Verhalenarchief 2010-2011 - Februari 2011

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mail

Inhoudsopgave
Verhalenarchief 2010-2011
September 2010
Oktober 2010
November 2010
December 2010
Januari 2011
Februari 2011
Maart 2011
April 2011
Mei 2011
Juni 2011
Juli 2011
Augustus 2011
September 2011
Oktober 2011
November 2011
December 2011
Alle pagina's
TERREUR IN EEN WOONWIJK

Het was stil op het redactiekantoor van het Christelijk Dagblad. Het was een koude winterdag en omdat de verwarming weer eens kuren had, waren de meeste medewerkers om vijf uur zo snel mogelijk vertrokken.

Remco Jongeneel zat achter z’n computer en zuchtte diep. Het lukte hem niet een goed slot te verzinnen voor het artikel waaraan hij zat te werken. Het ging over dierproeven en eigenlijk wist hij niet zo goed wat hij daarvan moest denken. Aan de ene kant was hij het met de mensen eens, die vonden dat je daarvoor geen dieren mocht gebruiken, aan de andere kant besefte hij ook dat je nieuwe medicijnen niet zomaar op mensen kon toepassen.

‘Laat ik er maar gewoon een draai aan geven!’ besloot hij uiteindelijk bij zichzelf. ‘Ik wil naar huis. Daar ga ik eerst een half uur onder de douche staan om weer warm te worden.’

Hij las het artikel nog een keer door, werkte het hier en daar wat bij, verzon een passende slotzin en zond het daarna door naar de computer van Erik Drent, de hoofdredacteur. Die moest het verder maar bekijken.

Terwijl hij zijn computer afsloot, kwam Marieke naar hem toe. Marieke was fotografe bij het Christelijk Dagblad. Samen hadden Remco en Marieke al de nodige avonturen beleefd.

“Hoi Remco,” zei ze. “Heb je het vanavond druk?”

“Je gaat me toch niet vragen of ik vanavond bij je op visite wil komen, hè?” lachte Remco.

“Dat zou je wel willen,” kaatste Marieke de bal terug. “Maar nu heb ik nog geen antwoord op m’n vraag.”

“Ik heb het heel druk!” zei Remco. “Ik heb straks eerst minstens een uur nodig om weer op temperatuur te komen. Daarna moet ik nog eten koken en de rest van de avond heb ik een afspraak met een heel boeiend boek uit de bibliotheek.”

“Je bent dus vrij,” constateerde Marieke. “Mooi zo!”

“Wat wil je van me?” vroeg Remco achterdochtig.

“Ik niets,” zei Marieke vlug, “maar mijn tante Agaath wel.”

“Maar ik ken je tante Agaath helemaal niet!” protesteerde Remco.

“Na vanavond wel,” zei Marieke zelfverzekerd. “We gaan vanavond samen naar haar toe.”

“Is dat zo?”

Marieke knikte heftig.

“Ze heeft me zojuist helemaal in paniek gebeld,” vertelde Marieke. “Ze heeft hulp nodig en ik heb haar beloofd dat wij zullen proberen haar te helpen. En vertel me nu niet, dat je geen zin hebt, met me mee te gaan, want dan doe ik je wat!”

“Nou moe!”

“Ik ben al ik weet niet hoe vaak met jou meegegaan,” vervolgde Marieke, “ook als ik daar helemaal geen zin in had. Nu is het jouw beurt!”

“Ay, ay, kapitein,” salueerde Remco. “Waar woont die tante van je?”

“In Harderwijk,” vertelde Marieke. “Dus je gaat mee?”

“Zo te horen heb ik geen keus,” lachte Remco. “Waarvoor heeft je tante onze hulp eigenlijk nodig? Toch niet om haar weggelopen poes op te zoeken?”

“Nee, natuurlijk niet! Precies weet ik het ook niet, maar het heeft iets te maken met de buurt waar ze woont.”

“Hoe laat heb je met haar afgesproken?”

“Om een uur of acht,” zei Marieke. “Fijn dat je meegaat! Mijn tante is een schat en jij ook!”

“Welja!” mompelde Remco, terwijl hij naar de garderobe liep waar zijn jas hing. “Marieke die mij een schat noemt! Dat ik dit nog mag meemaken!”

 

Precies om acht uur stuurde Remco zijn oude Eend de straat in waar Marieke’s tante Agaath woonde. Het was een al wat oudere wijk, niet zo heel ver van de oude binnenstad van Harderwijk vandaan. Hier en daar scheen er licht uit de ramen, maar de meeste huizen waren donker. Bijna overal waren de gordijnen gesloten.

Toen Marieke bij haar tante aanbelde, duurde het even voor er een reactie kwam.

“Wie is daar?” klonk het eerst door de brievenbus.

“Ik ben het, Marieke!” antwoordde Marieke, zo luid dat Remco verschrikt om zich heen keek. “Ik heb mijn collega Remco Jongeneel meegenomen!”

“Dat hoeft de hele buurt niet te weten!” protesteerde Remco.

“Tante Agaath is een beetje doof,” legde Marieke uit.

“Ik straks ook!” zei Remco.

Ze hoorden hoe er twee grendels weg werden geschoven, waarna de deur op een kier openging. Een oud vrouwtje keek argwanend om een hoekje. Pas toen ze er zeker van was, dat het inderdaad haar nichtje was, schoof ze de veiligheidsketting weg en opende ze de deur.

“Kom gauw binnen,” zei ze. “Het is koud buiten!”

‘Dan had u ons ook wel wat sneller binnen kunnen laten!’ dacht Remco. ‘U wist toch dat we zouden komen!’

Zijn humeur verbeterde een beetje toen hij zag dat er een thermoskan en drie kopjes op de tafel klaar stonden. Kennelijk had Marieke’s tante de koffie klaar.

“Waarvoor hebt u me eigenlijk gebeld?” vroeg Marieke, toen ze alledrie een kop koffie voor zich hadden.

“Dat zal ik je vertellen, lieve kind,” zei tante Agaath. “Ik voel me hier niet langer veilig in de buurt.”

‘Wat een toestand!’ dacht Remco ‘Laat ze ons helemaal uit Amersfoort komen om ons dat te vertellen! Net of wij daar wat aan kunnen doen!’

Blijkbaar dacht Marieke er net zo over, want ze zei: “Wat vervelend voor u! Ik wou dat wij u konden helpen, maar ik zou niet weten hoe!”

“Wat is er dan aan de hand?” vroeg Remco.

“Dat zal ik je vertellen, jongeman,” zei tante Agaath. “De laatste tijd gebeuren er allerlei vervelende dingen. Neem nu het huis van de familie De Jong, hier pal tegenover. Vorige week zijn ’s nachts, terwijl zij lagen te slapen, beneden de ramen ingegooid.”

“Is er ingebroken?” wilde Remco weten.

“Bij de Jong niet, maar wel bij de familie Van Aalderen op nummer 15. En bij de familie Da Costa zijn, een paar weken geleden, ’s nachts allemaal racistische leuzen op de ramen geschilderd. Ze kregen de rode verf er bijna niet af. Mevrouw Da Costa was er kapot van. Ze heeft als kind het concentratiekamp overleefd en nu dit!”

“De Da Costa’s zijn Joden,” begreep Marieke.

“Ja,” ging tante Agaath verder, “maar dat is nog niet alles. ’s Nachts doe ik geen oog dicht. Op de gekste tijden rijden ze met van die knetterende bromfietsen door de straat.”

“Het lijkt wel of ze proberen jullie hier weg te krijgen,” dacht Remco hardop. “Mag ik u wat vragen?”

“Natuurlijk!”

“Is dit huis van uzelf of is het een huurwoning?”

Tante Agaath glimlachte flauw.

“Waarvan had ik een eigen huis moeten betalen? Ik ben m’n hele leven lang dienstbode geweest.”

“Tante Agaath is nooit getrouwd,” legde Marieke uit.

“Staan er hier in de buurt veel huizen leeg?” was Remco’s volgende vraag.

“Wat denk je! Steeds meer mensen vertrekken, omdat ze bang zijn.”

“En er komen geen andere mensen in de leegstaande huizen,” stelde Remco vast.

“Niemand wil hier meer wonen!” zuchtte tante Agaath. “Vroeger was dit een nette buurt, maar nu verpaupert de hele boel!”

“Misschien moet u ook maar gaan verhuizen,” opperde Marieke.

Tante Agaath schoot overeind.

“Ik verhuizen? Ik pieker er niet over. Mijn ouders woonden hier vanaf hun trouwdag. Ik ben hier geboren en als het kan wil ik hier blijven tot m’n sterfdag.”

“Ik ben bang dat wij u niet kunnen helpen,” zei Remco voorzichtig. “Ik zou in ieder geval niet weten hoe!”

Op dat moment scheurde er buiten een brommer langs. Er klonk gerinkel van glas, gevolgd door een hevige knal.

“Wat was dat?” vroeg Marieke geschrokken.

Remco was al bij de voordeur. Het duurde even, voordat hij die kon openen. Tante Agaath had hem, nadat ze haar bezoek had binnengelaten, weer zorgvuldig op de knip gedaan. Op het moment dat Remco de deur open had, sloegen de vlammen al uit een huis, schuin tegenover dat van tante Agaath.

“Er is een molotovcocktail naar binnen gegooid,” riep hij naar Marieke, die bij haar tante in de kamer was gebleven. “Bel 112! Er moet een brandweer komen, anders brandt de hele boel af!”

Remco rende naar buiten om te zien of hij misschien zelf de brand kon blussen. Het viel hem op, dat er bijna niemand anders naar buiten kwam. Overal werden gordijnen opzij geschoven en zag je nieuwsgierige gezichten.

‘Ze durven niet naar buiten te komen!’ drong het tot hem door. Blijkbaar zat de angst er bij de buurtbewoners goed in.

Al snel had Remco door, dat hij weinig kon doen. Tot zijn opluchting zag hij dat het huis leeg was. Wel hadden de vorige bewoners hadden hun vitrage laten hangen, die bijna meteen vlam vatte. Het was voor Remco daardoor te gevaarlijk om te proberen de brand te blussen. Hij had er trouwens ook geen idee van waar hij water vandaan kon halen om het vuur te lijf te gaan. Hij kon het moeilijk emmertje voor emmertje bij tante Agaath uit de keuken halen.

Tot Remco’s opluchting hoorde hij in de verte het gehuil van een sirene. De politie of de brandweer was kennelijk onderweg.

Remco had er geen idee van, wat voor vloeistof de brandstichter gebruikt had, maar in ieder geval brandde het spul ontzettend goed. Tegen de tijd dat de brandweer arriveerde, waren er ook achter de ramen op de eerste verdieping vlammen te zien.

‘Deze oude huizen hebben waarschijnlijk een houten vloer en plafond,’ realiseerde hij zich. ‘Bij een nieuwbouwwoning duurt het vast veel langer voordat de boel zó brandt!’

De eerste brandweerwagen stoof de straat in en stopte pal voor de deur van het brandende huis. Remco deed een paar stappen terug, zodat hij de spuitgasten niet in de weg liep. Haastig begonnen de brandweerlieden een paar slangen uit te rollen en drie minuten nadat ze er waren, werden de eerste waterstralen op de brandhaard gericht. Ook de politie was op dat moment al present. Een paar agenten waren druk in de weer met roodwit lint, om de straat af te zetten. Eén van hen liep op Remco af.

“Is die oude Eend van u?” vroeg hij nors.

Remco knikte.

“Wilt u hem verplaatsen?!” Het klonk meer als een bevel dan een vraag. “Hij staat in de weg!”

Remco knikte en liep terug naar het huis van tante Agaath om de sleutels uit zijn jaszak te halen. Toen hij aanbelde deed Marieke open. Ze had haar jas aan.

“Ik wil een paar foto’s maken,” legde ze uit. “Misschien kan ik ze aan de één of andere plaatselijke krant verkopen.”

“We kunnen er ook een stuk over schrijven in het Christelijk Dagblad,” bedacht Remco.

“Ik denk niet, dat het nieuws interessant genoeg is voor een landelijke krant,” zei Marieke. “De mensen in Groningen en Zeeland zijn vast niet geïnteresseerd in een brand in Harderwijk.”

“Misschien wel als er een pyromaan actief is,” was Remco het niet met haar eens. “Het is zo klaar als een klontje dat de brand is aangestoken. Ik vraag me alleen af waarom.”

 

Nadat Remco zijn Eend een eindje verderop had geparkeerd, werden Remco en Marieke staande gehouden door een andere agent. Hij wilde weten waarom ze in de buurt van de brand rondliepen.

“Hebben jullie iets gezien?” vroeg de agent, nadat het tweetal hun naam had genoemd en verteld had dat ze bij Marieke’s tante op bezoek waren.

“We hebben niets gezien, alleen wat gehoord,” zei Marieke. “Ik denk, dat de brand gesticht is door iemand op een brommer.”

“Waarom denkt u dat?’

“Omdat we eerst het geknetter van een brommer hoorden en meteen daarna glasgerinkel en een knal.”

“Ik ben zo snel mogelijk naar buiten gegaan,” vulde Remco Marieke aan, “maar eer ik de voordeur open had was de straat leeg en zag ik het huis in lichterlaaie staan.”

“Jullie weten dus niet zeker, of die brommer iets met de brand te maken heeft,” zei de agent bedachtzaam. “Het kan natuurlijk ook, dat hij toevallig langsreed op het moment dat de ontploffing plaatsvond. Er kan bijvoorbeeld een gasleiding gesprongen zijn.”

“In zoveel toeval geloof ik niet,” zei Marieke. “Daarvoor zijn er hier de laatste tijd al te veel vreemde dingen gebeurd.”

“Hoe weet u dat?’ vroeg de agent achterdochtig.

“Van m’n tante. Ze heeft me vandaag speciaal gebeld, om me te vragen of ik een oplossing weet voor de problemen hier in de buurt.”

“En hebt u die? Als dat zo is, willen wij die ook graag horen. We krijgen de laatste tijd ook regelmatig klachten over overlast in deze buurt, en we surveilleren hier al extra. Meer kunnen wij niet doen. Het vervelende is, dat er nooit iets bijzonders gebeurt als wij in de buurt zijn.”

“Wie kan er belang bij hebben de buurtbewoners weg te pesten?” vroeg Remco zich hardop af.

“Geen idee,” zei de agent. “De bouwvereniging is er in ieder geval niet blij mee. De buurt krijgt door al die toestanden een slechte naam, waardoor het steeds moeilijker wordt nieuwe huurders te vinden.”

“Toch is het, afgezien van de vervelende dingen van de laatste tijd, een prima buurt om te wonen. Je zit hier niet ver van het centrum en ook vlakbij de boulevard. Als ik hier zou wonen, ging ik daar ’s avonds vast regelmatig naar toe om een luchtje te scheppen. Dat deed tante Agaath ook altijd, toen ze nog wat jonger was. Nu durft ze dat niet meer.”

De agent knikte en borg zijn opschrijfboekje weg.

“Als u nog wat te binnen schiet, hoor ik dat graag van u,” zei hij. “Een prettige avond verder.”

 

Weer binnen praatten ze nog een tijdje met tante Agaath, die behoorlijk van streek was. Omdat hij toch iets wilde doen, beloofde Remco haar dat hij de volgende dag contact op zou nemen met de bouwvereniging.

“Dat helpt toch niets,” zei tante Agaath somber. “Meneer van Zwieten heeft ons beloofd er alles aan te doen en je ziet het resultaat. Deze keer gooien ze een brandbom bij een leeg huis naar binnen, de volgende keer doen ze het bij mij. Er zal waarschijnlijk niets anders opzitten dan een ander huis te zoeken in een buurt met minder overlast. Ik vind het vreselijk en ben blij, dat mijn vader en moeder dit niet meer hoeven mee te maken. Dit was vroeger zo’n keurige buurt en nu…”

Het huilen stond de oude dame nader dan het lachen.

Een uurtje later vertrokken Remco en Marieke weer. Ze vonden het best vervelend tante Agaath alleen te laten, vooral omdat ze haar eigenlijk niet konden helpen.

“Ik hoop, dat de politie er gauw achter komt, wie hier de boel onveilig maken,” zei Marieke bij het afscheid. “Als er iets is, mag u me altijd bellen. U hebt mijn telefoonnummer.”

Weer buiten zagen ze, dat de rust weer een beetje was teruggekeerd in de straat. De brand was geblust en er stonden alleen nog een busje van de brandweer en een politiewagen voor de geblakerde woning. Dankzij het feit dat ze zo snel ter plaatse waren, hadden de brandweerlieden weten te voorkomen dat het huis tot aan de grond toe was afgebrand. Een paar mannen waren bezig stevige houten schotten voor de ramen te zetten. Niet alleen de ingegooide ruit was gesneuveld, ook de andere ramen waren door de hitte gesprongen.

“Ik vind het maar niets, dat we m’n tante aan haar lot moeten overlaten,” zuchtte Marieke.

Remco antwoordde niet. Opeens sloeg hij een arm om Marieke heen en trok haar dicht tegen zich aan.

“Ben je nu helemaal…” protesteerde Marieke woedend.

“St..,” siste Remco. “Niet meteen kijken, maar daar, achter die struik, staat iemand.”

Marieke speelde het spelletje onmiddellijk mee. Ze legde haar hoofd op Remco’s schouder en fluisterde: “Zou dat de pyromaan zijn?”

Remco antwoordde niet. Langzaam wandelden ze in de richting van de duistere figuur. Die probeerde zich tussen de struiken zo klein mogelijk te maken.

“We doen net of we hem niet zien,” fluisterde Remco nauwelijks hoorbaar. “Ik denk, dat zijn brommer hier vlakbij staat. Als we zijn nummer kunnen noteren, is het voor de politie een koud kunstje te achterhalen wie het is.”

Op hun dooie gemak wandelden ze langs de tuin waar de onbekende zich had verborgen. Om er voor te zorgen dat de ander geen argwaan kreeg, zei Remco: “Ik vind, dat we onze neefjes en nichtjes ook best voor onze bruiloft kunnen uitnodigen. Tenslotte trouwen we maar één keer.”

“Sinds wanneer heb jij geld teveel?” speelde Marieke het spelletje mee. “Ik ben al vijftien keer tante!”

“Hoe meer zielen, hoe meer vreugd!” lachte Remco. “We maken er gewoon een daverend feest van.”

“En de maanden na de bruiloft eten we droog brood, omdat we de rekeningen niet kunnen betalen!”

“Als er veel mensen komen, krijgen we ook veel enveloppen met inhoud,” zei Remco luchtig. Vanuit zijn ooghoeken zag hij hoe de donkere gestalte zich zo klein mogelijk maakte tussen een rijtje coniferen. Het was zo klaar als een klontje dat hij niet ontdekt wilde worden. Ze waren intussen bij Remco’s auto aangekomen, maar het tweetal liep gewoon door. Bij de eerste de beste zijstraat sloegen ze af. Marieke wilde Remco’s arm van zich af schudden, maar Remco hield haar stevig vast.

“Waarschijnlijk komt de kerel zo meteen achter ons aan, om te kijken waar we naar toe gaan,” zei hij. “Hij moet geen argwaan krijgen.”

“Misschien is het wel een meisje of een vrouw,” zei Marieke. “Ik geloof nooit, dat hij of zij ons achterna komt, maar ik zal je voor deze keer je zin geven. Waarom sloeg je eigenlijk af?”

“Ik weet zeker, dat de brandstichter zijn brommer hier in de buurt heeft neergezet,” zei Remco. “Het is voor hem te link om zich op dat ding in de buurt van het brandende huis te vertonen.”

“Als ik hem was, was ik er nadat ik het huis in de fik had gestoken, als een haas vandoor gegaan,” zei Marieke.

“Ik niet,” was Remco het niet met haar eens. “Wat heb je er aan, brand te stichten, zonder dat je daarna naar het resultaat kunt kijken? De politie maakt niet voor niets altijd foto’s van de omstanders bij een brand. Het gebeurt regelmatig dat ze daardoor een pyromaan op het spoor komen.”

“Ik vraag me af, of we wel met een echte pyromaan te doen hebben,” zei Marieke. “Het lijkt er meer op, dat iemand probeert zoveel mogelijk huizen in deze buurt leeg te krijgen. De vraag is alleen, wie daar belang bij kan hebben.”

Remco gaf geen antwoord. Ze liepen net langs een gangetje tussen twee huizen en vlak bij de muur van het linkerhuis zag hij iets blinken.

“Wacht even,” fluisterde hij. Remco keek achterom om te zien of ze gevolgd werden. Hij zag niemand.

“Daar staat iets,” wees hij. “Ik ga even kijken.”

Samen liepen ze de brandgang in. Tegen de muur stond een scooter. In het donker konden Remco en Marieke niet goed zien of hij oud of nieuw was. Voorzichtig voelde Remco aan het motorblok. Het was nog een beetje warm.

“Dit is vast de scooter van de brandstichter,” zei hij opgewonden.

“Dat zou heel goed kunnen,” gaf Marieke toe. “Wat doen we nu?”

“Het nummer noteren en dan maken dat we wegkomen,” antwoordde Remco.

“Je wilt dus niet proberen die jongen te pakken te krijgen?”

“Ik pieker er niet over. Ik voel er niets voor een mes tussen m’n ribben te krijgen.”

“Of een kogel tussen je ogen!” huiverde Marieke.

Remco was intussen naar de achterkant van de scooter gelopen.

“Er zit een lap over de nummerplaat!” zei hij opgewonden. “De eigenaar heeft in ieder geval wat te verbergen.”

Snel haalde Remco de lap weg. Met behulp van het lampje in zijn mobieltje, lukte het hem de letters en cijfers op de nummerplaat te ontcijferen. Haastig zette hij ze op een kladpapiertje.

Remco kwam net overeind toen hij een gerucht hoorde. De ingang van de brandgang werd versperd door een in het zwart geklede figuur. Op zijn hoofd had hij een helm met een donker vizier.

“Wat doen jullie daar bij mijn scooter,” zei hij met verdraaide stem.

Hoewel ze vreselijk schrok, had Marieke haar antwoord al klaar.

“We waren op weg naar de achterdeur van ons huis, toen we tegen dat stomme ding aanliepen. Normaal staat hier nooit iets en kunnen we zonder last te hebben van obstakels ons huis bereiken. Wat doe jij hier eigenlijk in de buurt en waarom staat die scooter hier?”

“Dat gaat je niets aan. Blijf van m’n scooter af, of ik doe je wat!”

Geschrokken deinsden Remco en Marieke terug, toen de eigenaar van de scooter op hen af kwam.

“Kom lieverd,” zei Remco. “Laten we maar naar binnen gaan.”

Op goed geluk probeerde hij een schuttingdeur aan zijn linkerhand. Krakend zwaaide die naar binnen open en op datzelfde moment ging er in de tuin er achter een lamp branden.

De man in het zwart slaakte een verwensing. In een paar grote stappen was hij bij zijn scooter. Tot opluchting van Remco en Marieke sprong hij erop. Hij zag het dus kennelijk niet zitten hen te lijf te gaan. De motor van de scooter sloeg aan en zonder zijn licht aan te doen stoof de man weg.  Het geknetter van de motor klonk Remco en Marieke als muziek in de oren.

‘Wij kunnen beter ook maar gaan,” zei Remco, die hoorde dat de achterdeur van het huis achter de schutting open ging. “Straks denken ze nog dat wij iets met de brand te maken hebben.”

Marieke was het helemaal met hem eens. Samen zetten ze het op een lopen totdat ze bij de oude Eend waren.

“Zullen we gelijk naar het politiebureau gaan?” stelde Remco voor.

Marieke keek op haar horloge.

“Misschien kunnen we beter naar huis gaan en tot morgen wachten.”

“Dat denk ik niet,” bedacht Remco. “Als die kerel door krijgt, dat de lap van zijn nummerplaat is verdwenen, voelt hij vast nattigheid.”

“En wat dan nog?”

“Dan laat hij zijn scooter verdwijnen en gaat hij naar de politie om aangifte te doen van diefstal. Dat zou ik tenminste doen als ik in zijn schoenen stond.”

“Zou hij werkelijk zo brutaal zijn?” vroeg Marieke zich hardop af.

“Bij zulke figuren weet je het nooit.”

“Vooruit dan maar,” zei Marieke. “Op naar het politiebureau!”

 

Het duurde even voordat Remco en Marieke het politiebureau hadden gevonden. De wachtcommandant keek raar op van het tijdschrift waarin hij zat te lezen, toen het tweetal binnenkwam.

“Waarmee kan ik jullie helpen?” vroeg hij.

“Het gaat over die brand van vanavond,” zei Marieke.

“Misschien kunnen we u helpen de dader op te sporen,” voegde Remco er aan toe. Hij viste het papiertje uit de zak waarop hij het nummer van de kentekenplaat van de scooter had geschreven.

De politieman was meteen klaarwakker.

“Wat weet u precies?” vroeg hij.

Remco en Marieke begonnen te vertellen. Toen Remco over de vondst van de scooter begon, floot de agent tussen zijn tanden.

“Wacht even,” zei hij, nadat Remco het nummer genoemd had. Hij startte een bepaald programma in zijn computer op en tikte de cijfers en letters in.

“Jochem van Zwieten,” mompelde hij zachtjes, maar Remco hoorde het toch.

“Van Zwieten?” riep hij verrast. “Die naam heb ik vanavond eerder gehoord.”

“Zo heet de contactpersoon van tante Agaath bij de bouwvereniging!” voegde Marieke er aan toe.

De wachtcommandant, die wel door had dat hij door de naam van de eigenaar van de scooter te noemen, zijn boekje te buiten was gegaan, ging er verder niet op in.

“We gaan de zaak tot op de bodem uitzoeken,” beloofde hij.

“Mogen wij morgen contact met u opnemen over het verdere verloop van het onderzoek?” vroeg Remco.

“Vooruit dan maar!” zei de politieman.

 

De volgende morgen om een uur of elf belde Remco naar het politiebureau in Harderwijk. Hun vermoeden bleek te kloppen. Jochem van Zwieten had in opdracht van zijn vader een molotovcocktail in het leegstaande huis naar binnen gegooid. Ze hadden zowel de vader als de zoon opgepakt en beiden hadden vrijwel meteen bekend. Een grote projectontwikkelaar had meneer Van Zwieten veel geld geboden, als hij ervoor zou zorgen dat de bouwvereniging de huizen in de buurt van tante Agaath wilde verkopen. Ze wilden er een paar luxe appartementcomplexen bouwen, waar ze heel veel geld mee konden verdienen. De bouwvereniging voelde niet veel voor het plan en had geen zin een wijk met tevreden huurders van de hand te doen. Daarom had Van Zwieten zijn zoon gevraagd, of hij in ruil voor een mooie scooter, de buurt onveilig wilde maken. Het plan leek te lukken en steeds meer mensen wilden verhuizen.

Tante Agaath had niet veel later alarm moeten slaan, want het had niet veel gescheeld of de bouwvereniging was met de projectontwikkelaar in zee gegaan. Dan had Marieke’s tante haar huis moeten verlaten en was de hele buurt met de grond gelijk gemaakt. Nu de waarheid boven tafel was gekomen, gingen deze plannen gelukkig niet door.

 

Nadat ze het goede nieuws had gehoord, belde Marieke meteen haar tante. Die begon te huilen toen ze hoorde, dat de problemen voorbij waren.

“God heeft mijn gebeden verhoord!” zei ze ernstig. “Ik zag er vreselijk tegenop te moeten verhuizen en nu hoeft dat niet. Hartelijk bedankt!”

“U kunt beter de Heere bedanken,” zei Marieke. “Hij heeft er voor gezorgd, dat wij die jongen en z’n scooter ontdekten.”

“Natuurlijk ga ik Hem bedanken!” had tante Agaath het laatste woord. “Dat heb ik m’n hele leven gedaan en dat zal ik altijd blijven doen!”