BEDREIGING IN VEERE

 

“Eindelijk eens een opdracht naar m’n hart!”

Tevreden nestelde Marieke Wielinga zich nog beter op de voorbank van de oude Eend van haar collega Remco Jongeneel.

“Hoe bedoel je dat?” vroeg Remco, terwijl hij het gaspedaal van z’n oude wagentje zo diep mogelijk induwde.

“Nou, het lijkt wel of we zelf vakantie hebben,” lachte Marieke. Ze stak de vingers van haar linkerhand in de lucht en somde op: “Maandag naar Terschelling, dinsdag naar Sneek, woensdag naar Dwingeloo, vandaag naar Zeeland en morgen naar Valkenburg in Limburg. Wat wil een mens nog meer?”

“Wat zou je denken van wat actie?”

Hoewel ze wist dat Remco haar zat te plagen, hapte Marieke onmiddellijk.

“Jij altijd met je actie! Als je zo van actie houdt, snap ik niet dat je in zo’n oude, trage Eend rijdt!” Ze wees naar een Mercedes, die met veel te grote snelheid langs zoefde.

“Omdat ik geen duurdere auto kan betalen,” zei Remco nuchter.

“Jij vindt onze opdracht toch ook leuk?” vroeg Marieke.

“Natuurlijk wel,” gaf Remco toe. “Er is niets mis met het toeren door Nederland op kosten van de krant.”

“Ik vind het een goed idee van Erik Drent, een katern te maken over een aantal mooie plekjes in Nederland,” vond Marieke. “Een heleboel mensen gaan ieder jaar naar het buitenland, terwijl ze niet eens weten hoe mooi hun eigen land is.”

“Dat komt ook door het weer,” wist Remco. “Heel veel mensen kiezen het zekere voor het onzekere en gaan daarom met vakantie naar Zuid-Frankrijk of andere zonnige oorden.”

“In Zeeland is het vaak veel mooier weer dan in de rest van Nederland,” vertelde Marieke. “Kennissen van mij gaan ieder jaar naar Zeeland en ze hebben bijna altijd mooi weer.”

“Dat zal ik in ieder geval in m’n artikel vermelden,” beloofde Remco.

“Ben je er al uit naar welke plaats we precies gaan?” vroeg Marieke.

“Wat vind je van Veere? Ik ben er als kind al eens met vakantie geweest en het lijkt me leuk om daar nog eens een kijkje te nemen.”

“Ik vind het best,” zei Marieke. Ze rommelde wat in het vak voor haar en vond en oude wegenkaart van Nederland. “Weet je hoe je moet rijden?”

“Voorlopig hoeven we alleen de A58 maar te volgen,” wist Remco. “Als ik het goed heb, moeten we dan ergens vlak voor Middelburg rechtsaf, maar ik neem aan dat dat wel op de borden staat.”

 

Het liep al tegen de middag toen ze uiteindelijk Veere bereikten. Hoewel het seizoen nog lang niet was begonnen, was het druk in de Zeeuwse havenplaats.

“Laten we eerst maar ergens koffie gaan drinken,” stelde Remco voor. “Ik ben uitgedroogd na de lange reis vanuit Amersfoort.”

“Prima,” lachte Marieke. Ze pakte haar fototoestel van de achterbank van de auto. “Zullen we een restaurant zoeken met uitzicht op de haven?”

Toen ze uit de auto stapten zei Remco verwonderd: “Volgens mij is het hier veel warmer dan in Amersfoort.”

“Je weet niet hoe het daar nu is,” zei Marieke. “Laat jij je jas in de auto?”

Remco knikte.

“Volgens mij is het warm genoeg om zonder jas op een terras te gaan zitten.Wacht, ik verstop nog even m’n laptop, want ik voel er niets voor dat m’n auto wordt opengebroken en m’n computer wordt gestolen.”

Tien minuten later zaten ze op een terras achter een kop koffie met een warme Zeeuwse bolus. Nieuwsgierig keken Marieke en Remco om zich heen. In de haven lagen zeil- en motorboten in allerlei soorten en maten.

“Moet je dat schip zien!” Remco wees Marieke op een kolossaal jacht, dat aan de rand van de vaargeul voor anker lag.

“Zo’n schip is minstens net zo duur als een eengezinswoning,” wist Marieke. “Ik vraag me af wie zo’n jacht kan betalen.”

“Waarschijnlijk mensen met een eigen bedrijf of zo,” veronderstelde Remco. “Of gepensioneerden die hun zaak hebben verkocht en het er nu lekker van nemen.”

Marieke haalde haar fototoestel voor de dag. Omdat ze als fotografe voor het Christelijk Dagblad werkte, had ze een prachtig digitaal toestel, compleet met telelens.

“Zal ik een paar foto’s van het jacht maken?” stelde ze voor.

“Dat kun je doen,” zei Remco, “al denk ik niet, dat veel lezers van onze krant zich zo’n jacht kunnen permitteren.”

“Wat maakt dat nou uit. Heel veel mannen kopen ook tijdschriften over luxe auto’s, terwijl ze weten dat ze er zelf nooit in zullen rijden.”

Zonder zich iets van Remco aan te trekken begon Marieke foto’s te maken. Op het dek van het jacht liepen en paar mannen. Bijna allemaal droegen ze een smetteloos wit kostuum. Eén man viel daarbij uit de toon. Het was een dikke kerel in een slecht zittend, donker pak. Hij gebaarde heftig naar de man die tegenover hem stond. Het leek wel of ze ruzie hadden.

Even overwoog Marieke er iets over te zeggen tegen Remco maar ze bedacht zich. Remco was altijd vreselijk nieuwsgierig en in staat om op onderzoek te gaan. Zolang hij niets in de gaten had, begon zij er ook niet over. Ze hadden al vaak genoeg tot hun nek toe in de narigheid gezeten!

Marieke maakte niet alleen foto’s van het luxe jacht, maar ook van andere boten in de jachthaven. Toen ze hun koffie op hadden stond Remco op.

“Zullen we ook nog in de rest van het stadje rondkijken?” stelde hij voor.

“Natuurlijk!” zei Marieke. “We zijn hier niet alleen heen gereden om ons te vergapen aan een paar boten. Dan hadden we net zo goed naar Spakenburg of zo kunnen gaan.”

Meer dan een uur bleven Remco en Marieke in Veere. Ze bekeken de oude gevels en gebouwen, zoals de Campveerse Toren, een oud vestingwerk waarin al eeuwen een restaurant was gevestigd.

Om een uur of drie hadden ze alles wel zo’n beetje bekeken.

“Zullen we naar Domburg rijden?” stelde Marieke voor. “Als we in Zeeland zijn moeten we toch op z’n minst de zee hebben gezien.”

“Mij best,” zei Remco. Samen wandelden ze op hun gemak naar het achteraf straatje, waar Remco de Eend geparkeerd had. Ze stonden op het punt in te stappen, toen vanuit een zijstraat een in het wit geklede man naar hen toe kwam. Hij liep regelrecht op Marieke af.

“Hier dat fototoestel!” snauwde hij.

“Ik pieker er niet over!” zei Marieke kwaad. “Waar slaat dit op!”

Er kwam een vreemd licht in de ogen van haar belager.

“Doe wat ik zeg,” gebood hij. “Want anders…”

Hij stak zijn hand in de zak van z’n colbert en toverde een klein vuurwapen te voorschijn.

Terwijl hij het pistool op Marieke richtte, siste hij: “Ik zal niet aarzelen dit wapen te gebruiken, dus…”

Gebiedend stak hij zijn linkerhand uit.

Marieke keek naar Remco, in de hoop van zijn kant hulp te krijgen.

“Doe het nu maar,” raadde hij haar aan. “Als die vent gaat schieten, zijn we nog veel verder van huis.”

Hoewel ze behoorlijk de smoor in had, zag Marieke in dat Remco gelijk had. Zwijgend gaf ze haar fototoestel aan haar belager.

Remco en Marieke verwachtten allebei min of meer, dat de man er meteen vandoor zou gaan, maar dat bleek niet het geval te zijn. Hij stak zijn wapen in de zaak en bestudeerde op zijn gemak Marieke’s camera. Al gauw had hij gevonden wat hij zocht. Aan de zijkant van het toestel zat een klepje, waarachter de kaart zat, waarop de digitale foto’s werden opgeslagen. Hij opende het klepje en haalde de kaart eruit. Daarna sloot hij het toestel zorgvuldig en gaf hij het terug aan Marieke.

“Zie je wel, dat het helemaal niet moeilijk is,” glimlachte hij. “Een prettige dag verder.”

Voordat Remco en Marieke van hun verbazing waren bekomen, was de man tussen de huizen verdwenen.

Remco was de eerste die wat zei.

“Waar slaat dit allemaal op?” vroeg hij zich hardop af.

“Dat lijkt me wel duidelijk,” antwoordde Marieke. “We moeten maken, dat we wegkomen.”

“Waarom? Denk je dat hij spijt krijgt, dat hij alleen het kaartje heeft meegenomen en niet het hele toestel?”

“Schiet nou maar op!” zei Marieke. “Tegen de tijd dat die vent dat kaartje heeft bekeken, wil ik hier zo ver mogelijk vandaan zijn!”

“Ik snap er nog steeds niets van,” bekende Remco.

Marieke ging er verder niet op in maar stapte in de Eend. Remco wist niets beters te doen dan haar voorbeeld te volgen. Hij startte de motor en manoeuvreerde het oude wagentje de straat uit.

“Wil je nog steeds naar Domburg?” vroeg hij aan Marieke. Die haalde haar schouders op.

“We moeten in ieder geval niet teruggaan in de richting Breda,” zei ze.

“Wil je me nu eindelijk eens uitleggen, wat je precies bedoelt?” Remco, die zich zat op te winden, begon steeds harder te praten.

“Rustig maar,” suste Marieke. “Waar denk je dat die vent vandaan kwam?”

“Hoe moet ik dat nou weten?”

“Herinner jij je dat luxe jacht nog?” hielp Marieke hem op weg.

“Dat schip dat jij zo nodig moest fotograferen? Natuurlijk herinner ik me dat!”

“Bijna alle bemanningsleden van dat jacht droegen een wit kostuum,” vertelde Marieke.

“Dat is me helemaal niet opgevallen,” zei Remco.

“Dat kan kloppen,” knikte Marieke. “Daarvoor lag het schip eigenlijk te ver van de kade. Ik zag het, toen ik door de telelens van mijn fototoestel keek.”

Het begon Remco te dagen.

“Jij denkt, dat die man die ons beroofd heeft van dat schip kwam?”

“Dat weet ik wel bijna zeker,” zei Marieke.

Remco schudde zijn hoofd.

“Waarom zou iemand die waarschijnlijk werkt op het jacht van zo’n rijke stinkerd een kaartje uit jouw fototoestel willen hebben?”

“Omdat ik misschien een foto heb gemaakt van iets, dat ik helemaal niet had mogen zien!”

“Zoals?”

“Weet ik veel? Alle mensen op dat schip droegen een wit kostuum, op één man na. Hij droeg een zwart pak. Ik denk, dat hij niet bij de bemanning van het schip hoorde, want hij maakte ruzie met een andere man.”

“Als die vent in dat witte pak ons niet had bedreigd, had je waarschijnlijk nooit meer aan die ruzie gedacht,” veronderstelde Remco.

“Dat denk ik ook niet,” beaamde Marieke.

“Door zijn actie heeft hij me juist nieuwsgierig gemaakt,” zei Remco. “Ik zou nu dolgraag willen weten, wie die twee mannen op de foto zijn. Jammer dat we daar nu nooit achter kunnen komen.”

“Dat kunnen we wel,” zei Marieke, “en dat is meteen ook de reden dat we moeten maken dat we hier weg komen. Omdat m’n kaart vol was, heb ik een ander exemplaar in m’n toestel gestopt, vlak voordat we terugliepen naar de auto. Het kaartje wat de man heeft afgepakt is helemaal leeg.”

“Dan moeten we inderdaad niet terugrijden in de richting Breda,” schrok Remco. “Die kerel zal woedend zijn, als hij ontdekt dat hij het verkeerde kaartje te pakken heeft.”

“Het zit er dik in, dat hij ons dan achterna komt,” zei Marieke. “En ik ga er vanuit, dat zijn auto heel wat sneller zal zijn dan jouw oude Eend.”

Ze hadden intussen de rand van het stadje bereikt. Remco ging niet linksaf, richting Middelburg, maar rechtdoor. Al rijdend probeerde hij zich de kaart van Zeeland voor de geest te halen. Het lukte maar half. Voor zijn werk kwam hij maar zelden in deze provincie en hij was er na zijn kindertijd nooit meer op vakantie geweest.

Blijkbaar raadde Marieke zijn gedachten, want ze bukte zich en haalde voor de tweede keer die dag de kaart te voorschijn.

‘We kunnen op verschillende manieren terugrijden naar Amersfoort,” zei ze, nadat ze de kaart een tijdje bestudeerd had. “We kunnen met een boog over Noord-Beveland naar Goes rijden en dan daar de A58 weer pakken, maar we kunnen ook via de Oosterscheldedam naar Rotterdam rijden.”

Remco dacht even na.

“Laten we eerst een rustig plekje zoeken,” stelde hij voor. “Dan kunnen we kijken wat er op die foto’s staat. Het lijkt me trouwens sowieso beter, dat we ons een tijdje verstoppen, want het kan natuurlijk ook, dat er meer dan één auto achter ons aan wordt gestuurd.”

Marieke verbleekte. Aan die mogelijkheid had ze helemaal nog niet gedacht. Haastig begon ze de kaart te bestuderen.

“Dan moeten we dus maken dat we van deze weg afkomen! Als deze kaart klopt, kunnen we zo ergens rechtsaf.”

“Prima!”

Bij de eerstvolgende gelegenheid sloeg Remco rechtsaf. Het was een klein weggetje, dat door het land kronkelde. Marieke zat de helft van de tijd achterstevoren om te zien of ze ook gevolgd werden. Gelukkig bleek dat niet het geval te zijn. Na ongeveer een kwartier reed Remco de Eend een zandpad op, in de richting van een bosje. Pas toen hij er zeker van was, dat ze van de weg af niet konden worden gezien, stopte hij.

“Zo,” zei hij, terwijl hij de motor afzette. “Nu wil ik eerst wel eens zien wat er op die foto’s staat.”

“Anders ik wel!” zei Marieke. Ze haalde het kaartje voor de dag en stak het in haar fototoestel.

“Wacht,” zei Remco. “Ik pak mijn laptop even. Dan kunnen we het beter zien.”

Een paar minuten later kwamen de foto’s die Marieke gemaakt had één voor één in beeld. Toen de eerste foto van het luxe jacht in beeld kwam, zette Remco de presentatie stil. Hij drukte op een paar knoppen, zodat het beeld inzoomde op de mensen, die op het dek van het schip stonden.

“Kijk! wees Marieke. “Dat is de vent die ons bedreigde!”

“Mooi!” zei Remco. “Dan weten we in ieder geval dat we op het goede spoor zitten.”

Omdat op de eerste foto verder weinig bijzonders te zien was, klikte Remco de volgende aan. Nu kwam ook de man in het zwarte pak in beeld.

“We moeten proberen in te zoomen op zijn hoofd,” zei Remco. Hij schoof de laptop door naar Marieke. “Doe jij het maar. Jij bent er handiger in dan ik.”

Even later was het hele scherm van Remco’s laptop gevuld met het hoofd van de man in het zwarte pak. Doordat het beeld zo sterk was uitvergroot, was het vreselijk korrelig.

Opnieuw drukte Marieke een paar toetsen in. Het hoofd van de man werd daardoor kleiner, maar wel duidelijker.

“Hij komt me bekend voor,” zei Remco. “Ik zou alleen niet weten wie het is.”

“Laten we eerst maar eens kijken wie die andere man is,” stelde Marieke voor. “Misschien worden we daar wat wijzer van.”

De man in het witte pak herkenden ze allebei onmiddellijk. Zijn foto had ongeveer een jaar geleden op alle voorpagina’s van de kranten gestaan; ook op die van het Christelijk Dagblad.

“Meneer Vlessing!” zei Marieke. “De man die vorig jaar miljoenen heeft gekregen, nadat hij zijn bedrijf heeft verkocht aan een stel buitenlandse investeerders.”

“Nou, dan zijn we er in ieder geval achter wat hij met een deel van die miljoenen heeft gedaan,” zei Remco droog.

“Ik neem aan, dat hij zijn mannetje niet achter ons aan heeft gestuurd, omdat we ontdekt hebben dat hij een duur jacht heeft,” peinsde Marieke. “Zoiets kun je in een klein land als Nederland toch niet geheim houden.”

“Dan kunnen we maar één ding concluderen,” zei Remco. “Vlessing wil niet dat hij samen met die andere man gezien wordt.”

“Dat betekent dus, dat die andere man niet deugt!” stelde Marieke vast.

“Dat is wel heel kort door de bocht,” vond Remco.

“Vind je? Nou, ik niet! Waarom loopt de bemanning van Vlessing met een pistool op zak? Dat is toch niet normaal, voor iemand die niets te verbergen heeft?”

“Misschien heeft die kerel er wel een vergunning voor. Ik kan me voorstellen dat een rijke vent als die Vlessing bang is voor kidnapping. Er valt tenslotte heel wat bij hem te halen.”

“Dat is zo,” gaf Marieke toe. “Heineken hebben ze indertijd ook ontvoerd om flink veel losgeld te krijgen.”

“Wat doen we nu?”

“Ik vind, dat we naar de politie moeten gaan,” zei Marieke. “Via de computer moet het voor hen een koud kunstje zijn te achterhalen, wie die man in het zwarte pak is. Als we daar achter kunnen komen, weten we waarschijnlijk ook meteen waarom Vlessing iemand achter mij aan heeft gestuurd voor dat fotokaartje. Zullen we naar het politiebureau in Middelburg gaan?”

“Niet naar Middelburg,” besliste Remco. “Als die lui merken dat wij spoorloos zijn, zetten ze daar misschien een mannetje neer om ons op te wachten.” Hij pakte de kaart, bestudeerde hem even en vervolgde: “We gaan via Noord Beveland naar Goes.”

“Mij best,” zei Marieke.

Nadat ze hun spullen hadden opgeruimd reden ze verder.

“Ik hoop, dat ze niet zo slim zijn ons bij de Veersegatdam op te wachten,” mompelde Remco, toen hij zijn auto de N255 opdraaide.

“Zou dat kunnen?” vroeg Marieke verschrikt.

“Alles kan!” zei Remco.

“Wat nu?”

“We wagen het er op,” besliste Remco. “We kunnen ook proberen via allerlei binnenweggetjes naar Goes te rijden, maar dat kost heel veel tijd.”

“Doe dat toch maar,” zei Marieke. “Voor mij is het al meer dan genoeg als er één keer per dag een wapen op me wordt gericht.”

“Vooruit dan maar,” gaf  Remco toe.

 

Ruim anderhalf uur later parkeerde Remco zijn auto in de buurt van het politiebureau van Goes. Hij zorgde er wel voor, dat het wagentje vanaf de ingang van het gebouw niet te zien was.

Onderweg naar het bureau sloeg Marieke opeens een arm om Remco heen.

“Er staat een vent voor het bureau te wachten, “ fluisterde ze. “We moeten gewoon doorlopen en net doen of het een verliefd stelletje zijn!”

‘Ze moest eens weten dat ik echt verliefd op haar ben,’ dacht Remco, terwijl hij op zijn beurt zijn arm om Marieke’s schouders sloeg. Vanuit zijn ooghoeken zag hij dat er inderdaad een man bij de bushalte voor het politiebureau stond. Hij droeg een onopvallende regenjas en stond een sigaret te roken.

“Misschien is het gewoon iemand die op de bus wacht,” fluisterde hij.

“Daar komen we gauw genoeg achter, want de bus komt er aan,” zei Marieke.

De man had de bus blijkbaar ook gezien, want hij deed een paar stappen achteruit. Hij draaide zich om en begon de etalage van een winkel naast het politiebureau te bestuderen.

“Als de bus stopt, rennen wij er gauw voorlangs,” bedacht Remco. “De man kan ons dan niet zien en voordat hij het in de gaten heeft zijn wij binnen.”

“Het lijkt me handiger als we een politieagent opzoeken en hem de zaak uitleggen,” zei Marieke nuchter. “Jouw plannetje vind ik te riskant. Ik voel er niets voor als schietschijf te dienen.”

“Goed,” zei Remco. “Ik hoop alleen wel, dat we een beetje gauw een politieagent zien. Hoe eerder we ons verhaal kunnen vertellen, hoe beter het is.”

Het duurde meer dan een halfuur, voordat Remco en Marieke een politieagent tegen het lijf liepen. Omdat ze allebei door elkaar praatten, begreep hij er eerst niet veel van. Uiteindelijk zorgde hij ervoor, dat ze door een collega met een onopvallende auto naar de achteringang van het bureau werden gebracht.

De wachtcommandant krabde zich even achter de oren, toen hij het verhaal hoorde.

“Ik zal zien of er iemand beschikbaar is, die u kan helpen,” zei hij.

“Misschien iemand van de afdeling narcotica,” opperde Remco.

“Narcotica?” vroegen de wachtcommandant en Marieke precies tegelijk.

Remco kinkte.

“Ik denk,” legde hij uit, “dat Vessings schip gebruikt wordt om drugs te smokkelen. Dat dure jacht van hem is zeewaardig, dus hij kan er overal mee naar toe. Het moet voor hem een koud kunstje zijn op volle zee drugs van een vrachtschip uit bijvoorbeeld Zuid-Amerika over te laden in zijn eigen schip en het spul daarna Nederland binnen te smokkelen. Vlessing is een bekende Nederlander. Hem zullen ze niet zo gauw verdenken.”

“Je vergeet één ding,” bracht Marieke er tegenin. “Waarom zou hij dat doen? Vlessing bulkt van het geld en hoeft dus helemaal geen drugs te smokkelen.”

“Toch denk ik dat ik gelijk heb!” hield Remco vol.

“Goed,” zei de wachtcommandant. “Ik zal zien of er een rechercheur van narcotica binnen is.”

 

Tien minuten later zaten Remco en Marieke tegenover rechercheur De Putter. Zodra hij de foto zag, waarop de man in het zwarte pak stond, floot hij tussen zijn tanden.

“Kent u die man?” vroeg Marieke nieuwsgierig.

“Nou en of! Zijn echte naam doet er niet toe, maar wij noemen hem altijd de Hyena. Het is een belangrijke drugssmokkelaar die door de politie over de hele wereld wordt gezocht. Wie had dat kunnen denken, dat hij iets te maken zou hebben met Vlessing.”

“Zie je wel!” zei Remco triomfantelijk. “Ik had wel gelijk! Wat doen we nu?”

“Jullie doen niets!” besliste de rechercheur. “Jullie blijven netjes hier, totdat we een inval hebben gedaan op het jacht. Als jullie nu naar huis gaan, is het risico groot dat die lui jullie wat aandoen.”

 

Vol spanning wachtten Remco en Marieke af wat er verder ging gebeuren. Het duurde nog uren voordat rechercheur De Putter kwam opdagen. Gelukkig was de wachtcommandant zo vriendelijk Chinees voor hen te laten halen, zodat ze geen honger hoefden te lijden.

“Kat in ’t bakkie!” zei rechercheur De Putter, toen hij tegen tienen terugkwam op het bureau.

“Hoe is het gegaan?” vroeg Remco nieuwsgierig.

“Meneer Vlessing ontkende uiteraard in alle toonaarden, toen wij hem zeiden dat hij werd verdacht van drugssmokkel. Gelukkig hadden we een speurhond meegenomen, die is opgeleid om drugs op te sporen. Na wat zoeken vond hij een geheime bergplaats, onderin de kiel van het schip. Vlessing had maar liefst tien kilo cocaïne aan boord. Eerst ontkende hij in alle toonaarden dat hij iets met de smokkel te maken had, maar toen bleek dat zijn vingerafdrukken op de zakken zaten, viel hij door de mand.”

“En de Hyena?” wilde Marieke weten.

“Eerst dachten we dat die gevlogen was, maar toen we de bemanningsleden gingen ondervragen, bleek dat één van hen geen woord Nederlands sprak. Toen hij door had, dat hij ontmaskerd was, probeerde hij te ontsnappen door in het water te springen. Gelukkig hadden we daar al min of meer op gerekend. Agenten van een politieboot, die we achter de hand hadden gehouden, hebben hem uit het water gevist en meegenomen naar het politiebureau in Middelburg.”

“Weet u al waarom die Vlessing drugs is gaan smokkelen?” vroeg Remco.

De Putter knikte.

“Toen hij door had, dat ontkennen zinloos was, heeft hij meteen een bekentenis afgelegd. Eigenlijk is het een triest verhaal. Omdat hij zich, nadat hij zijn bedrijf verkocht had, stierlijk verveelde, is hij op zoek gegaan naar spanning en avontuur en op het verkeerde pad geraakt.”

“Hij had zich beter in kunnen zetten voor goede doelen,” vond Marieke. “Er zijn heel veel mensen in de wereld die zijn hulp hard kunnen gebruiken.”

“Voorlopig kan hij in ieder geval weinig meer doen met z’n geld,” zei De Putter. “Ik denk, dat hij wel voor een paar jaar achter de tralies verdwijnt.”

“Wat een verhaal!” zei Remco. “En dan te bedenken dat we alleen maar naar Zeeland zijn gekomen voor een vakantiebijlage van onze krant!”

“Het verhaal dat je nu kunt schrijven is veel spannender,” lachte De Putter.

Marieke gaapte en keek op haar horloge.

“Kunnen we gaan?” vroeg ze. “We hebben nog een lange reis voor de boeg en ik val om van de slaap.”

“Eerst moeten jullie een verklaring afleggen,” zei de rechercheur.

 

Het was al bijna middernacht toen Remco en Marieke weer op de A58 zaten.

“Wat een avontuur!” zei Remco. “Het begint nu pas tot me door te dringen, aan wat voor gevaar we ontsnapt zijn. Voor hetzelfde geld hadden die lui ons allebei voorgoed het zwijgen opgelegd. Die cocaïne is een vermogen waard en ik denk, dat mensen als die Hyena niet voor een moord terugdeinzen.”

Marieke huiverde even.

“Gelukkig heeft God ons bewaard,” zei ze zacht. “Net als bij al onze andere avonturen.”

“Hij is er altijd,” beaamde Remco. “Gelukkig wel!”