Verhalenarchief 2010-2011 - Mei 2011

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mail

Inhoudsopgave
Verhalenarchief 2010-2011
September 2010
Oktober 2010
November 2010
December 2010
Januari 2011
Februari 2011
Maart 2011
April 2011
Mei 2011
Juni 2011
Juli 2011
Augustus 2011
September 2011
Oktober 2011
November 2011
December 2011
Alle pagina's

 

SCHOOLBRAND ROND OUD EN NIEUW

 

Het was 2 januari. Met een slaperig hoofd schoof Remco Jongeneel nog net op tijd de redactiekamer van het Christelijk Dagblad binnen. Doordat het de vorige nacht nogal laat was geworden, had hij zich deze morgen verslapen.

“Nu Jongeneel er ook is, kunnen we beginnen,” zei Erik Drent, de hoofdredacteur. “Allereerst wil ik jullie allemaal het allerbeste toewensen voor het nieuwe jaar.”

De speech die volgde hoorde Remco maar half.

‘Hopelijk hoef ik niet de hele dag binnen te werken,’ dacht hij bij zichzelf, ‘want dan val ik vast boven het toetsenbord van mijn computer in slaap.’

Gelukkig mochten ze na Eriks toespraak eerst een kop koffie halen.

Toen iedereen terug was op zijn plaats, begon Erik Drent de taken te verdelen. Via de verschillende nieuwsdiensten waren er allemaal berichten binnengekomen. De journalisten en redacteuren moesten bekijken of ze de moeite waard waren om in de krant voor de volgende dag te plaatsen.

“Jongeneel,” zei Erik Drent, “ik wil dat jij met Marieke naar Veenendaal gaat. Daar is in de nacht van oud en nieuw een basisschool gedeeltelijk afgebrand.”

“Prima!” zei Remco. Vanaf Amersfoort was het niet ver naar Veenendaal. Het was dus een leuke klus om het nieuwe jaar mee te beginnen. Hoewel, leuk? Een brand in een school is natuurlijk nooit leuk.

 

Een halfuur later waren Remco en Marieke onderweg. Op zijn computer had Remco uitgezocht om welke school het ging. Ook had hij via de website van de school het telefoonnummer van de directeur opgezocht. De kinderen hadden nog vakantie en de directeur was waarschijnlijk niet op school.

Het was niet druk op de weg, omdat veel mensen nog vakantie hadden. Zonder problemen bereikten Remco en Marieke in Remco’s oude Eend Veenendaal. Met behulp van een kaart in Remco’s stratenboek hadden ze de school al gauw gevonden.

Het gebouw zag er troosteloos uit. Rondom de school waren hekken geplaatst, zodat niemand het gebouw in en uit kon.

De uiteindelijke schade leek mee te vallen. Eén van de lokalen was helemaal zwartgeblakerd, de ramen waren gesprongen en inmiddels afgetimmerd met grote platen multiplex. De andere lokalen leken vooral rook en waterschade te hebben opgelopen.

“Wie doet er nu zoiets?” vroeg Marieke zich hardop af.

“Ik denk, dat er meer mensen zijn, die maar wat graag een antwoord op die vraag willen hebben,” zei Remco. Even verderop stond een groepje mensen te praten. “Die mensen daar hebben er vast wel een mening over.”

Samen liepen Remco en Marieke naar de mensen toe. Eén man had het hoogste woord. Hij leek ook precies te weten, wie de brand gesticht had.

“Ik weet zeker dat er buitenlanders achter zitten,” zei hij luid. “Weet je wel, van die snotjongens van een jaar of zestien, zeventien! Zelf zijn ze te beroerd om naar school te gaan, daarom steken ze onze school maar in de fik.”

“Wat een onzin!” vond een vrouw, die naast hem stond. “Iedereen kan het gedaan hebben. Het kunnen net zo goed Nederlanders zijn, die aan elkaar wilden laten zien hoe stoer ze wel niet waren.”

“Let op mijn woorden!” zei de eerste man vol overtuiging. “Het zijn buitenlanders!”

Remco begon zich op te winden. Wat een eigenwijze kerel!

“Zou ik uw naam mogen weten?” vroeg hij de man. “Dan kunnen we die onder de foto zetten, die we van u in de krant zetten.”

Als door een wesp gestoken keek de man hem aan.

“Ik wil helemaal niet met mijn foto in de krant en hoe ik heet gaat u helemaal niets aan. Wie bent u eigenlijk?”

“Ik ben Remco Jongeneel,” vertelde Remco. Terwijl hij zijn hand naar de man uitstak vervolgde hij: “Journalist van het Christelijk Dagblad. We zijn hier naartoe gekomen om meer informatie over de brand te krijgen. Wij wilden het de politie vragen, maar zo te horen hebt u de zaak al half opgelost. De politie hoeft alleen nog maar alle buitenlanders in Veenendaal te ondervragen en dan hebben ze de dader.”

Zonder Remco’s uitgestoken hand vast te pakken draaide de man zich om. Met grote stappen beende hij weg. Bij de hoek van de straat draaide hij zich nog één keer om.

“Wacht maar, tot ze de dader te pakken hebben!” riep hij. “Dan zullen jullie zien dat ik gelijk heb.”

“Kan iemand mij vertellen, wat er precies gebeurd is?” vroeg Remco, toen de man uit het zicht was.

De vrouw die het voor de buitenlanders had opgenomen, zei: “Als ik het goed begrepen heb, is er in de nacht van oud en nieuw een Molotovcocktail door het raam het lokaal in geslingerd, met als gevolg dat de boel in brand is gevlogen.”

“Kan het geen verdwaalde vuurpijl zijn?” vroeg Remco.

“Vuurpijlen gaan echt niet zomaar door een ruit,” reageerde een andere man. “En reken maar dat ze in de kerstvakantie alle ramen goed hadden afgesloten. Het is immers niet de eerste keer dat er rond de jaarwisseling brand wordt gesticht in een school. Maar ik geloof dat je geluk hebt. Daar komt net een busje van de technische recherche aan. Zij kunnen je vast wel meer vertellen.”

Inderdaad stopte er een onopvallend blauw busje voor de school, waarin vier mannen zaten. Ze droegen alle vier een wit pak.

Remco liep op goed geluk op één van de mannen af. “Goedemorgen, zou ik u een paar vragen mogen stellen?”

“Ik zou niet weten waarom?” gromde de man. “Laat me er door, ik moet aan het werk.”

“En ik ben aan het werk,” zei Remco. Hij viste zijn perskaart uit zijn binnenzak en liet die aan de man zien: “Remco Jongeneel, ik ben journalist van het Christelijk Dagblad.”

“Nou,” ontdooide de politieman wat, “als je meer wilt weten, moet je bij m’n chef zijn. Die komt er zo aan.”

“Dank u wel!” zei Remco, maar de man had zich al omgedraaid en liep samen met z’n collega’s naar het hek toe.

“Ze zijn hier niet echt toeschietelijk, hè?” zei Marieke.

“Hopelijk is hun chef wat toeschietelijker. Ik hoop dat het niet te lang duurt voordat hij komt.”

“Ik maak ondertussen vast wat foto’s.” Marieke haalde haar camera voor de dag en zoomde in op het geblakerde lokaal. Door de beroete ramen heen waren de mannen van de technische recherche niet veel meer dan vage schimmen.

“Waarschijnlijk komen ze er nooit achter, wie de dader is,” zei de vrouw die het voor de buitenlanders op had genomen somber. “Iedereen kan het gedaan hebben. Gisteren zijn ze ook al bezig geweest. Toen zochten ze buiten naar sporen. Net of je die kunt vinden op een schoolplein!”

Remco bekeek de school nog eens goed.

“Het is niet logisch!” bedacht hij opeens hardop.

“Wat is niet logisch?” vroeg Marieke verbaasd.

“Het lokaal dat ze hebben gekozen!”

“Hoe bedoel je?”

“Nou, als ik brandstichter was, zou ik nooit voor dat lokaal gekozen hebben. Het zit midden tussen de andere lokalen en is vanaf de weg veel minder gemakkelijk te bereiken dan het voorste lokaal.”

Marieke knikte.

“Meestal hebben de mensen die in de nacht van oud en nieuw brand stichten, teveel gedronken,” vervolgde Remco. Hij dacht even na en vervolgde toen: “Dat kan het ook niet zijn, want dronken mensen hebben meestal geen fles benzine met een lont eraan bij zich.”

Marieke schoot in de lach.

“De enige flessen die ze bij zich hebben, zitten vol met drank! Ik begrijp wat je bedoelt. Er moet echt opzet in het spel zijn.”

“Daar is de politie ook van overtuigd,” klonk het opeens achter hen. Toen Marieke en Remco zich omdraaiden, zagen ze een man staan.

“Bakker, recherche Veenendaal,” stelde hij zich voor. “En u bent?”

“Ik ben Marieke Wielinga en dat is mijn collega Remco Jongeneel. Wij werken voor het Christelijk Dagblad.”

“Dat weet ik,” glimlachte de rechercheur. “Die krant ligt iedere dag bij mij op de mat. Sinds wanneer vindt het Christelijk Dagblad een schoolbrand belangrijk genoeg om er twee mensen op af te sturen?”

“Dat moet u aan Erik Drent vragen,” zei Remco. “Er zijn natuurlijk meer branden in scholen geweest, de afgelopen dagen, maar omdat er in Veenendaal veel lezers van onze krant wonen…”

“Juist ja,” knikte Bakker. “Ik dacht, dat jullie hierheen waren gekomen om mij te helpen.”

“Hebt u hulp nodig, dan?” vroeg Remco.

“Geen idee,” zei de politieman eerlijk. “Kom, dan zal ik jullie het lokaal laten zien waar de brand gesticht is.”

Achter de rug van Bakker stak Remco zijn duim in de lucht naar Marieke. Wat een geluk dat ze mee naar binnen mochten. Normaal hielden politiemensen er meestal niet van als ze door de pers voor de voeten werden gelopen.

Samen met rechercheur Bakker liepen ze de school in. In de gang stonk het naar rook, maar verder viel er weinig te zien. Pas toen ze in de buurt van het uitgebrande lokaal waren, werd de boel smeriger. Er lagen kleine plasjes water op de vloer en doordat er doorheen gelopen was, zag je overal vieze voetstappen.

“Kunnen de leerlingen volgende week wel naar school?” vroeg Remco.

“Dat denk ik wel,” antwoordde rechercheur Bakker. “We hopen het onderzoek hier vanmiddag verder af te ronden en dan kan de schoonmaakploeg erin. Alle lokalen, behalve dat van groep zeven, kunnen dan weer gebruikt worden.”

“En groep zeven maar hopen, dat ze nog een paar weken extra vrij zijn,” grinnikte Remco.

“Vergeet dat maar. Ik heb de directeur van de school gisteren al gesproken en hij is van plan, de lessen gewoon te laten doorgaan. Deze school heeft een behoorlijke gemeenschapsruimte en het is de bedoeling dat de lessen voor groep zeven daar volgende week worden gehouden.”

Ze waren intussen bij het uitgebrande lokaal beland, waarvan de deur uitnodigend open stond. De vier in het wit geklede mannen keken wel een beetje vreemd op, toen ze zagen dat meneer Bakker gezelschap had, maar ze gaven geen commentaar.

“Mag ik een paar foto’s maken?” vroeg Marieke.

“Natuurlijk, ga je gang. Veel valt er trouwens niet te zien. De steen, die de dader of daders door het raam hebben gegooid, is meegenomen naar het laboratorium, net als de resten van de Molotovcocktail.”

“Hoe zag die Molotovcocktail er precies uit?” wilde Remco weten.

“Gewoon, een wijnfles waarin waarschijnlijk benzine heeft gezeten.”

“Zat er een etiket op die fles?” vroeg Marieke.

“Waarschijnlijk niet, maar het kan ook zijn, dat die door de hitte is verbrand. Alleen de hals van de fles was heel, de rest was gebroken. Mijn mannen zijn onder anderen op zoek naar restanten van de fles en het etiket. Al wat gevonden, jongens?”

Eén van zijn collega’s kwam overeind en schudde zijn hoofd.

“Niks bijzonders.”

“Hopelijk geen waardevolle dingen,” zei Marieke. “Het zou sneu zijn als ze die kwijt zijn.”

Nadat Remco en Marieke wat hadden rondgekeken en Marieke een paar foto’s had gemaakt, vroeg rechercheur Bakker: “En, weten jullie al wie de dader is?”

“Toen u zojuist arriveerde, hadden we het er net over, dat het zo vreemd is dat voor dit lokaal is gekozen,” vertelde Marieke.

“Het is niet logisch,” voegde Remco er aan toe. “Dit lokaal ligt een behoorlijk eindje van de weg af, waardoor het lastiger is om weg te komen.”

“Maar als je in de buurt van de weg een lokaal in brand steekt, valt het meer op,” was één van de rechercheurs het niet met hem eens.

“Hier valt het ook op,” zei Remco. “Naast de school staan huizen en ik neem aan, dat de bewoners daarvan meteen gaan kijken, als ze glasgerinkel horen.”

“We hebben al een buurtonderzoek gedaan, maar dat heeft niets opgeleverd,” zuchtte rechercheur Bakker. “De helft van de mensen was niet thuis en de andere helft heeft niets gehoord of gezien. De brand werd om kwart over twaalf ontdekt en is waarschijnlijk rond de klok van twaalf uur aangestoken.”

“Dan is het geen wonder, dat niemand iets gehoord heeft,” stelde Marieke vast. “Bij al dat geknal van vuurwerk valt dat glasgerinkel vast niet op.”

“Precies!” zei Bakker grimmig. “En daarom is er maar één conclusie mogelijk. De brand is niet gesticht door een stel baldadige jongelui, maar door iemand die heel goed wist wat hij deed.”

“Een pyromaan!” fluisterde Remco.

“Jij zegt het!” knikte de rechercheur.

 

“Wat nu?” vroeg Marieke, toen ze een kwartier later weer buiten stonden.

Remco keek op zijn horloge.

“Zullen we kijken of we de directeur van de school te pakken kunnen krijgen?” stelde hij voor. “Misschien heeft hij een idee, wie het gedaan kan hebben.”

“We kunnen het proberen, maar ik denk niet dat het erg veel uithaalt. Als hij iets weet, had hij het vast wel aan de politie verteld.”

“We kunnen het in ieder geval proberen,” vond Remco. “Per slot van rekening verwacht Erik Drent van ons, dat we met een goed verhaal voor de krant van morgen thuiskomen.”

Het duurde even voordat de telefoon werd opgenomen.

“Met Wiskerke,” klonk het uiteindelijk korzelig.

“Met Remco Jongeneel, van het Christelijk Dagblad. We zouden u graag wat vragen willen stellen over de brand van gisteren in uw school.”

“Ik zou niet weten waarom ik met u zou moeten praten,” zei meneer Wiskerke stug. “Volgens mij schiet niemand daar iets mee op.”

“Wel als we daardoor misschien de dader kunnen achterhalen,” zei Remco vlug. Hij was bang, dat de man de hoorn op de haak zou gooien en dan konden ze een interview wel vergeten.

“Laat me niet lachen,” zei Wiskerke. “Iedereen kan het gedaan hebben. Dronken jongelui in de nacht van oud en nieuw, jullie kennen dat wel.”

“Niet iedereen heeft het gedaan en de dader was vast niet dronken. We hebben zojuist met rechercheur Bakker gesproken en samen zijn we tot de conclusie gekomen, dat de school met opzet als doelwit is gekozen. U weet toch, dat de school rond twaalf uur in brand is gestoken? Op dat tijdstip zijn de meeste mensen nog nuchter genoeg om te weten wat ze doen. Ik zou daarover heel graag met u van gedachten willen wisselen, kan dat?”

“Vooruit dan maar,” zuchtte de directeur. Ik wil niet dat morgen in de krant te lezen staat, dat ik weiger mee te werken aan het zoeken naar de daders.”

 

Niet veel later zaten ze in de huiskamer van de familie Wiskerke. Mevrouw Wiskerke bood koffie aan, maar verdween nadat ze die gezet had in de keuken. Gelukkig bleek de schooldirecteur heel wat minder chagrijnig dan hij door de telefoon had geklonken.

“Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt, en ik hoop het nooit meer mee te maken,” zei hij. “Gistermorgen werd ik gebeld door een collega, die me vertelde dat er brand geweest was in de school.”

“Door een collega?” vroeg Marieke verrast. “Niet door de politie?”

“Ik zat in Rotterdam,” legde Wiskerke uit. “Ik heb daar samen met mijn vrouw oud en nieuw gevierd bij mijn schoonouders. Ik neem aan, dat de politie geprobeerd heeft me thuis te bereiken, maar dat lukte uiteraard niet.”

‘In ieder geval één verdachte minder,’ constateerde Remco bij zichzelf. ‘Wiskerke heeft een alibi.’

“We hebben meteen onze spullen gepakt en zijn naar huis gegaan,” vervolgde hun gastheer. “Ik heb m’n vrouw en kinderen afgezet en ben zelf doorgereden naar het politiebureau. Samen met rechercheur Bakker ben ik daarna naar de school gegaan om de schade op te nemen.”

“Die lijkt gelukkig mee te vallen,” zei Remco meelevend. “Volgens meneer Bakker kunnen jullie volgende week weer gewoon aan het werk.”

“Alleen voor groep zeven wordt het een beetje behelpen, maar daar vinden we ook wel een oplossing voor.”

“Wat is dat eigenlijk voor groep?” wilde Remco weten.

“Waarom wil je dat weten?”

Remco bloosde, maar stelde zijn vraag toch: “Zou het kunnen dat één van de leerlingen uit die groep de brand heeft gesticht?”

“Diezelfde vraag stelde de politie me ook al. Helaas moest ik hem toen ook met ‘Ja’ beantwoorden. Groep zeven is een lastige groep, een heel lastige groep mag ik wel zeggen. Er zitten een stuk of vijf raddraaiers in, die de boel voortdurend op stelten zetten. Dat is al zo vanaf dat ze in groep drie zaten. Het vervelende is, dat ze met hun gedrag de hele sfeer in de klas bederven. Andere kinderen, die normaal gesproken helemaal niet zo zijn, worden daardoor ook steeds vervelender. Als ze niet meedoen, worden ze door de anderen zo verschrikkelijk gepest, dat ze geen leven meer hebben. Ze moeten dus wel meedoen.”

“Kunnen die vijf jongens niet worden aangepakt?” vroeg Marieke verbaasd.

“Het zijn drie jongens en twee meisjes,” vertelde Wiskerke. “We hebben al van alles en nog wat gedaan, om een eind te maken aan hun vervelende gedrag, maar helaas zonder resultaat.”

“Ik neem aan, dat u hun namen hebt doorgegeven aan de politie?” Het was meer een vaststelling van een feit dan een vraag.

“Ja, maar zonder resultaat. Ze waren alle vijf keurig thuis tijdens de jaarwisseling. De politie heeft overigens alle kinderen van groep zeven verhoord, behalve diegenen die met vakantie zijn.”

“En ze hadden allemaal een alibi?”

Meneer Wiskerke knikt instemmend.

“Kinderen van die leeftijd zwerven tijdens de jaarwisseling meestal nog niet ’s nachts over straat. Zeker niet als de klok twaalf slaat. Dan zijn ze thuis of bij vrienden en familieleden.”

Remco kon niet anders doen dan de man gelijk geven. Hij had gedacht de brandstichting simpel te kunnen oplossen. Ondervraag de kinderen uit groep zeven en je vindt vanzelf de dader.

“Hoe is de leerkracht van groep zeven eronder?” vroeg Marieke.

“Meneer Velvis? Die is volledig ingestort. Hij zat de laatste maanden toch al niet lekker in zijn vel en dit is de bekende druppel. Ik ben bang, dat hij voorlopig wel een tijdje uit de running is. Het zoveelste slachtoffer van de leerlingen van groep zeven. Ik het niet leuk dit te moeten zeggen, maar ik zal blij zijn, als ze over anderhalf jaar de deur van de basisschool voorgoed achter zich dichttrekken.”

“Het zoveelste slachtoffer?” vroeg Remco verbaasd.

“Je moet heel stevig in je schoenen staan, wil je het bij deze groep volhouden. De afgelopen jaren is het regelmatig gebeurd, dat leerkrachten zich ziek meldden, omdat ze niet in staat waren de klas in het gareel te houden.”

“Wat een toestand!” zei Remco. “Ik hoop, dat meneer Velvis er snel weer bovenop is.”

“Anders ik wel. Het zal duidelijk zijn, dat mijn invalkrachten ook niet in de rij staan om in groep zeven in te vallen.”

 

Met een diepe zucht stapte Remco even later in zijn oude Eend.

“Denk jij wat ik denk?” vroeg hij aan Marieke.

“Ik wil het niet denken!” antwoordde Marieke. “Hopelijk vergissen we ons.”

Remco haalde zijn mobieltje uit z’n jaszak en toetste het nummer van de krant in.

“Zou je een adres voor me op kunnen zoeken?” vroeg hij aan zijn collega die hij aan de telefoon had. “Ik ben op zoek naar een meneer Velvis in Veenendaal en omgeving.”

Nog geen minuut later kreeg hij antwoord. Er woonde maar één Velvis in Veenendaal. Hopelijk was hij de man die ze zochten.

Toen ze bij het huis waren aangekomen, zagen ze dat de gordijnen waren gesloten. Pas nadat Remco voor de derde keer had aangebeld, werd het raam boven hun hoofd opengeschoven.

“Laat me met rust!” schreeuwde de man. Zijn stem sloeg over. “Ik heb u niets nieuws te vertellen.”

“Hij denkt dat we van de politie zijn,” fluisterde Marieke.

Remco dacht razendsnel na.

“Wij zijn niet van de politie,” riep hij naar boven. “We zijn gekomen om u te helpen, meneer Velvis!”

“Ik heb geen hulp nodig!” Met een klap sloeg de overspannen leerkracht zijn raam dicht.

“Wat nu?” vroeg Marieke.

“Geen idee,” zei Remco eerlijk. “Maar dat deze man hulp nodig heeft lijkt me duidelijk.”

Op dat moment stopte er een auto achter Remco’s Eend. Rechercheur Bakker stapte uit, samen met een collega.

“Jullie hier?” vroeg hij verbaasd.

“Ik ben bang, dat meneer Velvis achter de brand zit,” legde Remco uit. Om er vlug aan toe te voegen: “Maar ik heb daarvoor geen enkel bewijs.”

“Wij wel,” zei de rechercheur. “Op de hals van de kapotte fles hebben we een paar vage, maar bruikbare vingerafdrukken gevonden. En weet je wat het vreemde was? Ze kwamen precies overeen met de vingerafdrukken die we op het bureau, de borstel en het schoolbord hebben gevonden. Zou u alstublieft aan de kant willen gaan, zodat wij ons werk kunnen doen?”

 

Vanaf een afstandje keken Marieke en Remco toe, hoe meneer Velvis door de politie werd afgevoerd. De man had zijn hoofd gebogen en hield de mouw van zijn jas voor zijn gezicht. Marieke overwoog even een foto te maken, maar besloot het niet te doen. Het zou weliswaar een primeur zijn voor het Christelijk Dagblad, maar niet één waar de lezers op zaten te wachten.

“Kom,” zei Remco, nadat de politieauto uit het zicht was verdwenen. “Laten we maar terug gaan naar Amersfoort.”

“Toch triest dat zoiets op een christelijke school is gebeurd,” zei Remco, terwijl hij koers zette naar de A12.

“Het zou op geen enkele school mogen voorkomen,” verbeterde Marieke hem. “Maar ik begrijp wel, wat je bedoelt. Juist de kinderen van christelijke ouders zouden beter moeten weten.”

“Ze horen het in ieder geval vaak genoeg,” zei Remco. “Thuis, zondags in de kerk, op school… Hopelijk dat de leerlingen van groep zeven nu eindelijk door krijgen, dat ze veel te ver zijn gegaan. Dan is al deze narigheid tenminste nog ergens goed voor.”

“Laten we dat inderdaad maar hopen,” zei Marieke. “Wat voor straf zou die meester krijgen?”

“Geen idee. Ik ben blij dat ik geen rechter ben, maar journalist.”

“Door de manier waarop wij in de krant schrijven, werken we mee aan het oordeel dat de mensen van iemand zoals Velvis vormen,” wist Marieke.

“Dan moeten we er in dit geval voor zorgen, dat de mensen na gaan denken over de gevolgen van pestgedrag op school,” was Remco van mening.

“Hoe wil je dat doen?”

“Gewoon, door de waarheid te vertellen. Deze school in Veenendaal is vast niet de enige, waar het mis gaat. Misschien leren ouders, leerkrachten en leerlingen in andere plaatsen er wat van.”

“Laten we dat dan maar hopen,” verzuchtte Marieke.