hem vragend aankeek.

 

Twee dagen later rinkelde de telefoon op het bureau van Remco.

“Met Remco Jongeneel van het Christelijk Dagblad,” wist Remco met moeite uit te brengen. Dankzij zijn tocht op blote voeten door het ijskoude water was hij snipverkouden geworden.

“U spreekt met De Putter van de politie van Numansdorp,” klonk het uit de hoorn. “Ik heb een nieuwtje voor u.”

“U hebt de dader van de dijkdoorbraak te pakken!” zei Remco enthousiast.

“Precies!”

“Wie is het?”

“Ik mag helaas geen namen noemen, maar uw vermoeden klopte.”

“Het was dus één van de voormalige bewoners van het eiland Tiengemeten!”

“Inderdaad. Dankzij de aanwijzing die de dader in de cabine van de graafmachine had achtergelaten, was het niet zo’n heel groot probleem. We zijn gewoon de lijst met voormalige bewoners van Tiengemeten afgegaan en hebben gekeken, wie er hier nog in de buurt wonen. Dat zijn er niet zo heel veel. De meeste boeren hebben van het geld dat ze hebben gekregen voor hun vertrek van het eiland ergens anders een nieuwe boerderij gekocht, bijvoorbeeld in de Flevopolder of in de Wieringermeer. Uiteindelijk bleven er maar een paar over en die hebben we stevig aan de tand gevoeld.”

“Al met al was het dus niet zo moeilijk!”

“Toch wel, want we hadden geen enkel bewijs. In de graafmachine waren er nauwelijks vingerafdrukken te vinden en de afdrukken die er zaten waren van de mensen die voor het bouwbedrijf werkten waarvan de machine was. Ook nauwkeurig onderzoek van het papier leverde niets op. We hebben de mogelijke daders gevraagd met een stift de regel: ‘Leuk hè, als je land onder water wordt gezet!’ op een wit stuk papier te zetten. Dat hebben ze ook allemaal gedaan, maar de letters zagen er heel anders uit.”

“Als ik het gedaan had, zou ik ook heel anders schrijven dan normaal,” onderbrak Remco de politieman.

“Precies. Dus dat schoot ook niet op.”

“Hoe zijn jullie er uiteindelijk achter gekomen wie het gedaan heeft?” vroeg Remco nieuwsgierig.

“Op een gegeven moment waren er vijf verdachten over, drie vrouwen en twee mannen. Die hebben we bij elkaar in een kamer gezet en gezegd, dat we ze pas weer zouden laten gaan, als de dader bekend had.”

“En daar trapte de dader in? Dat kan ik me niet voorstellen. Waarschijnlijk kenden die voormalige bewoners van Tiengemeten elkaar goed. Je gaat je vroegere buren toch niet verlinken?”

“Dat deden ze ook niet, maar ze begonnen wel over die goede, oude tijd op het eiland te praten. Die gesprekken hebben we opgenomen en later nog een paar keer beluisterd. Aan de manier waarop de mensen praatten, konden we opmaken dat niet iedereen het even erg vond dat ze van het eiland weg moesten. Een ouder echtpaar vond het een hele vooruitgang, omdat ze nu niet meer telkens met de pont het Haringvliet over hoefden. Ze konden nu ook veel gemakkelijker op bezoek gaan bij hun kinderen en kleinkinderen in Heinenoord.”

“Toen bleven er dus nog maar drie verdachten over,” telde Remco. “Twee vrouwen en een man. Nou, dat lijkt me simpel.”

De politieman schoot in de lach.

“Zo simpel was het niet. Die man is links en een politiedeskundige was er van overtuigd dat de dader rechts was.”

Remco’s mond viel open van verbazing.

“Heeft een vrouw het gedaan!”

“Ja, dat klopt. Toen we dat eenmaal wisten, hebben we de beide vrouwen om beurten stevig ondervraagd. Uiteindelijk, na een paar pittige verhoren, gaf de alleenstaande vrouw toe.”

“Heeft ze ook gezegd waarom ze het gedaan heeft?”

“Een jaar nadat ze naar de Hoeksche Waard waren verhuisd, is de man van die vrouw overleden. Volgens de vrouw is hij dood gegaan van heimwee naar het eiland.”

“Maar dat is toch geen reden om een dijk kapot te maken?”

“Volgens haar is het de schuld van de overheid dat Tiengemeten een natuurgebied is geworden. Daarom probeerde ze op deze manier de provincie terug te pakken.”

“Onbegrijpelijk!” zei Remco uit de grond van zijn hart. “Wat gaat er nu met haar gebeuren?”

“Dat moet de rechter maar bepalen, maar voorlopig zit ze in een gesloten inrichting. Daar wordt ze constant in de gaten gehouden, want we zijn bang dat ze zichzelf iets aandoet. Toen wij haar arresteerden zei ze dat ze dood wilde, zodat ze weer bij haar man in de hemel zou zijn.”

“Ze is dus een christin,” zei Remco verwonderd.

“Ja. Ze ging ook elke zondag trouw naar de kerk. Diep in haar hart is ze, geloof ik, ook blij dat ze gepakt is. Toen ik haar de laatste keer sprak, zei ze dat ze spijt heeft van haar daad. ‘Ik had het recht nooit in eigen hand mogen nemen,’ zei ze. Ze heeft ook gevraagd of ze met haar dominee mocht praten. Uiteraard hebben wij dat toegestaan. Nou, dat was het, geloof ik, wel zo’n beetje.”

“Ik heb nog één vraag,” zei Remco vlug. “Hoe wist ze hoe die graafmachine werkte?”

“Precies weten we dat niet, maar toen ze nog boerin was op het eiland werkte ze altijd mee op het land. Ze had er geen moeite mee trekkers, combines of andere landbouwmachines te besturen.”

“Ze stond als vrouw dus haar mannetje!”

“Zo is dat! Nou, succes met je verhaal voor de krant van morgen! Bedankt voor de hulp en tot ziens!”

Het duurde even voordat Remco de draad van het verhaal waar hij mee bezig was weer op kon pakken. In gedachten was hij bij de vrouw, die uit pure wanhoop een gat in de dijk had gegraven. Zoals hij al vermoedde was de hele actie een schreeuw om aandacht geweest.

‘Waarom is er niemand in haar omgeving geweest die haar heeft kunnen helpen?’ vroeg hij zich af. ‘Eigenlijk zijn we dus allemaal een beetje schuldig aan deze wanhoopsdaad!’


VREEMDE VOGELS OP DE VOGELTJESMARKT

Op een mooie zaterdagmorgen reden Remco en Marieke met een kalm gangetje over de A28 naar Zwolle. Remco had Marieke om negen uur bij haar flat opgehaald, omdat ze samen naar de Christelijke Boekenbeurs in de IJsselhallen in Zwolle zouden gaan. Remco moest voor het Christelijk Dagblad een artikel over de beurs schrijven en Marieke ging mee om foto’s te maken.

Ze waren via Putten gereden, om daar de tweeling Christine en Christiaan op te pikken, die ook wel eens naar de beurs wilden.

“Ben jij wel eens eerder op de boekenbeurs geweest?” vroeg Marieke, toen Remco bij de afrit Zwolle-Zuid de snelweg verliet.

Remco schudde zijn hoofd.

“Ik had er best eerder heen willen gaan,” zei hij, “maar om de één of andere reden is het er nooit van gekomen.”

“Ik heb gehoord dat er ook schrijvers zijn, die een handtekening in hun boeken zetten,” zei Christiaan.

“Dat heet signeren!” wist Christine.

“Net of ik dat niet weet!” snoof Christiaan. “Ik ga lekker het nieuwste boek van Bert Wiersema kopen.”

“Ik mag ook een boek uitzoeken,” zei Christine. “Maar ik weet nog niet welk boek ik zal kiezen.”

‘Nou, als ik het goed heb begrepen, is er keus genoeg,” lachte Marieke. “Waarschijnlijk zie je door de bomen het bos niet meer.”

 

Hoe dichter ze bij de IJsselhallen kwamen, hoe drukker het werd. Voor de hekken rond de IJsselhallen stond zowaar een hele file.

“Ik wist niet, dat er zoveel mensen naar die boekenbeurs toe gingen,” zei Remco, terwijl hij met een zucht achteraan sloot. “Het is vast loeidruk in de hal en met deze warmte is dat vast geen pretje.”

“We kunnen net zolang blijven als we willen,” stelde Marieke hem gerust. “Ik weet niet, hoeveel tijd jij nodig hebt om een goede indruk te krijgen voor je stukje in de krant, maar ik denk dat ik met een halfuur wel klaar ben.”

“Mag het dak van de Eend open?” vroeg Christiaan.

Remco schudde zijn hoofd.

“Misschien straks, op de terugweg. Nu is het de moeite niet meer.”

“Ik zie allemaal mensen met vreemde kistjes lopen,” zei Christine. “Ik vraag me af wat daarin zit.”

“Vast geen boeken!” zei Christiaan. “Die zitten bijna altijd in een plastic zak.”

“Ja, en deze mensen gaan naar de beurs toe,” zei Remco. “Meestal heb je minder bij je als je naar een beurs toegaat, dan als je er vandaan komt. Eerlijk gezegd snap ik het ook niet.”

“En er staan ook allemaal auto’s met een buitenlands nummerbord op de parkeerplaats,” zag Christiaan. “Wat moeten die nou op een Nederlandse boekenbeurs?”

Opeens begon Marieke te lachen. Ze wees naar een spandoek, boven de hoofdingang van de IJsselhallen. Met grote letters stond er: ‘19 SEPTEMBER INTERNATIONALE VOGELTJES-MARKT’.

“Die mensen komen dus helemaal niet voor de boekenbeurs, maar voor de vogeltjesmarkt,” zei ze.

“Wat doen ze daar dan?” wilde Christiaan weten.

“Misschien worden er wedstrijden gehouden, wie de mooiste vogels van een bepaald ras heeft,” veronderstelde Remco. “Of ze komen hier naartoe, om vogels te kopen of te verkopen.”

“Ik vind vogels in een kooitje zielig!” zei Christine uit de grond van haar hart. “Ik ben blij, dat wij naar de boekenbeurs gaan.”

 

Bij de ingang van de vogeltjesmarkt stonden rijen mensen te wachten, maar bij de boekenbeurs was het een stuk rustiger. Door een zijingang konden de bezoekers die beurs bereiken. Omdat ze geen toegang hoefden te betalen, konden ze zo doorlopen.

Vooral Christine en Christiaan keken hun ogen uit. Bij de stand van uitgeverij De Vuurbaak zat een man met een grote herdershond. Om hem heen lagen grote stapels boeken van Snuf de hond.

“Dat is vast de hond die in de film van Snuf heeft meegespeeld,” zei Christiaan opgewonden.

“Jij snapt het,” zei de man. “Als je wilt mag je hem wel aaien.”

Het uur dat volgde zwierven ze met z’n vieren rond op de beurs. Marieke schoot de ene foto na de andere en Remco maakte ijverig aantekeningen.

Hoewel hij wel even moest wachten voordat hij aan de beurt was, lukte het Christiaan een gesigneerd exemplaar van het nieuwste boek van Bert Wiersema te bemachtigen. Christine koos bij een andere stand een boek uit over een meisje dat heel erg ziek werd: ‘Julia’s zus.’

‘Zullen we ergens wat gaan drinken?’ stelde Remco voor, nadat de kinderen hun boeken gekocht hadden.

“Graag!” zeiden Christine en Christiaan precies tegelijk.

Middenin het gebouw was ergens een soort restaurant gemaakt, waar ze konden zitten. Remco en Marieke namen koffie en de tweeling cola. Ze hadden nog maar net een tafeltje gevonden, toen er opeens een vogel door de hal vloog. Christiaan zag hem als eerste.

“Er is in de hal hiernaast een vogel ontsnapt,” wees hij.

“Dat denk ik ook,” knikte Remco. “Eigenlijk is het één grote hal, de muur tussen de boekenbeurs en de vogeltjesmark loopt niet door tot het plafond. Daardoor kan die vogel hier ook naar toe vliegen.”

“Daar zit er nog één,” wees Christine.

“En daar!”

Steeds meer vogels vlogen rond boven de boekenbeurs.

Haastig dronk Remco zijn koffie op.

“Er is hiernaast iets aan de hand,” stelde hij vast. “Ik ga er naartoe!”

“Wij gaan mee!”

 

Eenmaal buiten begon Remco te rennen. De tweeling volgde zijn voorbeeld. Marieke volgde in een iets kalmer tempo.

Bij de ingang van de vogeltjesmarkt was het een drukte van belang. Mensen stonden voor de ingang en zorgden ervoor dat de deuren gesloten bleven. Er kon niemand meer in of uit.

“Wat is er aan de hand?” vroeg Remco aan een man, die een armband met daarop: “Organisatie” om had.

“Op de één of andere manier zijn er een heleboel vogels ontsnapt. We snappen er niets van. We organiseren deze beurs al jaren, maar zoiets is nog niet eerder gebeurd.”

“Mogen wij naar binnen? Ik ben journalist en volgens mij is dit nieuws!”

“Zolang de vogels niet gevangen zijn, mag er geen mens in of uit,” zei de man resoluut. “Sommige van de tentoongestelde vogels kosten een vermogen. Het is een ramp als die naar buiten toe ontsnappen. Als ze eenmaal buiten zijn, vind je ze waarschijnlijk nooit meer terug.”

“Dan mag u ze bij de boekenbeurs hiernaast ook wel waarschuwen,” zei Christiaan. “Er vlogen al verschillende vogels boven de boekenbeurs.”

“Ook dat nog,” mopperde de man. “Zou u die boekenwurmen willen waarschuwen? Ik kan hier onmogelijk weg.”

“Christine en Christiaan, jullie hollen naar de zijdeur, om die af te sluiten. In ruil daarvoor laat meneer Marieke en mij naar binnen.”

“Geen sprake van,” sputterde de man tegen.

“Het viel te proberen,” grijnsde Remco. “Ga toch maar, jongens. Als die vogels naar buiten toe ontsnappen, gaan ze waarschijnlijk dood.”

“Jij snapt het,” zei de man van de organisatie. “Het zijn bijna allemaal tropische vogeltjes. Misschien overleven ze het een paar weken, maar zodra het ’s nachts kouder wordt, gaan ze onherroepelijk dood.”

Omdat hij de man niet kon overhalen hem en Marieke maar binnen te laten, liep het tweetal langzaam terug naar de boekenbeurs.

“We weten dat de hal uit één stuk bestaat,” dacht Marieke hardop. “Anders konden die vogels niet boven de boekenbeurs komen. Het is ook logisch, dat de twee beurshelften door middel van een verplaatsbare muur of een hek tijdelijk van elkaar gescheiden zijn. Het lijkt me stug, dat er daarin geen deuren zitten.”

“Natuurlijk zitten er deuren in!” zei Remco “Misschien kunnen we binnendoor op de vogeltjesmarkt komen.”

“Reken er maar niet teveel op,” zei Marieke somber. “Als er deuren zijn, zitten die natuurlijk op slot. Anders zou iemand via de boekenbeurs gratis op de vogeltjesmarkt kunnen komen.”

Gelukkig deden de mensen die bij de deur van de boekenbeurs stonden niet al te moeilijk, toen Marieke en Remco naar binnen wilden. De deurwachters, die er eigenlijk alleen maar stonden om folders uit te delen, waren druk in gesprek met de tweeling.

“Er zijn honderden vogels ontsnapt,” hoorde Remco Christiaan zeggen.

“Overdrijven is ook een vak,” grijnsde hij. “Zo komen de praatjes in de wereld. Er is nog helemaal niet bekend, hoeveel vogels er ontsnapt zijn.”

“Het gaat er ook niet om, hoeveel vogels er ontsnapt zijn, maar hoe het heeft kunnen gebeuren. Ik ben echt heel benieuwd wat er aan de hand is!” zei Marieke, terwijl ze zich dwars over de boekenbeurs naar het midden van de hal haastten.

“Misschien heeft Christiaan wel gelijk, met z’n honderden vogels. Moet je kijken, hoeveel er daar op die dwarsbalk zitten!”

“Kijk maar uit,” zei Marieke. “Straks zit je onder de vogelpoep.”

Ze kwamen aan het eind van de boekenbeurs, waar ze zich achter de muren van de stands konden verschuilen. Tussen de achterwanden van de verschillende stands en de tussenwand was een gang van een meter breed vrij gehouden, waarschijnlijk op last van de brandweer.

Daar wachtte hen een teleurstelling. Er zaten wel deuren in de zwarte wand, maar die hadden niet eens een deurknop. Vanaf deze kant was het onmogelijk het andere deel van de hal te betreden.

“Jammer!” zei Remco. “Daar gaat onze primeur. Het ziet er niet naar uit, dat we op de vogeltjesmarkt kunnen komen.”

“Ik zou kunnen proberen er overheen te klimmen,” stelde Christiaan voor, die zich samen met Christine weer bij Marieke en Remco gevoegd had. “Als ik op jouw schouders ga staan, Remco, moet het lukken.”

Remco keek omhoog, langs de wand, die zo’n drie meter hoog was.

“Het zou kunnen,” aarzelde hij. “Maar wat dan? Ik heb er weinig aan als jij aan de andere kant staat en wij hier.”

“Vanaf de andere kant kun je de deur vast wel openen,” zei Christiaan. “En als dat niet zo is, loop ik gewoon naar de uitgang. Vroeg of laat zullen ze de bezoekers van de vogeltjesmarkt toch weer laten gaan. Zal ik jouw fotocamera vast meenemen, Marieke?”

“Geen sprake van! Je denkt toch zeker niet, dat ik jou met m’n dure toestel over die wand laat klimmen! Als er wat mee gebeurd, ben ik in de aap gelogeerd.”

“Dat komt dan goed uit,” grijnsde Christiaan, “want ik was net van plan me als een aap te gedragen.”

“Schiet nou maar op,” zei Christine. “Straks komt er iemand aan.”

Snel maakte Remco van zijn handen een kommetje. Hij kreunde even, toen Christiaan via die handen op zijn schouders ging staan.

“Je moet rechtop gaan staan,” waarschuwde Christiaan. “Anders kan ik er niet bij.”

“Ik doe mijn best!” zei Remco. “Maar schiet alsjeblieft op. Straks houd ik het niet meer.”

“Het lukt al.” Lenig trok Christiaan zich op aan de bovenrand van de houten tussenwand.

“Wat zie je?” vroeg Christine, toen hij schrijlings op de muur ging zitten.

“Ik kan helemaal over de beurs kijken en het is er een zooitje! Het lijkt wel of iedereen in paniek is.”

“Kun je van bovenaf zien, of je de deur vanaf de andere kant kunt openmaken?” wilde Remco weten. “Anders kun je maar beter weer aan deze kant naar beneden komen.”

“Ik zie in ieder geval een deurklink,” zei Christiaan. “Wacht, dan laat ik me zakken!”

“Doe voorzichtig!” riep Marieke hem na. “Ik vind het eng hoog!”

“Valt best mee!” zei Christiaan luchtig. Hij werkte zich verder over de rand, tot alleen zijn handen, die om de bovenrand van de wand gekneld zaten, nog maar te zien waren. Meteen nadat die waren verdwenen, hoorden ze aan de andere kant van de wand een bons.

“Gaat het?” vroeg Remco.

“Best!” De deur zwaaide open en Christiaan stond breed grijnzend in de deuropening.

“Treed binnen!” zei hij.

Precies op dat moment kwam er een man vanaf de boekenbeurs kijken wat er achter de stands gebeurde.

“Wat moet dat daar?” vroeg hij bits.

Het viertal gaf geen antwoord. Haastig gingen Marieke, Remco en Christine de deur door, die naar de vogeltjesmarkt voerde. Voordat de man bij de doorgang was, duwde Christiaan de deur terug in het slot.

“Doe open!” riep de man woedend. “Jullie hebben daar niets te zoeken!”

“Wij willen graag weten, hoe het komt dat er zoveel vogels ontsnapt zijn,” riep Remco terug. “Dat is alles.”

“Kom terug, of ik waarschuw de politie!”

“Dat zou ik zeker doen, want ik denk niet, dat het normaal is wat er op de vogeltjesbeurs gebeurt,” zei Remco. “Kom jongens, we gaan. We hebben al genoeg tijd verspild.”

Zonder op het gemopper van de man te letten, liepen ze tussen een aantal lege stellingen door naar een tweede muur, die sprekend leek op die waarover Christiaan zojuist geklommen was. Ook hier zat de klink aan de binnenkant. Toen Remco opzij keek, zag hij zowel links als rechts een deur, waarboven met groene letters UIT stond. Kennelijk zaten er in de beide zijmuren uitgangen, die hij van buitenaf over het hoofd had gezien.

“We kunnen het beste om beurten de beurs op glippen,” stelde Marieke voor. “Dan valt het minder op.”

“Ga jij maar eerst!” zei Remco, "dan volg ik over een minuut of zo."

 

Toch wel een beetje angstig glipte Marieke de beurs op. Wat ze zag viel met geen pen te beschrijven. Op de vogeltjesbeurs was het een chaos. Mensen gilden en liepen door elkaar, sommigen met een vogelkooitje in de hand, ander hielden een angstig piepend vogeltje in hun handen gevangen. Stellages met vogelkooien waren omvergegooid en overal zaten of fladderden vogels. De ravage was enorm.

Omdat iedereen met zichzelf of met de vogels bezig was, werd Mariekes plotselinge verschijning vanachter de tussenmuur door niemand opgemerkt. Haastig haalde Marieke haar fototoestel voor de dag en toen Remco zich even later bij haar voegde, had ze al een stuk of tien foto´s gemaakt.

“Het lijkt wel of er hier een wervelstorm heeft gewoed!” zei Remco verbijsterd. “Hoe kan dit?”

“Er lopen hier een stel als vogels verklede malloten rond!” zei één van de standhouders, die probeerde een vogeltje in een houten kistje te stoppen. “Ze zijn achter de stellingen met vogeltjes gekropen en hebben die naar voren geduwd, waardoor heel veel kooien en hokken kapot zijn gevallen. Er zijn ik weet niet hoeveel vogels ontsnapt.”

“Waarom?” vroeg Remco zich hardop af.

“Omdat ze niet goed snik zijn!”

“Lopen die lui hier nog steeds rond?”

“Geen idee! Help me liever m’n vogels te vangen. Er vliegt hier alleen van mij al voor meer dan duizend euro rond.”

“Ik heb helemaal geen verstand van vogels,” zei Remco eerlijk. “Ik zou echt niet weten hoe ik dat moet doen!”

“Wat doen jullie hier dan, als je geen verstand hebt van vogels?” Achterdochtig keek de man Marieke en Remco om beurten aan.

“We werken voor een krant,” legde Remco uit. “Eigenlijk zijn we hier voor de boekenbeurs, maar toen we merkten dat er hier iets loos was, zijn we hierheen gegaan.”

“We moeten zien dat we één van die vreemde vogels te pakken krijgen,” fluisterde Marieke. “Die moeten hier nog zijn, want die lui van de organisatie laten er geen mensen in of uit.”

“Laten we eerst op de tweeling wachten,” stelde Remco voor, “en daarna twee aan twee op zoek gaan. Jij met Christine en ik met Christiaan.”

 

Een paar minuten later, toen hij met Christiaan over de beurs zwierf, kreeg Remco pas goed door, hoe groot de chaos was. Niet alleen veel kooien en hokjes waren stuk, er waren ook mensen gewond geraakt. EHBO’ers met felgele hesjes waren druk in de weer slachtoffers te verbinden, die wat verdwaasd tussen de brokstukken zaten. Af en toe probeerde Remco een praatje met de mensen te maken, maar bijna niemand was in de stemming voor een interview. Ook als Remco zijn perskaart voor de dag haalde, reageerden de meeste mensen nauwelijks. Op de vraag waar de vreemde vogels waren gebleven, moest iedereen het antwoord schuldig blijven.

Remco wilde net de moed opgeven, toen Christine kwam aangerend.

“Kom mee,” zei ze. “Marieke en ik hebben wat gevonden.”

Nieuwsgierig liepen de twee broers met haar mee. Marieke stond hen in een hoek van de hal op te wachten.

“Kijk daar,” wees Christine.

In de hoek lag een grote berg lege, kartonnen dozen. Omdat niemand de moeite genomen ze plat te maken, was de stapel onnodig groot. Onder de stapel, tegen de buitenmuur, lag iets bruins.

Haastig begon Christiaan de dozen weg te trekken. Al gauw kwam er een bruin pak te voorschijn. Op de rug zaten twee veren genaaid. Een grote vogelkop lag ernaast. Hoe meer dozen Christiaan opzij schoof, hoe meer vogelpakken er te voorschijn kwamen. Een paar mensen, die zagen waar ze mee bezig waren, begonnen Christiaan mee te helpen. Uiteindelijk lagen er zes complete vogelpakken naast elkaar op de grond.

“De daders lopen nu dus in gewone kleren rond,” zei één van de omstanders bitter. “Iedereen kan het dus zijn! Misschien zijn zij het zelf wel en probeerden ze niet de vogelpakken op te sporen, maar juist ze te verstoppen.”

“Lever ze uit aan de politie!” begon iemand te roepen.

“Rustig!” Marieke had moeite boven het geschreeuw van de menigte uit te komen. “Op het moment dat die lui hier bezig waren, liepen wij nog op de boekenbeurs rond. Kijk maar op mijn fototoestel. De tijd staat erbij.”

“Eerst zien en dan geloven,” zei de man die hen vals had beschuldigd.

“Kom maar hier,” wenkte Marieke. Haastig klikte ze de foto’s terug, totdat ze bij die van de boekenbeurs was. “Kijk,” wees ze, “deze foto heb ik gemaakt, toen we de eerste vogels zagen vliegen. Daarna zijn we naar buiten gegaan. Hier zie je mijn collega in gesprek met iemand van de organisatie, die ons niet binnen wilde laten. Uiteindelijk is het ons toch gelukt op de beurs te komen, waar ik de volgende foto’s gemaakt heb.”

“Ze heeft gelijk,”gaf de man toe. “Maar het had gekund!”

“Absoluut,” gaf Remco toe. “Maar u kunt het zelf ook gedaan hebben. Iedereen kan het gedaan hebben, dat is juist zo vervelend. Ik denk niet, dat je tussen al die mensen hier die daders ooit terug vindt. Da’s best jammer, want ik zou graag willen weten, waarom ze het gedaan hebben!”

“Die vogelpakken moeten in ieder geval naar de politie,” zei een man, die net als de man buiten een armband had. “Ze zijn van plan iedereen te verhoren.”

“Zullen we proberen langs dezelfde weg weer weg te komen?” stelde Christiaan voor.

Remco schudde zijn hoofd.

“Dat lijkt me niet slim. Als we gesnapt worden, heb je de poppen aan het dansen. Dan denken ze vast dat wij het gedaan hebben.”

 

Het werd een lange, saaie middag. Iemand kwam op het slimme idee om een plek middenin de hal leeg te maken en daar een grote berg zangzaad neer te strooien. Met behulp van netten werden de vogels die kwamen eten gevangen. Hoewel de vogels bijna allemaal een ring droegen, was het nog een heel gezoek voordat de beestjes terug waren bij hun eigenaren.

Terwijl ze in de rij stonden om door de politie verhoord te woorden, duwde een onbekende vrouw Remco opeens een papiertje in de hand. Voordat hij om kon kijken wie het gedaan had, was ze in de menigte verdwenen.

Voorzichtig vouwde hij het papiertje open. Er stond alleen een 06-nummer op, meer niet.

 

Terug in Putten, waar de tweeling in geuren en kleuren vertelde wat er gebeurd was, toetste Remco het nummer in.

“Met mij. Stel geen vragen. U wilt weten waarom wij het gedaan hebben en wij willen, dat de wereld weet waarom wij het gedaan hebben! Er moet een einde komen aan het opsluiten van onschuldige dieren, zoals vogels, nertsen, konijnen, apen, cavia’s enzovoort. Dieren horen in de vrije natuur, niet in piepkleine hokken of stallen. Wij zullen er alles aan doen om ervoor te zorgen dat dieren, net als wij, kunnen gaan en staan waar ze willen.”

“Maar als je tropische vogels in Nederland laat ontsnappen, gaan ze dood!” protesteerde Remco.

“Tropische vogels horen hier ook niet, maar in de tropen! Net zo min als leeuwen in de dierentuin horen en nertsen in bontfokkerijen.”

“Ik neem aan, dat u namens een actiegroep spreekt,” zei Remco. “Welke naam mag ik in het krantenartikel noemen?”

“Deze keer gebruikten we de naam: ‘Vogel vrij!’” antwoordde de vrouw. “Maar een volgende keer heten we vast weer anders.”

Remco wilde nog meer vragen stellen, maar de verbinding werd verbroken. Toen hij het nummer opnieuw probeerde te bellen, vertelde een vriendelijke damesstem hem, dat het door hem gekozen nummer niet in gebruik was.

“En nu?” vroeg Marieke, nadat Remco verteld had wat hij zojuist gehoord had.

“Nu niets meer. We zorgen er voor, dat er dinsdag een artikel in de krant komt over de gebeurtenissen van vandaag. De lezers moeten zelf maar beoordelen, of het toegestaan is Gods schepselen op te sluiten in een kooitje.”

“Ik denk, dat er in heel veel gevallen niets mis mee is,” vond Christiaan. “Als een kanarie in een kooitje zich niet happy zou voelen, zou hij vast niet zo vrolijk fluiten.”

“Veel huisdieren, ook vogels, zijn in gevangenschap geboren en opgegroeid. Die dieren weten niet beter en zouden in vrijheid binnen de kortste keren omkomen,” voegde Christine er aan toe. “Hoewel het in feite best zielig is, zo’n mooi beestje in een kleine kooi.”

“Zo is dat!” zei Remco. “En nu gaan Marieke en ik er als een haas vandoor.”

“Vergeet je Eend niet te voeren,” grinnikte Christiaan, terwijl hij het tweetal uitzwaaide. “Straks vliegt hij weg.”

‘Van mij mag hij,” zei Marieke.

“Van mij mogen jullie allebei opvliegen!” zei Remco zuur.


 
VONDST IN KASTEEL DE SCHAFFELAAR

“Heb jij ook zo’n zin in het feest van vrijdagavond?” vroeg Jochem aan Remco, die tegenover hem zat.

Remco stopte meteen met typen.

“Natuurlijk!” zei hij. “Ik heb gehoord dat het een geweldige avond wordt.”

“Klopt,” zei Jochem, die in de commissie zat, die het feest moest organiseren. “Dat moet ook, want het Christelijk Dagblad bestaat maar één keer vijftig jaar. Ben je wel eens in De Schaffelaar in Barneveld geweest?”

Remco schudde zijn hoofd.

“Eigenlijk best lastig,” mijmerde hij, “want van mij en Marieke wordt verwacht, dat we een verslag voor de krant maken van het jubileumfeest.”

“Waarom ga je er niet van te voren een keertje kijken?” vroeg Jochem. “Dan weet je wat je te wachten staat.”

“Een goed plan,” knikte Remco enthousiast. “Ik ga het meteen aan Erik Drent vragen.”

“En je vraagt natuurlijk of Marieke mee mag,” grijnsde Jochem.

“Uiteraard,” knikte Remco. “Zij moet toch ook zien vanaf welke plek ze het beste foto’s van het feest kan maken.”

 

De volgende middag reden Marieke en Remco samen in Remco’s oude Eend naar Barneveld. De zon scheen en Remco had het dak van de Eend open gerold.

“Eindelijk hebben we er eens een keer plezier van, dat jij in deze auto rijdt,” zei Marieke tevreden.

“Deze Eend heeft ons anders tot nu toe altijd keurig overal naartoe gebracht,” zei Remco verontwaardigd. Hij kon er absoluut niet tegen als iemand kritiek had op zijn oude wagentje.

“Dat is zo,” gaf Marieke toe. “Het duurt alleen een stuk langer voordat we ergens zijn.”

“Des te beter,” vond Remco. “Alles moet altijd maar vlug, vlug!”

“Een journalist heeft een snelle auto nodig,” zei Marieke, om Remco te plagen. “Tegen de tijd dat wij met jouw auto ergens zijn, is het nieuws al oud.”

“Wat zijn we weer geestig,” zei Remco zuur.

 

De afstand tussen het kantoor van de krant in Amersfoort en het kasteel in Barneveld was niet zo heel groot en het duurde daarom niet lang voordat Remco de oprijlaan van het landgoed opstuurde. Hij had van tevoren gebeld en de manager van het restaurant, dat in het gebouw was gevestigd, had tijd voor hen vrij gemaakt. Nadat ze met z’n drieën een kop thee hadden gedronken, nam hij hen mee naar de zaal waar het feest gehouden zou worden. Jochem en de anderen die het feest moesten organiseren hadden voor een barbecue gekozen.

“Als de weersvoorspellingen kloppen, hebben jullie vrijdagavond mooi weer en kunnen we ook de tuin gebruiken,” zei de manager.

“Dat zou fijn zijn,” zei Marieke. “Ik vind het leuker buiten foto’s te nemen. Hoewel deze zaal natuurlijk ook prachtig is.”

“Er zijn hier in de loop van de jaren al heel wat feesten gegeven,” vertelde de manager. “Hoewel er ook een tijd geweest is, dat de bewoners geen reden hadden om feest te vieren.”

“Hoe bedoelt u dat?” vroeg Remco nieuwsgierig.

“Vroeger was dit landgoed van een baron, maar op een gegeven moment konden zijn nakomelingen het onderhoud van het huis niet meer betalen en kwam het leeg te staan,” legde de manager uit. “In de oorlog werden hier rijke, belangrijke Joden ondergebracht door de Duitsers. Ik neem niet aan dat die veel redenen hadden om feest te vieren. Na de oorlog werd het een revalidatiecentrum voor gewonden uit de Tweede Wereldoorlog, ook niet echt feestelijk. Later hebben hier buitenlandse studenten gewoond, er was hier ooit een typeschool en een sportschool gevestigd en nu is het in gebruik als restaurant en zalencentrum. Het park om het huis heen is nu in bezit van het Gelderse Landschap en het huis zelf is een Rijksmonument. Dat is maar goed ook, want anders konden wij het onderhoud onmogelijk betalen.”

“Waarschijnlijk valt er hier altijd wel iets te repareren,” zei Marieke.

“Klopt,” knikte de manager. “Op dit moment zijn er ook mensen aan het werk in één van de vleugels.”

“Zouden we het hele landhuis eens mogen zien?” vroeg Remco.

“Hebben jullie daar tijd voor?”

“Daar maken we gewoon tijd voor,” zei Remco. “Ik ben gek op oude landhuizen en kastelen.”

“Goed dan,” lachte de manager.

 

Ze waren nog maar net aan hun rondleiding begonnen, toen een opgewonden man naar hen toe kwam.

“Meneer, mag ik u even storen?” vroeg hij aan de manager.

“Dat doe je al,” zei de manager droog. “Wat is er aan de hand?”

“Mijn collega en ik zijn bezig het houtwerk in de vroegere studeerkamer van de baron op te knappen,” legde de man uit. “Een paar planken zaten zo los, dat we ze gemakkelijk weg konden halen. Tot onze verbazing zat achter het houtwerk een holle ruimte, en daar zit iets in.”

“Wat dan?” vroeg Remco nieuwsgierig.

“Dat weten we nog niet. We vonden het beter eerst de manager te waarschuwen.”

“Ik ga meteen mee,” zei de manager.

“Mogen wij ook mee?” vroeg Remco, die meteen nieuws rook.

“Vooruit maar,” gaf de manager toe.

Met z’n vieren liepen ze naar het vertrek waar de mannen aan het werk waren. De meubels die er stonden waren afgedekt tegen het stof en in één van de met hout betimmerde wanden gaapte een gat. De opening was niet groot, zo te zien misten er hooguit twee bakstenen. In de holle ruimte die daardoor ontstaan was, lag een pakje.

‘Zal ik?’ vroeg de manager. Hij wachtte de reactie van de vier anderen niet af, maar haalde het pakketje uit de nis. Hij blies het stof er vanaf, waardoor het krantenpapier eronder zichtbaar werd.

“Het kan in ieder geval niet heel oud zijn,” zei Remco teleurgesteld.

“Wat had jij dan verwacht?” vroeg Marieke spottend. “Een of andere goudschat?”

“Daar is het in ieder geval te licht voor,” zei de manager nuchter. “Ik denk eerder dat er een boek in zit.”

“Een boek?” De stem van de werkman die de manager van de vondst op de hoogte had gebracht, klonk teleurgesteld. “Hoor je dat, Karel? Er zit waarschijnlijk een boek in. Hebben we ons daarom zo druk gemaakt!”

“Is dat niet zo’n ding waar je in kunt lezen?” grijnsde Karel.

“Zal ik het pakje dan maar open maken?” vroeg de manager.

“Graag!” zeiden Marieke en Remco precies tegelijk. Marieke haalde haar fototoestel voor de dag.

“Wie weet, misschien is het toch een belangrijke vondst,” zei ze. “Het kan in ieder geval geen kwaad om foto’s te maken.”

Remco ging er niet op in. Hij was razend nieuwsgierig wat er in het pakje zat.

“Wacht even,” zei de manager. Tot Remco’s verbazing haalde hij een kam uit de binnenzak van zijn colbert en begon hij zijn haren te kammen.

“Als ik in de krant kom, wil ik er wel netjes uitzien,” legde hij uit.

Toen hij eindelijk klaar was, begon hij tergend langzaam het pakje te openen. Het oude, vergeelde papier kraakte toen de manager het terugvouwde.

Nieuwsgierig keek Remco over de schouder van de man mee toen hij de vondst uitpakte.

“Zou u iets anders willen gaan staan?’ vroeg Marieke, die merkte dat het voor haar moeilijk was een goede foto te maken, omdat het licht vanuit de ramen precies verkeerd viel.

De manager voldeed maar al te graag aan haar verzoek. Zo vaak had hij de kans niet om met foto en al in de krant te komen.

Terwijl de manager geduldig de aanwijzingen van Marieke opvolgde, bekeek Remco het pakje wat beter. De krant die als pakpapier was gebruikt, zag er oud uit. Nergens zag hij een foto en toen hij probeerde een stukje te lezen, ontdekte hij dat het artikel in een spelling was geschreven, die al jaren niet meer werd gebruikt.

“Het is gewenscht dat de menschen zich in dezen tijd aan de algemeene verordening houden,” las het hardop voor, waarbij hij de ch’s extra benadrukte. “Deze krant is al oud, zeg!”

Haastig vouwde de manager de krant verder open. Samen met Remco zocht hij naar een datum. Omdat hij de krant vasthad, kwam de manager er als eerste achter.

“Deze krant is van vrijdag 18 juni 1943!” zag hij. “Dus middenin de Tweede Wereldoorlog.”

“Toen zaten er hier toch Joden?’ herinnerde Remco zich.

“Precies!” knikte de manager.

“Zou er een soort dagboek inzitten van één van hen?” vroeg Marieke zich af. “Net zoiets als de Dagboeken van Anne Frank?”

Haastig begon de manager de volgende laag kranten te verwijderen. Er kwamen drie schriften tevoorschijn met een verschoten grijsgroen kaft. Op het vergeelde etiket van het bovenste schrift stond alleen een jaartal: 1941.

“Het is inderdaad een dagboek!” hijgde Remco. Het liefst had hij de manager één van de schriften uit handen gerukt, maar hij wist zich te beheersen.

“We moeten iemand waarschuwen die er verstand van heeft,” zei hij.

“Dat ben ik helemaal met je eens,” knikte de manager. “Ik heb niet zo heel veel verstand van oude schriften, maar ik moet er niet aan denken dat er iets gebeurd, waardoor deze vondst verloren gaat.”

“Zo belangrijk zijn die oude schriften toch niet,” zei Karel.

“Dat moet nog blijken,” zei Remco. “Het kan inderdaad zo zijn dat de inhoud tegenvalt, maar dat weten we pas als iemand de schriften heeft gelezen.”

“Ik stel voor dat we de conservator van het Museum Nairac, hier in Barneveld, waarschuwen,” stelde de manager voor.

“Conservator? Wat is dat?” vroeg de man die de vondst was komen melden.

“Een conservator is de beheerder van een museum,” zei de manager geduldig. “Kom, laten we naar mijn kantoor gaan, dan bel ik van daaruit naar het museum.”

 

De conservator van het museum arriveerde twintig minuten later. Vol verbazing keek hij naar de drie schriften die de manager op zijn bureau had neergelegd. Voordat hij de schriften beetpakte, haalde de man een paar linnen handschoenen uit de zak van zijn colbert. Daarna pakte hij het bovenste schrift zo voorzichtig beet dat Remco in de lach schoot.

Verstoord keek de man op van zijn werk.

“Wie bent u eigenlijk?’ vroeg hij chagrijnig.

“Remco Jongeneel van het Christelijk Dagblad,” stelde Remco zichzelf voor. “En dat is mijn collega, Marieke Wielinga. Wij waren hier toen het pakje door de bouwvakkers ontdekt werd.”

“Een beetje meer eerbied, graag,” zei de conservator. “Wie weet hoe belangrijk deze vondst is.”

“Wij denken dat het gaat om een dagboek van één van de Joden, die hier in de Tweede Wereldoorlog waren ondergebracht,” vertelde Marieke.

“Dat is heel goed mogelijk,” knikte de conservator. Heel voorzichtig, alsof hij met kostbaar porselein of iets dergelijks van doen had, sloeg hij het kaft van het schrift om. Hardop begon hij voor te lezen: “Omdat ik wil dat de mensen weten, wat er allemaal gebeurt in mijn stad Rotterdam, heb ik, Jacob Granada, besloten vanaf vandaag nauwgezet bij te houden wat ons overkomt.” De conservator stopte met voorlezen en keek over zijn bril heen de drie anderen vorsend aan.

“Het ziet er naar uit, dat u gelijk hebt,” zei hij. “Zowel de voor als de achternaam doen vermoeden dat we met een Jood te doen hebben.”

Remco keek Marieke triomfantelijk aan, maar die haalde haar schouders op.

“Als meneer De Goede, de manager, je niet had verteld dat er hier in de Tweede Wereldoorlog Joden hadden gewoond, had je het echt niet geraden,” zei ze.

“Ik ben razend benieuwd wat er allemaal in die schriften staat,” zei Remco.

“Ik ook,” zei de conservator. “Wat doen we nu?”

“Wat mij betreft neemt u de schriften mee,” besliste de manager. “Ik heb geen tijd om ze te lezen en weet ook niet hoe je die dingen goed moet houden.”

“Waarschijnlijk is dat de beste oplossing,” gaf Remco toe. Het klonk een beetje teleurgesteld, maar hij besefte ook wel, dat dit het meest voor de hand lag.

De conservator, die wel door had dat Remco dolgraag wilde weten wat er in de schriften stond, zei: “Ik ben van plan de schriften bladzijde voor bladzijde te scannen. Dan hoef ik, als ik de inhoud probeer te ontcijferen, niet iedere keer de schriften te gebruiken. Als je wilt, kan ik je wel een kopie mailen.”

“Dat is fantastisch,” zei Remco. Hij haalde een visitekaartje uit zijn portemonnee en gaf het aan de man van het Museum Nairac. Nadat Marieke nog een paar foto’s had gemaakt, was het hoog tijd om afscheid te nemen. Bij de krant wisten ze vast niet waar ze bleven.

 

De volgende dag stond een artikel van Remco in de krant over de vondst in De Schaffelaar in Barneveld. Eén van de foto’s die Marieke had gemaakt, was erbij geplaatst. Aan het slot van het artikel beloofde Remco de lezers dat hij opnieuw een stukje zou schrijven als hij wist wat er in de schriften stond.

 

De heer Vleugels, conservator van het museum in Barneveld, hield woord. Een paar weken later kreeg Remco een mailtje van hem, met als bijlage ruim 180 bladzijden, allemaal beschreven in het fijne handschrift van Jacob Granada.

Al gauw had Remco door dat het niet gemakkelijk was de dagboeken snel te lezen. Op sommige plekken was de inkt vervaagd en ook het ouderwetse taalgebruik van de schrijver maakte het er niet gemakkelijker op.

Meneer Vleugels had hem er in het mailtje al voor gewaarschuwd: “Het kost de nodige tijd om alle tekst te lezen. Veel dingen zijn trouwens van ondergeschikt belang. De heer Granada is in de oorlog door de Duitsers opgepakt, maar niet, zoals veel van zijn volksgenoten, naar Westerbork gestuurd. De Duitsers hadden de gewoonte, Joden met uitzonderlijke talenten een aparte behandeling te geven. De heer Granada was kunstkenner en kunsthandelaar. Waarschijnlijk hoopten de Duitsers dat hij hen kon vertellen of de schilderijen, die ze overal vandaan roofden voor hun leiders, vals waren of echt. In het laatste schrift zijn maar een stuk of tien bladzijden beschreven. Blijkbaar voelde meneer Granada aan dat de Duitsers van plan waren hem en zijn lotgenoten weg te voeren naar een concentratiekamp in Duitsland of Polen. Ik heb wat onderzoek gedaan en ben er achter gekomen, dat hij naar Theresienstadt is weggevoerd. Joden die daar terechtkwamen, waren in dit Tsjechische kamp beter af dan die in andere kampen.

Uiteindelijk is meneer Granada eind 1944 in Theresienstadt overleden aan longontsteking.

Samen met het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie bekijken we, of het de moeite waard is de dagboeken op de één of ander manier in boekvorm uit te geven.

We houden u op de hoogte.

 

Vriendelijke groet,

 

Johan Vleugels, conservator Museum Nairac in Barneveld.

 

In gedachten verzonken liet Remco zijn muis over de gescande bladzijden gaan. Het liefst wilde hij verder lezen, maar daar had hij op dat moment geen tijd voor. Daarom mailde hij het verhaal door naar zijn eigen computer thuis en naar die van Marieke. Dan kon zijn collega de dagboeken ook lezen.

 

’s Avonds, nadat hij had gegeten, begon Remco te lezen. Sommige aantekeningen waren niet interessant, al werd daardoor wel duidelijk hoe de Duitsers steeds verder gingen met hun maatregelen tegen de Joden. Eerst mochten ze niet in bepaalde restaurants en dergelijke komen en moesten ze allemaal een Jodenster dragen. Niet veel later werd begonnen met de razzia’s, waarbij Joden op straat of in hun huizen werden opgepakt, om te worden weggevoerd naar een concentratiekamp.

Meneer Granada werd gedwongen om voor de Duitsers te werken. Hij moest beoordelen of de kunst, die de Duitsers overal uit museums en huizen roofden, waardevol was of niet. Eerst mocht hij in Rotterdam blijven wonen, later werd hij weggevoerd naar Kasteel de Schaffelaar in Barneveld.

In het laatste schrift schreef Granada dat hij het gevoel had, dat hij binnenkort zou worden weggevoerd. Omdat hij niet wilde dat de Duitsers zijn dagboeken zouden vinden, had hij stiekem achter een houten schot een bergplaats voor de schriften gemaakt. Hij hoopte ze na de oorlog weer op te halen.

 

‘Hij heeft ze nooit meer op kunnen halen,’ bedacht Remco. ‘Net als miljoenen andere Joden heeft hij de oorlog niet overleefd.’

Na het lezen van de dagboeken besefte Remco des te beter, hoe vreselijk oorlogen zijn.

Zijn telefoon ging over en toen hij opnam bleek het Marieke te zijn.

“Ik heb de dagboeken gelezen,” zei ze. “Afschuwelijk, hè!”

“Ik hoop zoiets nooit mee te maken,” zei Remco ernstig.

“Ik ook niet,” zei Marieke. “Maar zolang deze aarde bestaat, zullen er altijd oorlogen blijven.”

“En ziekte, en hongersnood en rampen,” vulde Remco aan. “Ik hoop dat Jezus Christus gauw terugkomt op de wolken.”

“Pas dan wordt alles volmaakt,” voegde Marieke er aan toe. “Ik bid er iedere dag om.”

“Ik ook,” zei Remco. “Ik kan me niets mooiers en beters voorstellen!”

 


 
DIEVEN OP DE BOUWPLAATS

“Remco, je wordt bij de directeur verwacht.”

Geschrokken hield Remco Jongeneel de hoorn van zijn telefoon wat verder van zijn oor.

“Wat is er aan de hand?" vroeg hij aan Erik Drent.

“Dat weet ik niet,” zei de hoofdredacteur. “Maar ik geloof dat het nogal dringend is.”

“Vooruit dan maar,” zuchtte Remco. Hij legde de hoorn op de haak, controleerde of z’n kleren netjes waren en slofte de redactie af. Voor de deur van het kantoor bleef hij staan. Meneer Minnema, de directeur, bemoeide zich eigenlijk nooit met journalisten zoals hij. Dat liet hij aan zijn hoofdredacteur over. Minnema zorgde er vooral voor dat de krant financieel gezond bleef. Remco sprak hem bijna nooit, alleen bij bijzondere gelegenheden, zoals de nieuwjaarsreceptie.

Met lood in de schoenen klopte hij op de deur. Straks kreeg hij te horen dat hij werd ontslagen. Remco wist dat door de crisis het aantal abonnees was gedaald en dat er minder geadverteerd werd.

Zodra hij geklopt had klonk de stem van de directeur: “Binnen.”

Minnema keek op van zijn papieren. Toen hij Remco zag, zei hij: “Aha, daar ben je al. Ga zitten.”

Tot Remco’s opluchting klonk de stem van de directeur vriendelijk.

“Hoe gaat het?” vroeg hij, nadat Remco op de stoel tegenover hem was gaan zitten.

“Gewoon, z’n gangetje. Niets bijzonders, meneer.”

“Dus je zit momenteel niet midden in één of ander spannend avontuur?”

“Gelukkig niet, meneer,” antwoordde Remco. “Hoewel ik het natuurlijk wel leuk zou vinden weer eens met een leuke primeur naar de redactie te komen.”

“Tja,” zei meneer Minnema. “Het werk van een journalist is iedere dag weer anders. Soms gebeurt er weken niets en op andere dagen is het hier zo druk, dat we het werk niet aankunnen. Dat zal ook altijd wel zo blijven.”

“Het is inderdaad hollen of stilstaan,” knikte Remco. Hij vroeg zich af waar de directeur naartoe wilde.

“Heb je het zaterdag druk?” vroeg meneer Minnema.

“Ach, meestal vermaak ik me wel op mijn vrije dag, maar als u wilt dat ik extra kom werken ...”

“O, nee,” zei de directeur. “Met de kantoorbezetting voor de zaterdagen bemoei ik me niet. Dat laat ik aan Erik Drent over. Ik zal maar meteen met de deur in huis vallen: zou je een privéklusje voor me willen doen?”

“Dat hangt er vanaf!” zei Remco eerlijk. “Ik heb twee linkerhanden, dus als het om een klus in of om het huis gaat, kunt u beter iemand anders vragen.”

“Ik heb je handen niet nodig, maar je neus,” lachte de directeur.

“M’n neus?” Remco snapte er niets van.

“Je speurneus,” legde Minnema uit. “Uiteraard lees ik het Christelijk Dagblad iedere dag van A tot Z en regelmatig staan er verhalen in hoe jij misdaden oplost.”

“In de meeste gevallen was dat meer geluk dan wijsheid,” zei Remco vlug.

“Dat maakt niet uit, opgelost is opgelost,” vond de directeur. “Luister, ik heb een probleem. Zoals je waarschijnlijk wel weet ga ik over niet alle te lange tijd met pensioen. Daarom hebben mijn vrouw en ik besloten een bungalow te laten bouwen in de buurt van Scherpenzeel. Weet je waar Scherpenzeel ligt?”

Remco knikte instemmend.

“In de buurt van Barneveld,” wist hij.

“Precies. Een prachtig plaatsje. Mijn vrouw komt er vandaan, vandaar. Ik heb daar een stuk grond gekocht en een bevriende architect heeft in overleg met ons een huis ontworpen. Alles gelijkvloers, zodat we geen trappen meer hoeven te lopen. We hopen er samen oud te worden.”

‘Schiet op, man,’ dacht Remco. ‘Ik heb nog meer te doen!’

“Inmiddels is de bouw in volle gang,” vervolgde de directeur. “Het vervelende is alleen, dat er in het weekend en ’s avonds regelmatig bouwmaterialen worden gestolen. Er staat uiteraard een hek om het bouwterrein, maar daar trekken de dieven zich niets van aan. Afgelopen zaterdag heb ik zelf een oogje in het zeil gehouden, en toen is er niets gebeurd. Nou moet ik erbij zeggen, dat ik het ook niet al te tactisch heb aangepakt. Ik heb mijn auto in de buurt neergezet en heb de hele dag op de uitkijk gezeten. Ik denk dat ik een beetje te oud ben om me in het bos achter het bouwterrein te verschuilen.”

Remco schoot in de lach. Hij zag het al voor zich, de keurige meneer Minnema, die zich in de bosjes schuilhield.

“U wilt zeker dat ik aanstaande zaterdag de boel in de gaten houd,” begreep hij.

“Precies!” knikte de directeur opgelucht.

 

Zaterdags reed Remco, samen met Marieke, die hem wel wilde helpen, in zijn oude Eend via Nijkerk, waar ze de tweeling Christine en Christiaan oppikten, naar Scherpenzeel. Het duurde even voordat ze de plek hadden gevonden, waar de familie Minnema de bungalow liet bouwen. Met een kalm gangetje reed Remco er langs. Hij parkeerde de Eend een heel stuk verderop en daarna hielden ze krijgsraad. Uiteindelijk werd besloten dat Remco en Marieke de voorkant en de rechterzijkant in de gaten zouden houden en de tweeling de achterkant en de linkerzijkant. Met hun mobieltjes, die ze uiteraard op de trilstand hadden staan, zouden ze contact met elkaar houden.

Twee aan twee slopen ze daarna naar de bouwplaats. Daar viel weinig bijzonders te ontdekken. Remco had er geen idee van, hoe lang het nog zou duren voor het huis van de familie Minnema af moest zijn. De binnenmuren stonden er al en metselaars waren bezig met een buitenmuur van rode baksteen. Je kon al duidelijk zien waar de deuren en ramen kwamen.

Om de bouwplaats heen was een ijzeren hek geplaatst. Het was ongeveer twee meter hoog.

“Ik denk niet dat het moeilijk is daar overheen te klimmen,” zei Remco. “Ik zie nergens prikkeldraad en ik kan me niet voorstellen dat het hek onder stroom staat.”

“Jij liever dan ik!” antwoordde Marieke.

“Zal ik het eens proberen?” stelde Remco voor.

“Ben je mal,” schrok Marieke. “Straks komt er toevallig een politiewagen voorbij en denken de agenten dat jij de dief bent. Minnema heeft vast wel aangifte gedaan van de diefstal. Wat is er eigenlijk gestolen?”

“Van alles,” vertelde Remco, “stenen, hout, isolatiemateriaal…”

Hij werd onderbroken doordat hij zijn mobieltje in zijn broekzak hoorde trillen. Haastig haalde hij het voor de dag. Het was een sms’je  van Christiaan: “Zien jullie al iets verdachts?”

Marieke schoot in de lach toen Remco haar het berichtje liet lezen.

“Die is wel erg optimistisch,” zei ze.

 

Langzaam kropen de minuten voorbij. Remco en Marieke fluisterden met elkaar over van alles en nog wat en aan de andere kant van het gebouw deden Christiaan en Christine hetzelfde. Zodra er verkeer over de weg naderde, hielden ze hun mond, maar telkens opnieuw was het loos alarm.

“Tjonge,” zei Marieke na een uur. “Ik had niet verwacht dat het zo saai zou zijn.”

“Misschien komt er de hele dag wel niemand,” zei Remco somber. “Wat heb ik zin in een kop koffie!”

“O,” zei Marieke, “maar daar heb ik wel een oplossing voor.”

Ze maakte de grote boodschappentas, die ze bij zich had, open en haalde er een thermoskan en vier plastic bekers uit.

“Lusten je broertje en zusje ook koffie?” vroeg ze.

“Ze drinken het wel, maar ze hebben liever frisdrank. Volgens mij hebben ze van mijn moeder een fles cola meegekregen.”

“En aan jou heeft ze niet gedacht?”

“Ze vindt dat ik oud en wijs genoeg ben om voor mezelf te zorgen,” grijnsde Remco.

“Dat ben je dus niet,” concludeerde Marieke. “Als je mij toch niet had…”

“Volgens mij heb ik je niet,” zei Remco. Marieke kreeg een kleur als een biet en begon haastig twee mokken vol te schenken.

“Jij drinkt het nog steeds met suiker en melk, hè?” vroeg ze.

Remco knikte.

“Stil even!” zei hij. “Ik hoor iets!”

Langs de weg naderde een groep kinderen. Vanuit hun schuilplaats konden Marieke en Remco niet precies zien hoeveel het er waren.  Hun gelach en geschreeuw waren duidelijk te horen, maar door het lawaai konden ze niet verstaan waar de kinderen het over hadden. Ze fietsten langs de bouwplaats.

Zodra het geluid was weggestorven, kwam Remco overeind. Gebukt holde hij naar de weg. Verscholen achter een boom zag hij hoe de kinderen een paar honderd meter verderop afsloegen, een zandpad op.

‘Ze gaan waarschijnlijk spelen in het bos,’ bedacht hij, terwijl hij terugliep naar Marieke.

“Loos alarm,” zei hij, terwijl hij naast haar ging zitten.

“Dan kunnen we in ieder geval rustig onze koffie opdrinken,” vond Marieke.

Een kwartiertje later ging Remco’s mobieltje opnieuw over. Ditmaal was het Christine, die wilde weten tot hoe laat ze zouden blijven posten.

“Ik heb geen zin om te wachten tot we een ons wegen,’ zei ze. “Ik had gehoopt dat we een spannend avontuur zouden beleven.”

“Dat heb ik nooit gezegd,” zei Remco. “Jullie wilden zelf mee. Jullie hadden zelf ook kunnen bedenken dat het een hele tijd kan duren, voordat de dief of dieven komen opdagen.”

“Saai hoor,” zei Christine. “Christiaan is geloof ik al bijna in slaap gevallen.”

“Stil!” waarschuwde Marieke opeens. “Ik hoor iets.”

“Er komt waarschijnlijk iemand aan,” siste Remco in zijn mobieltje. “Ik bel je straks wel terug.”

Het geluid dat Marieke gehoord had kwam niet van de weg, maar vanuit de bosjes achter het huis.

“Duiken!” zei Remco. Hij ging zo plat mogelijk op de grond liggen en Marieke volgde zijn voorbeeld. Precies op tijd, want even later werden de struiken aan de bosrand voorzichtig opzij geschoven. Schichtig keek een blonde jongen van een jaar of dertien om zich heen. Toen hij er zeker van was dat er niemand bij de bouwplaats de wacht hield, draaide hij zich om en zei halfluid: “De kust is veilig!”

Eén voor één kwamen vijf kinderen uit de bosjes te voorschijn. De twee grootste kinderen maakten een kommetje van hun handen, zodat de kleinste jongen zonder moeite over het hek kon klimmen. Eenmaal op de bouwplaats sleepte hij eerst een grote, grijze mortelbak naar het hek toe. Hij draaide het ding op zijn kop, klom erop en knikte tevreden. Als hij bovenop de bak stond, kon hij met zijn handen precies bij het hek. Zodra hij aan de andere kant stond, liep een meisje naar de voorkant van het huis, naar de weg. Daar ging ze op de uitkijk staan.

“We hebben vooral stenen nodig!” zei de grootste jongen, die kennelijk de aanvoerder was van het groepje.

Het jongetje binnen het hek liep naar een grote stapel stenen, die keurig in de buurt van het huis stond opgestapeld.

Tot verbazing van Remco en Marieke pakte hij er twee vanaf. Hij liep er mee naar het hek en schoof ze eronderdoor. Daarna ging hij terug naar de stenen en herhaalde het ritueel zich. Twee van de andere kinderen raapten de stenen op en verdwenen er mee in het bos achter de bouwplaats. Ze waren bijna meteen weer terug.

“Ze verstoppen ze eerst in de bosjes,” fluisterde Marieke. “Wat doen we? Komen we gelijk te voorschijn, of wachten we nog even?”

“Laten we maar even wachten,” stelde Remco voor. “Ik ben benieuwd wat ze met die stenen van plan zijn.”

“Dat lijkt me duidelijk,” zei Marieke. “Ze bouwen ergens in het bos een hut. Heb jij dat vroeger nooit gedaan?”

“Natuurlijk wel,” gaf Remco toe. “Maar mijn vriendjes en ik gingen niet naar een bouwplaats om daar spullen weg te halen.”

Remco’s mobieltje ging over.

“Wat doen we? Bellen we de politie of nemen we ze zelf onder handen?” vroeg Christiaan.

“Wat vind jij?” wilde Remco weten.

Christiaan aarzelde even.

“Als we de politie waarschuwen, weten we zeker dat ze het nooit weer doen,” zei Christiaan. “Maar ik heb zelf ook wel eens iets uitgehaald wat niet mag.”

“O ja?” vroeg Remco. “Wat dan?”

“Dat doet er niet toe,” zei Christiaan vlug.

“Laat ze voorlopig hun gang maar gaan,” grinnikte Remco. “Zoveel te meer moeite moeten ze straks doen om alles weer terug te slepen.”

“Da’s een goeie!” vond Christiaan.

 

Meer dan een half uur sleepten de kinderen met stenen en planken. Zodra er langs de weg iemand aankwam, riep het meisje bij de straat een waarschuwing. De jongen binnen het hek verstopte zich dan achter de muren, de andere kinderen doken het bos in.

Remco stond op het punt in actie te komen, toen zijn mobieltje opnieuw overging. Ditmaal was het Christine.

“Ik heb een plannetje,” zei ze.

“Vertel!” zei Remco.

Toen Christine was uitgesproken, glimlachte Remco.

“Dat lijkt me uitstekend,” zei hij, voordat hij de verbinding verbrak. Vlug vertelde hij aan Marieke wat zijn zusje bedacht had.

Zodra er weer een auto passeerde, verlieten Remco en Marieke hun schuilplaats. Zachtjes, zodat de vijf kinderen het niet merkten, gingen ze dieper het bos in. Via een smal paadje liepen ze naar de plaats waar ze de Eend hadden achtergelaten. Vijf minuten later voegden Christine en Christiaan zich bij hen.

“Laten we maar gelijk op zoek gaan naar hun fietsen,” stelde Christine voor. Haar ogen glinsterden. “Wat zullen ze straks op hun neus kijken!”

 

Met z’n vieren gingen ze op zoek naar de fietsen van de vijf kinderen. Ze vonden ze uiteindelijk niet ver van het bospad. De drie grootste fietsen stonden op slot, de twee kleinsten waren zomaar in de bosjes gesmeten.

Remco, Marieke en Christiaan tilden alle drie één van de fietsen op bij het achterwiel, Christine pakte de twee kleinere fietsen bij het stuur.

“Waar zullen we ze verstoppen?” vroeg Christine zich hardop af.

“Er is hier vast wel ergens een droge greppel of zo in de buurt,” zei Remco. “Laten we in ieder geval maar die kant op gaan.” Met zijn hoofd wees hij naar links, verder bij de bouwplaats vandaan.

“We hoeven ze ook niet zo ver weg te brengen,” vond Marieke. “Het is immers niet de bedoeling dat we de fietsen houden.”

 

Honderd meter dieper het bos in vonden ze een ideale plek om de fietsen te verstoppen. Christiaan ontdekte een ondiepe greppel, die helemaal was overwoekerd met braamstruiken. Toen ze de fietsen erin legden, waren ze vanaf een afstandje niet meer te zien.

“En nu?” pufte Marieke. “Wachten we tot die kinderen klaar zijn en naar hun fietsen terugkomen?”

“Dat lijkt me niet nodig,” zei Remco. “Ik rijd in de Eend naar de bouwplaats en doe  alsof ik de boel kom controleren. Ik doe dan net of ik ontdek dat er weer spullen gestolen zijn en ga het bos in om te kijken of ik de dieven kan vinden. Ik weet bijna zeker, dat de kinderen er dan als een haas vandoor gaan, naar hun fietsen.”

“En daar staan wij dan op ze te wachten,” begreep Christiaan.

“Precies!” lachte Remco. “Ik kom uiteraard ook zo snel mogelijk hier weer naartoe.”

“Ik verheug me nu al op de beteuterde gezichten van die kinderen, als ze zien dat hun fietsen weg zijn,” grinnikte Christine.

 

Tien minuten later parkeerde Remco zijn Eend bij de bouwplaats. Hij stapte uit en deed geen moeite zachtjes te doen. Vanuit zijn ooghoeken zag hij in de bosjes naast de weg iets bewegen. Dat moest het meisje zijn dat op de uitkijk stond.

‘Ik ben benieuwd hoe dat kleine jongetje straks probeert te ontsnappen,’ dacht hij, terwijl hij langs het hek begon te lopen. ‘Volgens mij kan hij nooit ze snel over het hek klimmen!’

Toen hij ter hoogte van de stapel stenen kwam, zei hij hardop: “Wel heb je ooit! Volgens mij zijn er alweer stenen gestolen! Als ik die lui die dat doen in handen krijg, zwaait er wat!”

Zoekend keek hij om zich heen. Daarna haalde hij zijn mobieltje voor de dag. Hij toetste zogenaamd een nummer in en zei: “Spreek ik met de politie? Ja? Mooi zo! U spreekt met Remco Jongeneel. Ik sta hier aan de Ruwinkelseweg, bij Scherpenzeel, bij het huis in aanbouw van de heer Minnema uit Amersfoort.”

Hij wachtte even en vervolgde: “Precies, dat huis waar regelmatig bouwmaterialen worden gestolen. Zou u onmiddellijk hierheen kunnen komen, want er zijn weer spullen weggehaald. Misschien zijn de daders nog in de buurt en kunt ze oppakken.”

Remco sprak expres zo luid, dat de kinderen het konden horen, als ze tenminste nog in de buurt waren. Zijn woorden hadden meteen effect. Vanuit het huis rende het jongetje naar de omgekeerde ton bij het hek. Hij trok zich razendsnel op aan de bovenrand van het hek, klom er overheen en voordat Remco van zijn verbazing was bekomen, verdween hij in het struikgewas.

Toen Remco bij de bosrand kwam, hoorde hij het wegstervende geluid van krakende takken. Kennelijk waren de kinderen er als een haas vandoor gegaan. Snel liep hij daarom terug naar zijn auto. Hij was net op tijd terug bij de anderen, voordat de vijf kinderen op de plaats aankwamen, waar ze hun fietsen hadden verstopt.

Haastig verstopten Remco, Marieke en de tweeling zich.

“Onze fietsen zijn weg!” hoorden ze één van de meisjes roepen.

“Ze liggen vast ergens anders,” probeerde de oudste jongen haar gerust te stellen.

“Straks zijn ze gestolen!” gilde het kleine jongetje. “Als mama dat hoort, zwaait er wat!”

“Er zal nog wel meer zwaaien!” zei Remco, terwijl hij tevoorschijn kwam. “Vooral als ze hoort dat jullie bouwmateriaal stelen.”

De vijf kinderen wilden er vandoor gaan. Twee wisten er te ontsnappen, maar Marieke, de tweeling en Remco kregen er drie te pakken. Toen ze zagen dat hun vriendjes geen kant meer op konden, kwamen de twee anderen aarzelend terug. Op veilige afstand bleven ze staan, klaar om er alsnog vandoor te gaan.

“Jullie zijn niet van de politie!” zei de oudste jongen. Zijn stem klonk opgelucht.

“Hij heeft de politie gebeld,” wees het kleinste jongetje naar Remco. “Ze komen er aan. Straks komen we in de gevangenis.”

“Dat kan heel goed,” knikte Remco. “Boeven en dieven horen in de cel.”

“Wij zijn geen boeven,” protesteerde het meisje dat op de uitkijk had gestaan. “We speelden alleen maar.”

“We hebben stenen en hout nodig voor onze hut in het bos,” legde het andere meisje uit.

“We hebben de mooiste hut van de wereld,” zei de kleinste jongen.

“Dat zal best, als jullie daarvoor nieuw bouwmateriaal gebruiken,” zei Remco.

“Een paar stenen en planken mist niemand,” zei de oudste jongen. “Er ligt genoeg.”

“Meneer Minnema, die het huis laat bouwen, miste de spullen wel degelijk,” zei Remco. “Hebben jullie vaders en moeders jullie niet geleerd dat je niet mag stelen?”

“Jawel,” knikte het meisje. “En juf, en de dominee in de kerk…”

“Jullie weten het dus wel,” zei Marieke. “Wat doen we nu?”

“Laten we eerst hun ouders maar bellen,” stelde Remco voor. Hij keek de oudste jongen straks aan. “Hoe heet je en wat is jullie telefoonnummer?”

De jongen keek naar de grond, maar gaf geen antwoord.

“Goed dan,” zei Remco. “Dan zit er niets anders op dan dat we echt de politie gaan bellen.”

“Ik weet ons nummer wel,” zei één van de meisjes. “Ik heet Sanne, hij heet Patrick, dat is Tom, mijn vriendin heet Leontien en dat is mijn broertje Sam.”

“Mooi zo,” zei Remco bars. “Schrijf jij hun namen en telefoonnummers op, Christiaan?”

Hij haalde een pen en schrijfblokje uit zijn jaszak en gaf die aan zijn broertje. Nadat alle kinderen hun namen hadden genoemd, belde Remco één van de telefoonnummers die ze hadden opgegeven. De achternaam van de vrouw die hij aan de lijn kreeg, klopte met die het meisje had opgegeven. Vlug zei Remco dat hij een verkeerd nummer had ingetoetst.

“Luister,” zei hij tegen de kinderen. “Ik heb een voorstel. Jullie brengen alle spullen die jullie bij de bouwplaats hebben weggehaald, netjes terug. Daarna krijgen jullie je fietsen van ons terug. Tenminste, als jullie ons beloven nooit meer zomaar ergens spullen weg te halen die niet van jullie zijn.”

Om beurten knikten de kinderen dat ze het er mee eens waren.

“Goed,” zei Remco. “Dan gaan we nu naar de hut.”

 

De hut van de kinderen zag er inderdaad fantastisch uit. Hij leek op een klein, gewoon huis. Remco, Marieke en de tweeling vonden het bijna jammer dat hij moest worden afgebroken. Omdat ze wel snapten dat het voor de vijf kinderen een hele klus was alles terug te brengen, en omdat ze geen zin hadden de hele dag in de buurt van Scherpenzeel te blijven, hielpen Remco en de anderen mee met het terugbrengen van de stenen en het hout.

Toen ze eindelijk klaar waren, brachten ze het vijftal naar hun fietsen. Nadat de kinderen nogmaals hadden beloofd, dat ze nooit meer zo’n streek zouden uithalen, namen ze afscheid.

“Eigenlijk ben ik wel blij dat het ontdekt is,” zei het oudste meisje eerlijk. “Dan krijg ik morgen ook geen rood hoofd meer, als de dominee in de kerk zegt dat we niet mogen stelen. We zullen het echt nooit meer doen.”

“Gelukkig maar,” zei Remco, “want anders…”

“Komen wij in de gevangenis!” vulde het kleinste jongetje aan.

 

Lachend keken Marieke, Remco, Christiaan en Christine de kinderen na, toen ze er als een speer op hun fietsen vandoor gingen.

“Die doen dit vast nooit meer,” zei Christine tevreden.

“Dat denk ik ook niet,” was Christiaan het roerend met haar eens. “Dat hebben we samen mooi opgelost!”

“Zo is dat!” zei Remco. “Ik vind dat we wel een patatje verdiend hebben. Ik trakteer!”

“Doe er dan ook maar een kroket bij!” lachte Marieke.

 


 

AANSLAG TUSSEN RIOLERINGSBUIZEN

Met een kalm gangetje reed Remco Jongeneel in zijn oude Eend over de N34 naar Hardenberg. Zijn collega, de fotografe Marieke Wielinga, zat naast hem.

“Er zijn hier in de buurt écht veel campings, hè,” constateerde Marieke.

Remco knikte instemmend.

“Ik heb hier zelf ook wel eens gekampeerd,” vertelde hij. “Op de Kleine Belties, vlakbij Hardenberg.”

“Dat meen je niet!”

“Samen met mijn ouders,” vervolgde Remco. “Ik denk dat ik een jaar of tien was.”

Hij grinnikte toen hij eraan terugdacht. “De tweeling was toen uiteraard nog klein. We moesten hen constant in de gaten houden. Het grootste gedeelte van de dag waren Christine en Christiaan in de spartelvijver op het terrein te vinden.”

“Volgens mij is die hele camping momenteel één grote spartelvijver,” zei Marieke somber. “We hebben dit jaar een zomer om gauw te vergeten.”

“Gelukkig is het vandaag droog,” zei Remco.

“Heb jij een beetje zin om naar de Wavin te gaan?” vroeg Marieke nieuwsgierig.

“Niet echt,” zei Remco eerlijk. “Zoals je weet heb ik een hekel aan klussen. Ik heb op de website van de Wavin gekeken en daar gezien dat ze heel veel artikelen maken die daarmee te maken hebben.”

“Ik vind het hele idee om deze zomer een reeks artikelen te schrijven over bedrijven die belangrijk zijn voor een stad of dorp, eigenlijk een beetje onzin,” vond Marieke. “Volgens mij zitten de lezers van het Christelijk Dagblad daar helemaal niet op te wachten.”

“Alleen die mensen, die wat met dat bedrijf te maken hebben, vinden het waarschijnlijk interessant,” veronderstelde Remco. “Maar ja, de krant moet vol, ook in komkommertijd.”

“Waarom is er eigenlijk voor de Wavin gekozen?” vroeg Marieke zich hardop af. “Kijk, dat we naar Philips in Eindhoven moesten en naar de hoogovens van Corus in IJmuiden snap ik, maar de Wavin…? Eerlijk gezegd had ik nog nooit van dat bedrijf gehoord.”

“Onze geliefde hoofdredacteur Erik Drent heeft waarschijnlijk familie die daar werkt,” lachte Remco. “En als ik het goed begrepen heb, werken er nogal wat lezers van onze krant bij de Wavin.”

“Ik zal blij zijn als het erop zit,” zei Marieke.

 

Een halfuurtje later meldden ze zich bij de receptioniste van de Wavin.

“Jullie worden verwacht,” zei ze vriendelijk.

Het meisje bracht Remco en Marieke naar een vertrek, dat waarschijnlijk als vergaderruimte gebruikt werd. Er stond een grote tafel, met daaromheen acht stoelen. Aan één van de muren was een scherm gemonteerd en aan het plafond hing een beamer.

“Ga zitten,” zei de receptioniste. “Er komt zo iemand bij u. Wilt u vast koffie?”

“Graag,” zeiden Marieke en Remco, precies tegelijk.

Al voordat de koffie gebracht werd, kwam een vrouw van een jaar of veertig het vertrek binnen. Remco en Marieke, die waren gaan zitten, kwamen meteen overeind om haar de hand te schudden. De vrouw droeg een keurig donkerblauw mantelpakje, met daaronder een kreukloze witte blouse. Het jasje werd opgesierd door een gouden broche, ingelegd met een paar kleine diamanten.

‘Niet echt kleding om naar je werk aan te trekken,’ dacht Marieke verwonderd. ‘Blijkbaar hoopt ze dat we ook een foto van haar bij het artikel plaatsen.’

“Goedemorgen,” zei de vrouw op zakelijke toon. “Ik ben mevrouw Plaggermars, Head Sales Representative en Promotion.”

‘Met andere woorden, hoofdvertegenwoordiger,’ dacht Remco geamuseerd. ‘Ik had niet gedacht dat ze in Hardenberg ook al de gewoonte hebben om alles te verengelsen.’

“Waarschijnlijk had u geen vrouw op deze functie verwacht,” vervolgde mevrouw Plaggermars, “maar dat ben ik al gewend. Ook binnen de fabriek heeft mijn benoeming, een paar maanden geleden, de nodige weerstand opgeroepen. Er doen allerlei verhalen de ronde, die nergens op slaan, maar daar sta ik uiteraard boven. Ik heb de functie gekregen omdat ik daarvoor het best gekwalificeerd ben. Ik hoop dat dit duidelijk is.”

‘Wat een raar mens,’ dacht Marieke. ‘Ze schiet meteen in de verdediging, terwijl er niemand is die haar aanvalt.’

Remco schoof wat ongemakkelijk heen en weer en zei toen: “Dan hebben we in ieder geval met de juiste persoon te maken. U weet wat de bedoeling is?”

“Uiteraard,” zei de vrouw, op een toon van: ‘Hoe durf je daaraan te twijfelen?’ “Ik heb het volgende programma samengesteld. Terwijl u uw koffie opdrinkt, kijken we samen naar een power-point presentatie en een korte film van ons bedrijf. Daarna leid ik u rond door de fabriek. Onderweg kunt u vragen stellen aan verschillende medewerkers. Niet aan alle, want dat zou het productieproces verstoren, maar aan de mensen die ik aan u zal voorstellen. Aan het einde van de rondleiding komen we hier weer terug en zal ik uw overgebleven vragen beantwoorden. O ja, voordat u uw verhaal gaat publiceren, wil ik inzage hebben in het artikel, om eventuele onjuistheden te kunnen corrigeren. Is het tot zover duidelijk?”

Remco wist het: “Ja, juf,” dat op het puntje van zijn tong lag, nog net in te slikken. Wat een vreemd mens, zeg. Hij vermoedde dat het haar de nodige moeite gekost had zich binnen de Wavin op te werken, maar als ze zich tegenover haar collega’s net zo gedroeg als tegen Marieke en hem, was dat geen wonder.

 

Een halfuur later en heel wat informatie rijker wandelden ze door de fabriek. Aan het begin van de rondleiding had zich een man bij hen gevoegd, die tekst en uitleg gaf over het productieproces. Blijkbaar wist mevrouw Plaggermars er niet genoeg van om de rondleiding alleen te doen. De man, die zich voorstelde als Jan Heutink, was een heel ander type dan de vrouw. Hij lachte veel en gemeend, waardoor het gezicht van mevrouw Plaggermars steeds strakker kwam te staan. Het viel Remco op dat hij haar aansprak als mevrouw, en niet bij haar voornaam, wat toch veel logischer zou zijn.

De belangrijkste producten die bij de Wavin gemaakt werden, waren rioleringsbuizen met een verschillende doorsnee en lengte. De buizen waren hoog opgestapeld langs de muren van de hal aan weerszijden van de gang waardoor ze liepen. Ongeveer twee meter onder het dak was een looppad aangebracht van zo’n vijfenzeventig centimeter breed. Een ijzeren balustrade zorgde ervoor dat de mensen die op deze galerij liepen niet naar beneden vielen. Aan die balustrade waren brede sjorbanden bevestigd, die over de opgeslagen buizen waren gespannen. Beneden, op de grond, waren de banden vastgemaakt aan metalen palen van ongeveer anderhalve meter hoog. Elke stapel buizen werd door drie van deze sjorbanden en palen op zijn plaats gehouden.

Marieke, die al de nodige foto’s had gemaakt, bleef even achter om een foto te maken van mevrouw Plaggermars, Jan Heutink en Remco, tussen de grijze buizen, omdat ze vermoedde dat dit een mooi plaatje zou opleveren. Tevreden constateerde ze dat dit inderdaad het geval was. Het drietal leek behoorlijk nietig tussen de immense voorraad rioleringsbuizen.

Terwijl ze haar camera scherp stelde, zag ze in de linkerbovenhoek van het schermpje wat bewegen. Vergiste ze zich, of had de man, die boven op de galerij liep, een grote tang in zijn handen?

Toen ze op hem inzoomde, kreeg ze zekerheid. De man had inderdaad een tang bij zich en stond op het punt die te gebruiken.

Marieke slaakte een kreet van schrik.

Zodra Remco de stem van Marieke hoorde, wist hij dat er iets flink mis was. Marieke was er het type niet naar om het bij het minste of geringste op een gillen te zetten.

“Wegwezen hier,” riep hij. Hij pakte mevrouw Plaggermars bij haar linkerarm en Jan Heutink bij zijn rechter. Daarna begon hij te rennen.

Allebei de medewerkers van Wavin, die er niets van begrepen, probeerden zich los te rukken. Het lukte Jan Heutink, die veel sterker was dan Remco, maar mevrouw Plaggermars werd tegen haar wil door Remco meegesleurd.

“Laat me los!” De stem van de vrouw sloeg over.

Remco gaf geen antwoord. Zijn ogen werden groot van ontzetting toen de stapel buizen naast hem in beweging kwam; eerst langzaam en daarna steeds sneller.

Als Marieke een paar tellen later had gewaarschuwd, waren zowel Remco als mevrouw Plaggermars en Jan Heutink onder de vallende buizen bekneld geraakt. Dankzij Remco’s snelle reactie had hij zichzelf en de vrouw in veiligheid weten te brengen, voorbij de stapel losgeraakte buizen.

Jan Heutink had minder geluk. Hij had het gevaar te laat ingezien en niet aan de vallende buizen kunnen ontsnappen. Toen Remco omkeek zag hij tot zijn ontzetting alleen een grote stapel buizen, die kriskras door elkaar lagen. Hun gids was nergens te bekennen. Tot zijn opluchting zag hij dat Marieke veilig aan de andere kant van de ravage stond. Zo te zien mankeerde haar niets.

“Kijk uit!” riep ze hem toe. “Straks komt de volgende stapel ook naar beneden!”

Remco keek opzij, naar de stapel buizen naast hem. De drie sjorbanden zaten nog keurig op hun plaats.

“Er is daar boven een man!” waarschuwde Marieke.

Remco wist genoeg.

“Hoe kom ik daar?” vroeg hij aan mevrouw Plaggermars.

Ze gaf geen antwoord. De vrouw was op de grond gaan zitten en huilde met gierende uithalen.

“Bel 112!” riep hij Marieke toe.

Marieke had zijn advies niet nodig en was al aan het bellen. Intussen kwamen steeds meer medewerkers van de Wavin aangerend, opgeschrikt door het lawaai van de vallende buizen.

“Er ligt iemand onder,” zei Remco tegen de mannen die als eersten arriveerden.

Haastig begonnen een paar mannen aan de buizen te trekken. Door hun onbeheerste actie kwam de buizen opnieuw in beweging. Geschrokken deinsden ze terug.

“We moeten bovenaan beginnen,” constateerde één van hen.

“Wie ligt er onder?” vroeg een ander. Daarbij keek hij naar mevrouw Plaggermars, die nog steeds op de grond zat. Ze huilde niet meer, maar zat verdwaasd voor zich uit te kijken.

“Jan Heutink,” antwoordde Remco in haar plaats.

“Wat is er gebeurd?”

“Waarschijnlijk is één van de spanbanden geknapt en konden de twee andere banden het gewicht van de lading buizen niet dragen,” legde Remco uit.

De man met wie hij sprak, schudde zijn hoofd.

“Onmogelijk! Die banden zijn zo sterk, dat ze een veelvoud van het gewicht van de buizen kunnen houden. En ze worden regelmatig gecontroleerd. Zodra we zien dat de banden slijtageplekken vertonen, worden ze vervangen. Iets dergelijks is nog nooit eerder gebeurd.”

Remco stond op het punt de man te vertellen, dat Marieke iemand op de balustrade had gezien, maar bedacht zich. De mensen in de fabriek zouden er snel genoeg achter komen dat het geen ongeluk was, maar dat er opzet in het spel was. Het was nu eerst zaak Jan Heutink uit zijn benarde positie te bevrijden.

Hij keek naar mevrouw Plaggermars, die nog altijd geen aanstalten maakte overeind te komen.

‘Gezien haar functie zou zij hier de leiding moeten nemen,’ bedacht Remco. Hij probeerde haar overeind te helpen, maar de vrouw weerde hem af.

“Het is mijn schuld,” mompelde ze, zo zacht dat alleen Remco het kon verstaan.

Remco haalde zijn schouders op. Dit was echt zo’n opmerking waar hij niets mee kon. Hoe kon iemand schuldig zijn aan iets, waarvan zijzelf bijna het slachtoffer was geworden?

Op dat moment voegde Marieke zich bij hem. Op de één of andere manier had ze kans gezien om de ravage heen te lopen.

“Ik let wel op haar,” zei ze zacht tegen Remco.

Remco begreep meteen wat ze bedoelde.

“Goed,” fluisterde hij terug. “Dan ga ik boven kijken.”

“Doe voorzichtig,” waarschuwde Marieke. “Misschien zit hij er nog.”

“Dat lijkt me stug,” zei Remco. Hij keek om zich heen, op zoek naar een trap waarlangs hij de balustrade kon bereiken. Uiteindelijk ontdekte hij die helemaal aan het eind van de hal, tegen de buitenmuur.

Terwijl hij er naar toe rende, keek hij zoekend om zich heen, op zoek naar iets dat hij eventueel als wapen kon gebruiken. Helaas zag hij niets bruikbaars. De hal bevatte niets anders dan kunststof buizen.

Bij de trap aangekomen, haalde hij zijn schouders op. De dader was waarschijnlijk toch al lang en breed gevlogen. Terwijl hij de trap beklom, hoorde hij in de verte het geluid van een sirene.

Boven aangekomen bleek dat hij het bij het rechte eind had. De balustrade was leeg. Wel zag hij in de verte, op de plaats waar de buizen naar beneden waren gekomen, iets liggen.

Haastig liep Remco er naartoe. Op de grond lag een grote tang, die normaal gesproken gebruikt werd om dikke leidingen door te knippen. De dader had niet de moeite genomen die op zijn vlucht mee te nemen.

Remco had de neiging de tang op te pakken, maar wist zich te beheersen. Hoewel hij het betwijfelde, was het mogelijk dat er vingerafdrukken op het gereedschap zaten.

Hij keek naar beneden, waar inmiddels de eerste politieagenten gearriveerd waren. Ze stonden met Marieke en mevrouw Plaggermars, die eindelijk overeind was gekomen, te praten. Eén van hen keek naar boven.

Remco wenkte hem en riep: “U kunt beter even hier naartoe komen.”

Na een kort overleg, kwamen twee agenten naar Remco toe. Zonder iets te zeggen wees Remco eerst naar de tang en daarna naar de uiteinden van de sjorbanden, die aan het hek vastzaten.

“Het is dus geen ongeluk,” stelde één van de agenten vast.

“Er is opzet in het spel,” knikte Remco. “Mijn collega heeft het gezien.”

“Wie bent u en wie is uw collega?” wilde de politieman weten.

“Ik ben Remco Jongeneel, journalist van het Christelijk Dagblad,” stelde Remco zich voor. “En de jongste van die twee vrouwen daar is mijn collega Marieke Wielinga.”

“Het Team!” zei de andere politieman. Toen hij Remco’s verbaasde gezicht zag, voegde hij er met een grijns aan toe: “Hier in Hardenberg zijn heel veel mensen die jullie krant lezen.”

“Goed,” zei de eerste agent, die kennelijk de leiding had. “We zullen eerst de sporen veilig moeten stellen. Albert, zorg ervoor dat er niemand naar boven gaat. Hebt u die tang of de reling aangeraakt?”

Remco schudde zijn hoofd.

“Mooi, dan hoeven we straks alleen een afdruk van de zolen van uw schoenen te maken,” stelde hij vast. “Gaat u met me mee, meneer Jongeneel. Wij willen u graag als eerste een aantal vragen stellen.”

Remco knikte instemmend. Hij had niet anders verwacht. Wel zei hij: “Ik denk dat mijn collega u meer kan vertellen. Zij heeft hier iemand gezien en ons gewaarschuwd. Mevrouw Plaggermars en ik wisten weg te komen, maar Jan Heutink had minder geluk. Hij werd door de buizen bedolven.”

Hij keek naar beneden, waar de mannen er gelukkig in waren geslaagd de buizen, waaronder hun onfortuinlijke collega lag, te verwijderen. Zelfs vanaf de balustrade was duidelijk te zien dat Jan er niet al te best aan toe was. Hij bewoog niet en zijn voorhoofd zat onder het bloed. Gelukkig waren er inmiddels ook twee ambulances gearriveerd. Eén van de ambulancebroeders was bezig een kraag rond de nek van het slachtoffer aan te brengen. Remco zag dat ze hem daarna heel voorzichtig op een brancard legden, die daarna haastig naar de uitgang werd gereden.

‘Hij is dus niet in coma,’ constateerde Remco opgelucht. ‘Anders zouden ze vast en zeker te plekke geprobeerd hebben hem te reanimeren.”

 

Tien minuten later zaten hij en Marieke tegenover een andere politieman in hetzelfde vertrek waar hun rondleiding bij de Wavin was begonnen. Remco had min of meer verwacht, dat hij en Marieke afzonderlijk zouden worden verhoord, maar dat bleek niet het geval te zijn.

Nadat hij allerlei gegevens, zoals hun namen, leeftijd en dergelijke had genoteerd, vroeg rechercheur Wits waarom ze naar Hardenberg waren gekomen. Terwijl Marieke en Remco hem het doel van hun bezoek aan de Wavin uitlegden, knikte hij af en toe instemmend.

“Wie wisten er allemaal dat jullie vandaag een rondleiding door de fabriek kregen?” wilde Wits weten.

“Geen idee,” antwoordde Remco. “Uiteraard weten onze collega’s in Amersfoort dat we hier zijn, maar wie het bij de Wavin wisten..? Ik denk dat u dat beter aan mevrouw Plaggermars kunt vragen.”

“Ik neem aan dat Jan Heutink het ook wist,” zei Marieke.

“Jan Heutink is het slachtoffer?” Het was meer een constatering dan een vraag.

“En de receptioniste was ook op de hoogte,” bedacht Marieke. “Er is nooit geheimzinnig gedaan over onze komst.”

“Dus alle medewerkers van de fabriek konden het weten?”

“Dat denk ik wel,” knikte Remco.

“Ik wil dat jullie over de volgende vraag die ik ga stellen, goed nadenken,” vervolgde rechercheur Wits. Hij stopte even en vroeg toen: “Kan het zijn dat de aanslag tegen jullie gericht was?”

Verbaasd keken Remco en Marieke elkaar aan. Daar hadden ze allebei nog niet aan gedacht.

“Het zou kunnen,” aarzelde Marieke.

“De afgelopen jaren hebben we ervoor gezorgd dat er heel wat schurken achter de tralies zijn beland,” vulde Remco haar aan. “Maar waarom die juist hier en nu zouden toeslaan…”

“Misschien werkt één van hen nu hier, en heeft hij gehoord dat jullie vandaag op bezoek zouden komen,” opperde Wits. “Als dat zo is hebben we een motief.”

“Dan zouden we aan de directie moeten vragen of we de personeelslijsten mogen bekijken, om te zien of er een bekende naam op voorkomt,” zei Marieke.

“Het kan net zo goed iemand van buiten de Wavin zijn,” zei Remco somber. “Volgens mij is het niet moeilijk om hier overdag ongezien binnen te komen.”

“Dat denk ik ook niet,” was de rechercheur het met hem eens.

“De man droeg in ieder geval een overall van de Wavin,” herinnerde Marieke zich. Ze pakte haar fototoestel, dat voor haar op tafel lag. “Misschien staat hij wel op één van de foto’s die ik gemaakt heb.”

“U hebt foto’s gemaakt?” zei Wits verrast. “En dat vertelt u nu pas!”

“Ik ben fotografe,” hielp Marieke hem herinneren. “Het is mijn werk foto’s te maken. Maar ik denk niet dat we daar veel aan hebben. Of het moet zo zijn dat hij nog net op de foto staat, die ik heb gemaakt van Remco, Jan Heutink en mevrouw Plaggermars, tussen de buizen, vlak voor het ongeluk.”

Ze zette het toestel aan op de stand waarop ze de gemaakte foto’s terug kon kijken. Omdat de genoemde foto de laatste was die ze gemaakt had, verscheen die als eerste in beeld.

Remco, die over haar schouder meekeek, zei opgewonden: “Kijk, daar bovenin, die blauwe vlek! Dat moet hem zijn!”

Marieke was al bezig in te zoomen. Ondanks het feit dat ze een professionele camera had, lukte het niet een helder beeld van de man te krijgen. Zwijgend overhandigde ze het fototoestel aan de rechercheur. Een beetje tot haar verbazing reageerde die enthousiast.

“Gelukkig hebt u een camera met een hoge resolutie,” zei hij. “Met een professioneel bewerkingsprogramma zal het onze experts weinig moeite kosten er een afdruk van te maken die scherp genoeg is om de dader te herkennen. Mag ik de kaart van u hebben?”

Geschrokken keek Marieke hem aan.

“We kopiëren hem eerst naar mijn laptop,” zei Remco, die begreep waar bij Marieke de schoen wrong.

“Dat moet dan maar,” knikte Marieke.

 

Terwijl Remco bezig was de bestanden van de kaart over te zetten op zijn laptop, kwam een andere politieman het vertrek binnen.

“Mevrouw Plaggermars is helemaal van de kaart,” zei hij tegen Wits. “Ze blijft maar beweren dat het haar schuld is. Verder is er geen zinnig woord uit te krijgen.”

“Dat zei ze tegen mij ook,” herinnerde Remco zich.

“Dat zijn geen zaken die we bespreken in het bijzijn van getuigen, Hoving, ” wees Wits hem terecht. “Zeker niet als die getuigen ook nog eens bij een krant werken.”

“Ik had begrepen dat zij ook slachtoffer waren,” verontschuldigde Hoving zich.

“Ik denk dat ik wel weet, wat mevrouw Plaggermars bedoelt met: ‘Het is mijn schuld’,” zei Marieke.

“Journalisten weten altijd alles beter!” zei Hoving op minachtende toon.

“Kent u mevrouw Plaggermars?” kaatste Marieke de bal terug.

Toen de rechercheur geen antwoord gaf, vervolgde ze: “Ik ben bang dat mevrouw Plaggermars niet veel vrienden heeft binnen de Wavin. Het is duidelijk dat ze het idee heeft dat ze zich constant moet bewijzen als vrouw in een mannenwereld. Daardoor heeft ze zich niet geliefd gemaakt.”

“Jan Heutink sprak haar aan als mevrouw, niet bij haar voornaam,” voegde Remco er aan toe. “Hoe is het eigenlijk met hem?”

“Naar omstandigheden goed,” wist rechercheur Hoving. “Hij heeft een hoofdwond en een paar gebroken ribben, als ik het goed heb begrepen. Hij ligt hier in het ziekenhuis, maar is niet in levensgevaar.”

“Gelukkig maar,” zeiden Remco en Marieke, precies tegelijk.

“Dus jullie denken dat de aanslag voor mevrouw Plaggermars bestemd was,” zei Wits.

“Dat is ze volgens mij zelf ook van overtuigd,” zei Marieke. “Ik denk dat u maar eens met de directie van de Wavin om de tafel moet gaan zitten. Zij kunnen u vast wel vertellen wie van hun medewerkers er ook naar haar baan hebben gesolliciteerd. Tien tegen één dat één van hen de dader is.”

“Dat had ik zelf ook al bedacht,” zei Wits, een beetje zuur. Hij stak zijn hand uit, om het SD kaartje van Marieke in ontvangst te nemen. “Wat mij betreft kunnen jullie gaan. Ik bel jullie wel als we de dader te pakken hebben.”

 

Rechercheur Wits hield woord. Hij belde nog dezelfde middag.

Met behulp van de uitvergrote foto was het niet moeilijk geweest de dader van de aanslag op te sporen. De man had inderdaad uit jaloezie gehandeld. Hij was woedend geweest toe mevrouw Plaggermars de baan had gekregen en had op deze manier wraak willen nemen. Hij had verklaard dat het niet zijn bedoeling was geweest, haar iets aan te doen, maar alleen om haar schrik aan te jagen.

Aan het eind van het telefoongesprek had Wits nog een verrassende mededeling.

“Weten jullie waarom mevrouw Plaggermars zei dat het haar schuld was? Ze heeft toegegeven dat zij eigenlijk helemaal niet de juiste persoon was voor de baan. Ze heeft gelogen over haar opleiding om de baan te krijgen. Ze stelde zich zo afstandelijk op, omdat ze bang was door de mand te vallen als ze op te vriendschappelijke voet kwam te staan met haar collega’s. Ze heeft op staande voet ontslag gekregen.”

“Asjemenou!” zei Remco. Hij nam afscheid van de rechercheur en verbrak de verbinding. Toen hij Marieke vertelde wat hij zojuist gehoord had, zie die: “Jaloezie is een raar ding. Gelukkig dat de leugen bijna altijd wordt achterhaald door de waarheid.”

“De leugen regeert,” knikte Remco. “Gelukkig komt er een tijd dat er een eind komt aan alle ellende.”

“Wat mij betreft mag dat vandaag gebeuren,” zei Marieke.


  Deze maand een kerstverhaal

Een bijzondere nacht


Het bleef maar sneeuwen. Steeds langzamer ploeterde de grote, zwaarbeladen vrachtwagen door het glooiende landschap. Hoewel de chauffeur besefte dat het in feite onbegonnen werk was, bleef hij volhouden. Het eentonige gezwiep van de ruitenwissers werkte hypnotiserend en de man had moeite zijn ogen open te houden.

‘Ik moet volhouden,’ hield hij zichzelf keer op keer voor. ‘Verder naar het noorden is het beter.’

De weg voor hem was verlaten en een tegenligger had hij al minstens een halfuur niet meer gezien. Bijna iedereen had de weerwaarschuwing, die via de Duitse radio de ether in was gestuurd, ter harte genomen. Het sneeuwde nu al vierentwintig uur achter elkaar en de verwachting was dat het de hele nacht door zou sneeuwen. Hier, in het zuiden van Duitsland, hadden ze dit jaar in ieder geval een witte kerst.

Het mobieltje in de houder naast het stuur ging over. De chauffeur wierp een blik op de display en zuchtte diep voordat hij de ontvangstknop indrukte.

“Ja,” zei hij kort.

“Waar blijf je nou?” klonk het verwijtend. “Je hebt beloofd dat je met kerst thuis zou zijn.”

“Dat wil ik ook, maar ik ben bang dat het niet gaat lukken.”

“Waar ben je dan?”

“Nog steeds in Zuid-Duitsland. Het sneeuwt hier verschrikkelijk en ik rijd momenteel niet harder dan dertig per uur.”

“Dertig per uur? Maar dan red je het nooit.”

“Dat probeer ik je nu al de hele dag duidelijk te maken.”

“Maar dan zit ik met de kerstdagen alleen en je had beloofd het kerstdiner klaar te maken. Wat moet ik nu? Je weet best dat ik al onze vrienden heb uitgenodigd.”

“Dan bel je die maar af.”

“Volgens mij doe je het erom!”

“Ja, het is mijn schuld dat het hier de hele dag sneeuwt. Denk je dat het voor mij leuk is, de kerstnacht in de cabine van mijn vrachtwagen door te brengen?”

“Je had die rit naar Italië moeten weigeren.”

“Toen ik uit Nederland wegging, was er nog niets aan de hand, dat weet jij net zo goed als ik. Ik zal proberen naar huis te komen, maar kan niets beloven. Als de wegen niet snel beter worden, red ik het zeker niet.”

“Wordt er in Duitsland niet gestrooid?”

“Het pak sneeuw is zo dik, dat er sneeuwschuivers aan te pas moeten komen en ik ben bang, dat die pas morgen worden ingezet.”

“Nou, je wordt bedankt!”

Zonder groet verbrak zijn vrouw de verbinding.

“Ze snapt er niets van,” mompelde de man in het luchtledige.

Hij drukte het gas iets dieper in, in de hoop dat hij daardoor wat sneller vooruit zou komen. Meteen begonnen de banden van de oplegger te slippen. Haastig nam de man gas terug.

‘Ik lijk wel niet goed wijs, dat ik het blijf proberen,’ bedacht hij. ‘Bij de eerstvolgende parkeerplaats zet ik hem aan de kant.’

 

Het duurde nog bijna een halfuur, voordat hij uiteindelijk een parkeerplaats in het vizier kreeg. Bijna was hij er voorbij gereden, want door de sneeuw waren alle borden naast de weg nauwelijks meer te lezen. Net op tijd zag hij de afrit. Met heel veel moeite wist de man de vrachtwagen naar een veilige standplaats te laveren. De sneeuw op de parkeerplaats was zo diep, dat het portier het bovenste laagje wegduwde bij het openen.

‘Wat nu?’ vroeg de chauffeur zich af.

Na even te hebben nagedacht hees hij zich in zijn regenpak. Misschien stonden er op de parkeerplaats lotgenoten. Niet dat hij echt op hun verhalen zat te wachten, maar om nou alleen de kerstavond door te brengen…

Tot zijn verbazing is de parkeerplaats verder helemaal leeg. Blijkbaar hadden de andere chauffeurs wel naar de weerwaarschuwing geluisterd en een veilige plek gezocht waar ze hun auto konden stallen. Hier, op deze afgelegen parkeerplaats, was niemand.

“Wat nu?” vroeg hij zich hardop af. “Verder proberen te rijden of hier blijven?”

Het vooruitzicht de komende uren alleen op deze plaatst te moeten blijven, was niet echt aanlokkelijk, maar verder rijden was in feite ook geen optie.

Hij stond op het punt terug te klimmen in de cabine, toen hij niet ver van de weg heel even een lichtje zag schijnen. Verbeeldde hij het zich, of stond er daar een huis?

Een nieuwe windvlaag zorgde voor zicht van maar een paar meter. Het lichtje was niet meer te zien.

Na een korte aarzeling nam de man een besluit. Hij klom terug in de cabine, pakte zijn tas met schone kleren en toiletgerei en zijn mobieltje, en stapte daarna opnieuw naar buiten.

‘Hopelijk hebben ze bij dat huis voor mij een slaapplaats en een douche,’ dacht hij, terwijl hij in de richting begon te lopen, waar hij het licht had gezien.

Hoewel het huis niet ver weg kon zijn - door de sneeuw was er nauwelijks zicht - duurde het ruim een kwartier voordat hij het licht opnieuw zag. Tegen die tijd was hij al vier keer gestruikeld en had hij zijn regenbroek opengehaald aan prikkeldraad, dat door het dikke pak sneeuw aan het oog werd onttrokken.

Totaal verkleumt en met steenkoude handen en voeten bereikte hij uiteindelijk het huis. Omdat hij nergens een bel kon vinden, klopte hij op de voordeur, maar er werd niet opengedaan. Pas nadat hij twee keer hard op het raam had gebonsd, ging de voordeur op een kier open.

“Wie is daar?” vroeg een man in het Duits.

“Sorry, dat ik zo laat stoor, en dat nog wel op kerstavond,” verontschuldigde de chauffeur zich in zijn beste Duits. “Mijn naam is Wilfred van Galen. Ik ben een Nederlandse vrachtwagenchauffeur. Ik ben hier niet ver vandaan gestrand met mijn vrachtwagen."

“En nu zoekt u hier onderdak voor de nacht,” begreep de Duitser. “Dat komt wel heel beroerd uit!”

“Is dat de dokter?” klonk het vanuit het huis.

“Helaas niet,” antwoordde de Duitser.

“Uw vrouw is ziek,” begreep de vrachtwagenchauffeur. “Dan kom ik inderdaad erg ongelegen.”

“Niet ziek,” legde de Duitser uit. “Ze is in verwachting en over twee weken uitgeteld. Maar vanmiddag zijn de vliezen gebroken.”

“En nu wacht u op de dokter? Ik ben bang dat hij niet kan komen. De wegen zijn onbegaanbaar, zelfs met sneeuwkettingen.”

Op dat moment klonk vanuit het huis een kreet die door merg en been ging.

“Ik moet terug naar mijn vrouw,” verontschuldigde de man zich. “Het gaat niet goed met haar. Het is ons eerste kind.”

Even sloot de chauffeur zijn ogen. Beelden die hij al twee jaar probeerde te verdringen, kwamen weer boven. Een ziekenhuisbed, een vrouw - zijn vrouw -, een levenloos jongetje dat in zijn armen lag.

Wilfred haalde twee keer diep adem, voordat hij aanbood: “Misschien kan ik helpen.”

“Wilt u dat? Hebt u wel eens een bevalling meegemaakt?” Er klonk hoop door in de stem van de Duitser.

Een nieuwe pijnkreet vanuit de woonkamer zorgde ervoor dat hij een besluit nam.

“Kom binnen.”

Zonder verder op de regels van de gastvrijheid te letten, haastte hij zich daarna terug het huis in. Met een zucht duwde Wilfred de huisdeur verder open. Daarbij kon hij niet voorkomen dat een pak sneeuw mee naar binnen schoof. Voordat hij de deur achter zich sloot, probeerde hij de koude, natte massa zo veel mogelijk buiten te sluiten.

Nog even aarzelde hij. Hij kon nog terug. Hij hoefde alleen de deur weer te openen en te verdwijnen in de sneeuwjacht. Niemand zou hem enig verwijt kunnen maken, niemand zou het weten.

Gesnik uit de woonkamer bracht hem weer terug in de realiteit. Had hij niet ooit gezworen dat hij mensen in nood zou bijstaan zo goed als hij kon?

‘God, waarom doet u me dit aan?’ bad hij woordeloos. ‘Waarom ik, waarom hier, waarom nu?’

Er volgde geen antwoord op zijn vragen. Langzaam begon hij zich te ontdoen van zijn regenbroek en winterjas. Al voordat hij daarmee klaar was, riep de man vanuit de kamer: “Help me alstublieft. Het gaat niet goed met mijn vrouw.”

Opeens voelde Wilfred een rust over zich komen, die hij niet meer gevoeld had sinds dat fatale moment in het ziekenhuis. Met zekere stappen liep hij naar de kamer. In één oogopslag overzag hij de situatie: een lijkbleke vrouw lag met gesloten ogen op de bank, haar gezicht verkrampt van de pijn. De man stond er handenwringend naast.

“Waar kan ik mijn handen wassen?” vroeg Wilfred.

Met een hoofdknik wees de man hem de keuken, die aan de kamer grensde.

Wilfred kon een kreet van pijn nauwelijks onderdrukken toen het water over zijn gevoelloze vingers stroomde. Toch zette hij door. De vrouw had hulp nodige, dat was duidelijk, en iedere minuut was er één.

Pas na vijf minuten waren zijn handen genoeg opgewarmd om weer normaal te kunnen functioneren. Al die tijd had de vrouw zich niet bewogen. Voorzichtig legde Wilfred een hand op haar voorhoofd. Er volgde geen reactie.

Tijdens het handenwassen had Wilfred genoeg tijd gehad om na te denken. Hoe kon hij de vrouw helpen?

“Heb je een leeg toiletrolletje?” vroeg hij aan de man.

Toen zijn woorden niet tot de man door leken te dringen, liep Wilfred terug de gang in. Het toilet was gauw gevonden en gelukkig bleek de rol in de houder bijna leeg te zijn. Haastig rolde hij het laatste papier af en maakte er een prop van. Met het papier in de ene en het rolletje in de andere liep hij terug naar de kamer.

Hij knielde bij de bank neer en schoof de jurk die de vrouw droeg naar boven. Zonder zich iets van de verbaasde blikken van de man aan te trekken, zette hij het rolletje op de buik van de vrouw. Het duurde heel lang voordat hij de flauwe hartslag van het kind had gevonden.

Tot zijn opluchting merkte Wilfred, terwijl hij de vrouw verder onderzocht, dat de routine, waarmee hij tientallen bevallingen had begeleid, terug kwam. Maar het drong ook tot hem door, dat hij heel snel moest handelen.

‘Heere God, niet weer!’ bad hij woordeloos.

 

Hoe hij het voor elkaar kreeg, wist Wilfred later niet meer, maar ruim een halfuur later werd er een klein jongetje geboren. De navelstreng zat om zijn nek en zijn gezicht was paarsblauw.

Haastig maakte hij het halsje van het kind vrij, maar het gaf geen teken van leven. Voorzichtig opende Wilfred de mond van het jongetje en maakte die leeg. Met de wijs- en middelvinger van zijn rechterhand begon hij het hartje van het kind te masseren. Nadat hij hem voor de tweede keer beademd had, ging er een schok door het kleine lijfje. Een halve minuut later liet het kind een klaaglijke kreet horen.

Voor het eerst sinds Wilfred gearriveerd was, opende de vrouw haar ogen.

“Hij leeft!” zei ze zacht.

“Hij leeft!” bevestigde Wilfred. Voorzichtig legde hij het jongetje op de buik van de vrouw. Er stonden tranen in zijn ogen.

 

Meer dan een uur later zat Wilfred samen met de man aan de eetkamertafel. Het was inmiddels allang eerste kerstdag. Samen hadden ze de vrouw verder geholpen en naar bed gebracht. Het kindje had voor het eerst bij zijn moeder gedronken en leek geen nare gevolgen te hebben overgehouden aan zijn benauwde avontuur. Tevreden lag het in zijn wiegje, naast het bed van zijn ouders, te slapen.

“Wie bent u?” vroeg de kersverse vader, terwijl hij voor zichzelf en voor zijn gast iets te drinken neerzette. “Bent u een engel?”

“Ik een engel?” Wilfred schoot in de lach. “Ik ben maar een gewone vrachtwagenchauffeur.”

“Daar geloof ik niets van!”

“Mijn vrachtwagen staat op een parkeerplaats bij de snelweg. Als u me niet gelooft, moet u maar gaan kijken.”

“Ik heb God gebeden om hulp en opeens was u daar! Ik was ten einde raad, maar u wist precies wat u moest doen. U maakt mij niet wijs dat u een ‘gewone’ vrachtwagenchauffeur bent.”

Even aarzelde Wilfred, toen zei hij zacht: “U hebt wel een beetje gelijk, maar ik ben wel degelijk trucker. Bijna twee jaar geleden ben ik van baan veranderd en sindsdien rijd ik half Europa door.”

“Op zoek naar wat?”

Getroffen keek Wilfred zijn gastheer aan. “Hoe weet u dat?”

“Er moet een reden zijn dat een ervaren arts zijn baan opzegt en vrachtwagenchauffeur wordt, zo moeilijk is dat niet.”

“Het was ook een jongetje,” zei Wilfred zacht. “Ons eerste kindje. Ik heb hém niet kunnen redden.”
Met een troostend gebaar legde de Duitser zijn hand op Wilfreds arm.

“Maar nu heeft God u hier vanavond heengebracht om ons kind en mijn vrouw te redden. Is dat niet wonderlijk?”

 

Acht maanden later, op een zonnige middag in juli, stopte een grijze BMW op de parkeerplaats aan de snelweg. Dokter Wilfred van Galen stapte uit, liep om de auto heen en hield het portier voor zijn vrouw open. Het kostte haar wat moeite uit te stappen, omdat haar buik al aardig in de weg begon te zitten.

“Hier was het,” zei de dokter. “Het huis van de familie Baumann moet daar ergens staan.”

“Weet je zeker dat je je niet vergist?” vroeg zijn vrouw, terwijl ze haar hand op zijn arm legde. “Ik zie nergens een huis.”

“Het moet er zijn,” hield de dokter vol. “Kom, laten we eerst maar naar ons hotel gaan, zodat jij kunt uitrusten, dan gaan we morgen op bezoek bij de familie Baumann.”

 

Hun zoektocht duurde uiteindelijk bijna een week. Niemand bleek ooit van de familie Baumann te hebben gehoord en het huis leek van de aardbodem te zijn verdwenen. Toen ze ten einde raad naar het gemeentehuis in een naburige plaats gingen, om uit te zoeken of er een klein jongetje stond ingeschreven, dat het jaar daarvoor op Eerste Kerstdag was geboren, bleek dit niet het geval te zijn. Voor de Van Galens zat er niets anders op dan terug te gaan naar huis.

“Weet je zeker dat je het niet hebt gedroomd?’ vroeg Annie van Galen, onderweg naar het noorden.

“Heel zeker,” knikte Wilfred.

“Er schiet me ineens iets te binnen,” vervolgde hij. “Baumann vroeg mij, of ik een engel was. Zou het omgekeerde ook het geval kunnen zijn?”