Verhalenarchief 2010-2011 - April 2011

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mail

Inhoudsopgave
Verhalenarchief 2010-2011
September 2010
Oktober 2010
November 2010
December 2010
Januari 2011
Februari 2011
Maart 2011
April 2011
Mei 2011
Juni 2011
Juli 2011
Augustus 2011
September 2011
Oktober 2011
November 2011
December 2011
Alle pagina's

 

 

EEN OVERVAL MET EEN LUCHTJE

 

 

Het was kwart over vijf. Met een zucht sloot Remco Jongeneel zijn computer af. Hij was blij, dat hij het artikel over de maïsoogst, die dreigde te mislukken, af had. Het was bedoeld voor de krant van morgen en Marieke had er een foto bij gemaakt.

‘Nu komt het moeilijkste moment van de dag,’ dacht hij. Langzaam liep hij naar het kantoortje waar Marieke aan het werk was. ‘Hopelijk is Marieke er nog.’

Marieke keek verbaasd op, toen ze Remco zag binnenkomen.

“Wat kom jij doen?” vroeg ze.

“Ik kom je om een gunst vragen,” zei Remco.

“O!” Marieke’s gezicht werd één groot vraagteken.

“Zou je met me mee willen gaan naar de juwelier?”

Tot Remco’s verrassing begon Marieke te blozen.

“Ik zou niet weten wat ik met jou bij een juwelier zou moeten,” zei ze zacht.

‘Ze denkt, dat ik een sieraad voor haar wil kopen!’ In gedachten moest Remco er om grinniken, maar hij liet niets merken.

“Mijn moeder is morgen jarig,” legde hij uit, “en ik wil haar een nieuw horloge geven.”

“En omdat je zelf niet zo heel veel smaak hebt, wil je dat ik mee ga,” begreep Marieke.

“Precies,” knikte Remco. “Je kent m’n moeder en weet dus vast wel wat voor soort horloge bij haar past.”

“Goed,” zei Marieke. “Heb je vijf minuten, dan ga ik met je mee.”

“Fijn!” zei Remco.

 

Het was al bijna kwart voor zes, toen Remco zijn oude Eend in de Amersfoortse binnenstad parkeerde.

“We moeten opschieten,” zei Marieke. “De winkels sluiten over een kwartier!”

“We kunnen in een kwartier vast wel een horloge uitzoeken,” zei Remco.

“Heb je al een juwelier op het oog?” wilde Marieke weten.

“Het maakt mij niet uit,” zei Remco.

“Goed, ik weet er wel een, hier niet zo ver vandaan.”

De juwelier keek verrast op, toen hij het tweetal binnen zag komen. Blijkbaar had hij zo laat geen klanten meer verwacht.

“Wat kan ik voor u doen, mevrouw en meneer?” vroeg hij.

“We willen even bij de horloges kijken,” nam Marieke de leiding.

“Die staan hier,” wees de juwelier. Hij liep naar een vitrine, waarin een heleboel horloges lagen. “Is het voor u zelf, mevrouw, of voor uw man?”

“Het is voor de moeder van mijn collega!” verbeterde Marieke hem. “Ze is morgen jarig.”

“Juist ja,” mompelde man. Hij keek op zijn eigen horloge. “Een horloge voor een dame van middelbare leeftijd. Mag ik u vragen wat het ongeveer mag kosten?”

“Laat eerst maar eens wat zien,” zei Remco. “Mijn moeder staat altijd voor me klaar, dus het mag wel wat kosten. Als het een goedkoop horloge had moeten zijn, was ik wel naar de HEMA gegaan.”

“Goed,” zei de man. Hoewel het in de winkel helemaal niet warm was, parelden er zweetdruppeltjes op zijn voorhoofd.

‘Er is iets vreemds met hem aan de hand,’ dacht Remco.

Op dat moment werd de deur van de winkel opengegooid. In de deuropening stond een helemaal in het zwart geklede figuur. Hij droeg een leren motorpak en een zwarte helm. Het donkere vizier van de helm was gesloten, waardoor het onmogelijk was zijn gezicht te zien. In zijn linkerhand had hij een vuurwapen.

“Handen omhoog!” riep de man. “Dit is een overval!” Hij richtte de loop van het wapen op de juwelier, die als versteend achter de toonbank stond.

Marieke slaakte een kreet van schrik. Meteen zwaaide het vuurwapen haar kant op. Even aarzelde de overvaller. Blijkbaar had hij er niet op gerekend dat er zo vlak voor sluitingstijd nog klanten in de winkel zouden zijn.

“Liggen!’ zei hij hees. “En geen geintjes, anders schiet ik jullie lek!”

‘Dit kan niet waar zijn!’ dacht Remco, terwijl hij het bevel van de overvaller opvolgde. ‘Ik kom nooit bij een juwelier en juist die ene keer dat ik er wel naar toe ga, wordt hij overvallen!’

Hij keek naar Marieke, die naast hem op de grond lag.

“Sorry,” fluisterde hij.

“Kop dicht!” schreeuwde de overvaller. “Zodra jullie een beweging maken of wat zeggen, schiet ik!”

Het was duidelijk dat de overvaller behoorlijk nerveus was. Pas toen hij ervan overtuigd was, dat hij van Remco en Marieke geen last zou hebben, wendde hij zich weer tot de juwelier.

“Doe de deur op slot!” gebood hij. “En waag het niet alarm te slaan, want dan ga je er aan!”

‘Het lijkt wel of hij hoopt, dat hij mag schieten,’ dacht Remco spottend. ‘Ik denk, dat hij nog nooit een kogel heeft afgevuurd. Ik zou wel eens willen weten, wat hij gaat doen, als ik overeind kom!’

Even overwoog hij die mogelijkheid, maar al gauw had hij door dat het totaal zinloos was, de rover op stang te jagen. Hoe vaak hoorde je niet, dat overvallers in paniek slachtoffers maakten?

“De sleutel zit in deze la,” zei de juwelier. “Ik ga hem nu pakken.”

“Ga je gang,” zei de overvaller. “Maar bij de eerste de beste verdachte beweging schiet ik!”

“Niet doen!” de stem van de juwelier trilde. “Ik zal precies doen wat u zegt!”

“Zo mag ik het horen,” gromde de overvaller. Met de loop van zijn revolver volgde hij de juwelier, toen die naar de deur liep om die op slot te doen.

Pas nadat hij dat gedaan had, ontspande de overvaller zich wat.

“Je begrijpt zeker wel waarvoor ik kom,” zei hij. “Laten we maar beginnen met het geld.”

“Er zit niet zo heel veel geld in m’n kassa,” zei de juwelier. Het klonk verontschuldigend. “Het was niet druk vandaag en de meeste klanten hebben gepind.”

“Geef me wat je hebt,” zei de overvaller. “Het geld is maar bijzaak. Het is me vooral daarom te doen.” Hij wees naar een vitrine, waarin een groot aantal trouwringen lag. “Doe ze in een stevige plastic zak!”

Gehoorzaam volgde de juwelier de bevelen van de overvaller op. Hoewel zijn handen trilden, leek hij niet heel bang te zijn. Na de ringen waren de kettingen aan de beurt. De horloges sloeg de dief over. Ook aan de vitrines waarin het goedkopere spul lag, besteedde hij geen aandacht.

‘Hij neemt alleen spul mee, dat gemakkelijk kan worden omgesmolten,’ realiseerde Remco zich. ‘Het lijkt wel of hij er verstand van heeft!’

Het leek een eeuwigheid te duren, voordat de overvaller vond dat het genoeg was. Toen de plastic zak zo goed als vol was, griste de man die uit de handen van de juwelier. Met zijn wapen nog steeds op de man gericht, liep hij achteruit naar de deur. Hij draaide de sleutel, die nog in de deur zat, om en stapte naar buiten.

“Een prettige avond nog en bedankt,” riep hij spottend. Daarna was hij verdwenen.

 

Zodra de overvaller weg was, kwamen Remco en Marieke overeind.

“We moeten 112 bellen!’ zei Marieke. Ze liep naar de juwelier toe, die zich op een stoel had laten zakken. “Gaat het, meneer?”

De juwelier knikte.

“Gelukkig hebben we het er goed af gebracht!” zei hij. “Voor hetzelfde geld had hij ons alledrie neergeschoten.”

“Daar geloof ik niets van,” zei Remco, terwijl hij zijn mobieltje uit z’n zak viste. “Hij riep wel heel hard, dat hij het zou doen, maar ik geloof nooit, dat hij het ook echt durfde.”

“Misschien was het zijn eerste overval,” opperde Marieke.

Remco hief zijn hand op, omdat hij 112 aan de lijn had.

“Met Remco Jongeneel,” zei hij. “We staan hier bij een juwelier, die zojuist is overvallen.” Haastig noemde hij de naam en het adres van de juwelierszaak.

“De politie komt er aan,” zei hij, terwijl hij zijn mobieltje weer in z’n zak stopte.

“Ik neem aan, dat wij als getuige ook verhoord worden,” zei Marieke. Ze zuchtte diep. “Daar gaat m’n vrije avond!”

“Wat mij betreft mogen jullie wel gaan,” zei de juwelier, tot stomme verbazing van Remco en Marieke. “Ik red het alleen ook wel.”

Remco schudde zijn hoofd. “Ik denk niet, dat de politie het daar mee eens is. Als wij nu weggaan, brengen we niet alleen u, maar ook onszelf in de problemen.”

“Hopelijk duurt het niet al te lang,” zei Marieke. “Op dat punt hebt u gelijk, meneer. We weten net zo weinig als u.”

Vanuit de verte zwol het geluid aan van een politiesirene.

Even later stormden de eerste agenten de juwelierszaak binnen. Een al wat oudere agent nam meteen de leiding.

“Hm,” constateerde hij. “De boel ziet er nog redelijk uit. Ik had verwacht dat het hier een ravage zou zijn.”

“Wat bedoelt u daarmee?” De stem van de juwelier klonk schril.

“Eigenlijk niets,” zei de politieman. Verwonderd keek hij de juwelier aan. “Meestal slaan die lui de boel kort en klein bij een roofoverval.”

“Meneer is zo verstandig geweest, te doen wat de overvaller vroeg,” kwam Marieke de juwelier te hulp. “Ik weet zeker, dat de overvaller wel degelijk geweld had gebruikt, als de juwelier had tegengestribbeld.”

“Hij dreigde voortdurend met een vuurwapen,” voegde Remco er aan toe.

“Wie zijn jullie?” wilde de agent weten.

“Ik ben Marieke Wielinga en dat is mijn collega Remco Jongeneel.”

“Wat deden jullie op de plaats van het misdrijf?”

“Tja, wat doet iemand in een winkel? Dat lijkt me duidelijk. We waren hier om iets te kopen!” Marieke begon zich op te winden. “Of zijn wij soms ook verdacht?”

“Is er een reden waarom ik u zou verdenken?” kaatste de politieman de bal terug.

“Nee, natuurlijk niet!” zei Marieke verontwaardigd. Remco legde bezwerend z’n hand op haar arm.

“Rustig maar. Die man doet ook alleen maar zijn werk.”

“Zo is het,” knikte de agent. Hij wenkte een paar collega’s.

“Leo, jij neemt een verklaring op van meneer. Ingrid, neem jij mevrouw voor je rekening. Zelf zal ik met de juwelier praten.”

Remco en Marieke werden allebei naar een hoek van de winkel meegenomen. De juwelier verdween met de leidinggevende agent naar een kantoortje achter de winkel. Marieke zuchtte diep, toen ze tegenover Ingrid zat. Ze had er spijt van, dat ze met Remco mee was gegaan.

 

Een halfuur later stonden Marieke en Remco buiten. Marieke keek op haar horloge.

“Breng me maar gauw thuis,” zei ze tegen Remco. “Ik rammel.”

“Zullen we op mijn kosten ergens iets gaan eten?” stelde Remco voor. “Het is tenslotte mijn schuld, dat jij nu zo laat thuis bent.”

“Jouw schuld?” Verwonderd keek Marieke Remco aan. “Jij kunt er toch ook niets aan doen, dat die juwelier nu net vandaag werd overvallen? Trouwens, volgens mij was ik degene die deze juwelier uitkoos.”

“Het doet er niet toe,” vond Remco. “Ga je mee uit eten of niet?”

Marieke knikte instemmend.

“Dan kunnen we gelijk nog even doorpraten over de overval.”

Een kwartier later zaten ze tegenover elkaar in een restaurant; allebei met een glas drinken voor zich.

“Wat vroegen ze allemaal aan jou?” wilde Remco weten.

“Gewoon, de normale dingen. Naam, adres, woonplaats en beroep en wat we in de winkel deden. Ook moest ik vertellen hoe de overvaller er uit zag, maar ik denk niet, dat ze met mijn verklaring veel zijn opgeschoten. Het enige dat ik zeker weet, is dat het een man was.”

“Mij vroegen ze precies hetzelfde,” vertelde Remco. “De agent die mij ondervroeg, wilde ook nog weten of mij iets ongewoons was opgevallen.”

“Dat vroeg die Ingrid ook aan mij. Wat heb je gezegd?” vroeg Marieke nieuwsgierig.

“Niets bijzonders,” zei Remco. “Ik weet alleen zeker dat die vent links was.”

“En dat hij normaal Nederlands sprak,” vulde Marieke aan.

“Ja, dat heb ik ook verteld. Toen ik dat zei, keek die Leo me een beetje verbaasd aan.”

“Blijkbaar gaan ze er bij de politie vanuit, dat de meeste overvallen door allochtonen worden gepleegd,” dacht Marieke hardop.

“Weet je wat me ook nog opviel,” zei Remco, “maar dat heb ik niet tegen die agent gezegd. Dat die juwelier al zenuwachtig was, voordat de overvaller er was.”

“Dat is zo!” zei Marieke verrast. “Ik heb er tijdens het verhoor geen seconde meer aan gedacht, anders had ik het zeker gezegd.”

“Het leek wel of die juwelier wist dat er iets ging gebeuren,” filosofeerde Remco. “Misschien heeft die roofovervaller hem van te voren wel bedreigd.”

“Als dat zo was, had hij beter de winkel wat eerder dicht kunnen doen. Zo druk is het toch niet meer tegen sluitingstijd.”

“Misschien was hij dat wel van plan, maar kon dat niet omdat wij nog in de winkel waren,” zei Remco. “Ik zou zijn verklaring wel eens willen lezen.”

“Weinig kans,” zei Marieke. “Ik denk niet, dat ze ons verder nog nodig hebben. Als de juwelier geluk heeft, wordt de zaak opgelost en als dat niet het geval is, krijgt hij geld van de verzekering. Ik neem tenminste aan, dat hij voor diefstal verzekerd is.”

“Dat is voor hem in ieder geval te hopen,” zei Remco.

“Nu heb je nog geen horloge voor je moeder,” bedacht Marieke.

“Weet je dat ik daar helemaal niet meer aan heb gedacht,” zei Remco. Hun gesprek werd onderbroken, doordat een ober hun eten kwam brengen. Nadat ze hadden gebeden voor hun eten, praatte het tweetal nog wat door over de overval.

“Ga je er wat over in de krant zetten?” wilde Marieke weten.

“Wat vind jij?”

“Ik vind dat we het wel kunnen doen,” zei Marieke. “Het gebeurt tenslotte niet iedere dag, dat we midden in een overval belanden.”

“Jammer dat jij geen foto’s hebt gemaakt,” vond Remco.

Marieke schoot in de lach.

“Ik zie het helemaal voor me. Meneer, zou u zo vriendelijk willen zijn uw helm af te zetten, zodat we een mooie foto in de krant kunnen plaatsen.”

“Dat motorpak en die helm waren gloednieuw,” zei Remco. Hij dacht even na. “Heb jij het geluid van een motor gehoord, voor of na de overval?”

Marieke schudde haar hoofd.

“Waarschijnlijk gebruikte hij dat pak alleen maar als vermomming. Voor hetzelfde geld was hij op de fiets.”

“Dat denk ik niet,” zei Remco. “Heb jij ooit een vent in een motorpak op een fiets zien zitten? Dat lijkt me geen gezicht. Ik denk eerder, dat hij met een auto is gevlucht.”

“Of hij had zijn motor een eindje verderop staan.”

“Dat is ook niet logisch. Als je je na een overval snel uit de voeten wilt maken, moet je je motor niet een paar straten verderop parkeren.”

“Weet je wat,” zei Marieke. “Laten we het speurwerk deze keer maar gewoon aan de politie overlaten. Tenslotte worden zij er voor betaald!”

 

De volgende dag werd Remco om een uur of elf gebeld. Het was de politie van Amersfoort, die vroeg of hij die middag naar het bureau kon komen.

“Heeft het te maken met die overval op de juwelier?” wilde Remco weten. De agent die belde antwoordde bevestigend.

“Vooruit dan maar,” zuchtte Remco. “Gaat het erg lang duren?”

“Dat hangt er vanaf,” zei de agent. “Er zijn een paar onduidelijkheden in uw verklaring en in die van de vrouw die bij u was.”

“Moet zij ook komen?”

“Dat is wel de bedoeling, ja.”

‘Wat een toestand!’ dacht Remco, nadat hij de telefoon had neergelegd. Mijn moeder verwacht dat ik vanavond kom eten en ik moet nog steeds een cadeautje voor haar kopen.’

 

Tussen de middag bleek dat ook Marieke niet blij was met het bezoek aan het politiebureau.

“Ik vraag me af, wat ze nog willen weten,” zei ze.

“Misschien worden wij ook wel verdacht,” bedacht Remco.

“Hoezo?” stoof Marieke op. “We hebben toch niets verkeerds gedaan?”

“Volgens mij niet, nee,” zei Remco. “Maar dat kan de politie niet weten. Straks heeft de juwelier de politie van alles en nog wat wijsgemaakt.”

“Laten we er maar gewoon heengaan,” zuchtte Marieke.

 

Dit keer werden ze niet apart genomen. Samen zaten ze tegenover de politieman, die een dag eerder de leiding had bij het onderzoek. Leo en Ingrid waren er ook, maar nadat ze Remco en Marieke hadden begroet, zeiden ze verder niet veel.

“We zullen maar meteen met de deur in huis vallen,” begon de politieman, die zichzelf voorstelde als Tichelaar. “Jullie verklaring is op een groot aantal punten strijdig met die van meneer Vondeling.”

“Meneer Vondeling?”

“De juwelier heet zo,” zei Tichelaar. “Ik dacht dat jullie dat wel wisten.”

Remco en Marieke schudden hun hoofd.

“Waarom waren jullie gisteren juist bij die juwelier?” wilde de politieman weten.

Marieke gaf antwoord: “We waren laat en Remco wilde nog een horloge voor zijn moeder kopen. Vanaf de plaats waar hij zijn auto geparkeerd had, was dit volgens mij de dichtstbijzijnde juwelier.”

“Is jullie voor de overval iets bijzonders opgevallen?”

“Ik denk, dat de juwelier wist, dat er iets stond te gebeuren,” zei Remco. “Hij keek ons bijna de winkel uit en was behoorlijk zenuwachtig.”

Tichelaar bladerde wat in de papieren die voor hem lagen.

“Waarom hebben jullie daar geen van beiden gisteren iets over gezegd?”

“Daar hebben we niet aan gedacht,” legde Marieke uit. “Na de overval hebben we er uiteraard samen over doorgepraat. We hadden allebei het idee dat er iets niet klopte.”

“Jullie zeggen allebei, dat de man geen accent had,” vervolgde de politieman. “Weten jullie dat zeker?”

“Absoluut!” zei Marieke.

“Ik weet het ook heel zeker,” knikte Remco. “Ik schaamde me eigenlijk een beetje, omdat ik zodra ik die kerel zag min of meer verwachtte dat hij van buitenlandse afkomst was.”

“Maar dat was hij niet?”

“Dat weet ik niet zeker, want hij droeg een leren motorpak en handschoenen. Eerlijk gezegd heb ik helemaal geen stukje huid gezien, dus ik kan ook niet zeggen wat voor kleur hij had. Maar hij had in geen geval een accent. Ook gebruikte hij een Nederlandse uitdrukking: ‘Ik schiet je lek!’ Ik weet niet, of buitenlanders die uitdrukking gauw zullen gebruiken.”

“Vreemd!”

“Hoezo?” vroeg Marieke verbaasd. “Er zijn toch ook wel Nederlanders die overvallen plegen?”

“Helaas wel, ja.” Even aarzelde Tichelaar, toen zei hij: “Meneer Vondeling is ervan overtuigd, dat het een zogenaamde medelander was.”

“Hoe komt hij daar nu bij?”

“Tja, het is zijn woord tegen dat van jullie,” zei Tichelaar, terwijl hij met zijn hand door zijn haar streek.

“Zijn er opnames gemaakt van de overval?” bedacht Remco opeens. “Ik neem aan, dat die juwelier een video bewakingssysteem heeft.”

“Hij heeft wel zo’n systeem,” knikte de politieman, “maar dat is al een paar weken stuk. Hij heeft de recorder opgestuurd naar de leverancier en nog niet teruggekregen.”

“Het is mij allemaal iets te toevallig!” zei Remco. “Het lijkt er verdacht veel op, dat Vondeling meer weet dan hij wil laten merken.”

Even keek Tichelaar Leo en Ingrid veelbetekenend aan, maar hij zei verder niets.

“Jullie hebben het er dus samen nog over gehad,” zei hij. “Is jullie nog meer opgevallen?”

“De man wist precies, welke spullen hij mee moest nemen,” zei Remco. “Horloges en dergelijke liet hij liggen. Hij nam alleen spullen mee, die je gemakkelijk kunt smelten om er iets anders van te maken.”

“Op zich is dat niet ongewoon,” vond Tichelaar. “Van horloges en dergelijke is meestal het registratienummer bekend en dieven weten dat.”

Opeens bedacht Remco wat.

“Weet u of de juwelierszaak van meneer Vondeling goed loopt?” vroeg hij aan de politieman. “Kan het niet zo zijn, dat hij zelf die overval heeft verzonnen?”

“Waarom denk je dat?”

“Voor de overval was hij zenuwachtig, maar toen die kerel er eenmaal was, bleef hij behoorlijk rustig. Ook wist hij niet hoe gauw hij die spullen af moest geven.”

Ook dit keer ging Tichelaar niet op Remco’s opmerking in.

“Zijn er nog andere dingen die jullie zijn opgevallen?” wilde hij weten.

Marieke vertelde dat de overvaller een splinternieuw motorpak had gedragen, maar dat ze geen van beiden een motor hadden gehoord. Daarna stelde Tichelaar nog een paar vragen, waarna ze konden gaan.

“Wat denk je,” vroeg Remco, terwijl ze het bureau verlieten. “Zouden ze ons verdenken?" 

“Ik zou niet weten waarom!” zei Marieke verontwaardigd. “Ik denk, dat ze beter die Vondeling eens goed aan de tand kunnen voelen. Er zit een luchtje aan deze zaak, dat steeds harder gaat stinken.”

“Zullen we naar hem toe gaan?” stelde Remco voor.

“Ben je mal! Straks krijgt hij argwaan. Ik voel er niet voor de politie voor de voeten te lopen!”

“Dan moet ik maar naar een andere juwelier om een horloge te kopen,” zei Remco.

“Ik ga met je mee,” zei Marieke. “Maar als we weer middenin een overval terechtkomen ga ik gillen!”

 

Een paar dagen later werd Remco opnieuw gebeld door Tichelaar.

“De zaak is rond,” vertelde hij. “Jullie hadden het helemaal bij het rechte eind. De winkel van Vondeling liep de laatste maanden steeds slechter, waardoor hij nauwelijks z’n huur kon betalen. Hij heeft toen samen met zijn zoon het plan voor de overval bedacht. Hij schrok wel even, toen hij jullie die middag zag binnenkomen. Eigenlijk was het niet de bedoeling, dat er pottenkijkers bij waren. Later bedacht hij, dat het ook wel prettig was dat er getuigen waren. Daardoor zou de hele overval een stuk geloofwaardiger worden. Hij had met zijn zoon, die voor overvaller speelde, afgesproken dat hij zou zeggen dat de overvaller een buitenlands accent had. Achteraf kon hij zich wel voor zijn hoofd slaan, omdat hij kon weten, dat jullie iets heel anders zouden zeggen. Het was zijn bedoeling de gestolen buit later beetje bij beetje weer in de winkel te leggen, nadat hij het geld van de verzekering had gekregen.”

“Gelukkig is hij tegen de lamp gelopen,” zei Remco. “Ik heb altijd geleerd dat je niet mag stelen, zelfs niet van jezelf.”

“De verzekering oplichten is ook een vorm van diefstal,” was Tichelaar het met hem eens.

Nadat de politieman had opgehangen, belde Remco meteen Marieke. Daarna begon hij ijverig te typen. Met een beetje geluk kon het bericht van de opgeloste roofoverval nog net mee met de kopij voor de krant van de volgende dag.