Verhalenarchief 2010-2011 - Januari 2011

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mail

Inhoudsopgave
Verhalenarchief 2010-2011
September 2010
Oktober 2010
November 2010
December 2010
Januari 2011
Februari 2011
Maart 2011
April 2011
Mei 2011
Juni 2011
Juli 2011
Augustus 2011
September 2011
Oktober 2011
November 2011
December 2011
Alle pagina's

DE GENIALE UITVINDER

 

Het was een regenachtige morgen en Remco zat wat verveeld achter zijn computer voor zich uit te staren. Het wilde die morgen niet lukken. Hij moest een artikel schrijven over een oud schip. Het zou in Turkije gesloopt worden, maar toen ze daar hoorden dat er veel meer schadelijke asbest in zat dan de eigenaren hadden gezegd, hadden de Turken het weer teruggestuurd. Nu lag het in de Rotterdamse haven, waar ze het asbest eruit zouden halen, maar dat kon niet omdat de omwonenden probeerden daar een stokje voor te steken.

Remco gaapte achter zijn hand. Het onderwerp boeide hem totaal niet!

Op dat moment rinkelde de telefoon op zijn bureau.

“Met Remco Jongeneel van het Christelijk Dagblad,” zei hij.

“Je spreekt met Richard Profijt.”

De stem en de naam van de man kwamen Remco vaag bekend voor. Waar kende hij die ook weer van?

“Of ben je soms vergeten wie ik ben?” vroeg de man.

Opeens wist Remco het weer. Richard had op de Havo bij hem in de klas gezeten.

“Proffie!” riep hij enthousiast. “Dat is lang geleden, zeg!”

“Nee, hè?” kreunde de man aan de andere kant van de lijn. “Die naam heb ik niet meer gehoord sinds ik van school af ben. Noem me alsjeblieft gewoon Richard.”

“Jij je zin,” zei Remco. “Waar hang jij tegenwoordig uit en wat doe je voor de kost?”

“Dat zijn twee vragen,” zei Richard. “Ik woon in Harderwijk en wat ik tegenwoordig doe wil ik je niet door de telefoon vertellen.”

“Je maakt me wel nieuwsgierig, zeg!” zei Remco. “Hoe weet je eigenlijk dat ik bij het Christelijk Dagblad werk?”

“Dat lijkt me nogal simpel. Ik heb een abonnement op die krant en ik zie jouw naam regelmatig onder of boven een artikel staan. Volgens mij ben jij nog al gek op primeurtjes.”

“Iedere journalist wil graag als eerste een nieuwtje brengen,” verdedigde Remco zich. “Daar is niets mis mee.”

“Dat zeg ik ook niet. “

“Waarvoor bel je me eigenlijk, Richard?”

“Heb je het momenteel erg druk?”

“Niet echt, nee. Ik werk aan een saai artikel, dus elke afleiding is welkom.”

“Heb je vanmiddag tijd om naar Harderwijk te komen?” vroeg Richard. “Dan heb ik een primeur voor je.”

“Je houdt me toch niet voor de gek?” wilde Remco weten.

“Nee, natuurlijk niet.”

“Waar gaat het dan over?” viste Remco.

“Dat zie je wel als je komt,” zei Richard.

“Mag ik je nummer, dan bel ik je zo terug,” zei Remco. “Ik moet het eerst regelen met mijn hoofdredacteur Erik Drent. Heeft het trouwens zin dat ik een fotografe meebreng?”

“Toe maar!” lachte Richard. “Meneer kan beschikken over een eigen fotografe! Nou, wat mij betreft is het prima als ze meekomt. Er valt inderdaad wel iets te fotograferen.”

 

’s Middags om twee uur vertrokken Remco en Marieke in Remco’s oude Eend vanuit Amersfoort naar Harderwijk.

“Wat is die Richard eigenlijk voor iemand?” wilde Marieke weten toen ze eenmaal op de A28 reden.

“Ik heb hem al een hele tijd niet gezien,” vertelde Remco. “Hoe hij nu is, weet ik dus niet, maar toen hij bij me in de klas zat was het nogal een dromer. Het was maar goed dat hij heel gemakkelijk leerde, anders had hij vast zijn diploma nooit gehaald. Onder de les zat hij vaak ik weet niet waar met zijn gedachten. Omdat hij toch altijd goede cijfers haalde en omdat zijn achternaam Profijt is werd hij altijd Proffie genoemd.”

“Daar was hij vast niet blij mee,” dacht Marieke. “Een bijnaam hebben is voor niemand leuk.”

“Volgens mij maakte Richard zich er niet zo druk om,” zei Remco.

“Ik hoop dat we niet voor niets naar Harderwijk rijden,” zei Marieke.

“Het maakt mij niet uit,” grinnikte Remco. “Ik ben liever met jou op pad dan dat ik op kantoor achter de computer zit.”

 

Het kostte Remco wel wat moeite het adres te vinden dat Richard had opgeven. Het bleek een kleine loods te zijn op een industrieterrein niet ver van het station vandaan. Richard stond hen al op te wachten. Remco zag, dat hij nog nauwelijks was veranderd.

“Sorry,” zei hij, “het lijkt me beter dat ik jullie geen hand geeft. Ik moest nog even wat afstellen, voordat jullie kwamen.”

“Wat afstellen?” vroeg Remco. “Je maakt me nu wel erg nieuwsgierig. Dit is trouwens mijn collega, Marieke.”

“Leuk je te leren kennen,” zei Richard, terwijl hij zijn handen probeerde schoon te vegen aan de overall die hij droeg. “Ik ben Richard Profijt”

“Marieke Wielinga,” stelde Marieke zich voor. “Zeg, zullen we naar binnen gaan, want m’n fototoestel wordt nat.”

“Goed,” knikte Richard. “We moeten daar trouwens toch zijn voor mijn uitvinding.”

“Uitvinding?” vroeg Remco verbaasd. “Heb jij iets uitgevonden?”

“Is dat zo gek?” lachte Richard. “Iedere dag worden er overal in de wereld uitvindingen gedaan.”

“Wat heb je uitgevonden,” wilde Marieke weten.

“Kom maar mee, dan zal ik het je laten zien,” zei Richard. Voor de twee anderen uit liep hij de loods in.

Remco verwachtte iets heel bijzonders te zien, maar dat viel tegen. De loods zag er netjes uit. Aan één van de muren was een groot bord bevestigd, waaraan allerlei gereedschap hing en op een werkbank tegen de andere muur stond een rek met reageerbuisjes, een brander en een aantal witte potten zonder etiket erop. De potten waren allemaal afgesloten. Onder de werkbank stonden een stuk of tien jerrycans. Middenin de loods stond een werkbank, met daarop een uit een auto gesloopte motor, die stevig was vastgezet. Tegen de achterwand stond een eenvoudig stalen bureau, met daarop een computer. Dat was alles.

“Waar is die uitvinding van je?” vroeg Remco. “Eerlijk gezegd zie ik hier niets bijzonders.”

“Let maar eens op,” zei Richard. Hij probeerde de motor te starten, maar er gebeurde niets.

“Er zit geen benzine in,” legde hij uit. “Dat wilde ik even controleren.”

Hij pakte een jerrycan onder de werkbank vandaan en goot daaruit een halve liter benzine in een maatbeker, die hij daarna in de benzinetank aan de zijkant van de automotor leegde. Opnieuw probeerde hij de motor te starten en die sloeg ditmaal onmiddellijk aan.

“Let nu op!” zei Richard. Hij wees naar een toerenteller, die hij op de tafel had vastgeschroefd en naar een stopwatch, die zodra de motor aansloeg was gaan lopen.

“Zo,” zei hij. “Wil jij het toerental noteren, Remco?”

“Waar slaat dit op?” Remco begon zich op te winden. “Ik ben toch zeker niet naar Harderwijk gekomen om te kijken hoe jouw oude automotor loopt?”

“Rustig maar,” probeerde Marieke hem te sussen. “Richard weet vast wel wat hij doet.”

Na een paar minuten begon de motor te sputteren en vervolgens sloeg hij af.

“Schrijf jij op hoelang de motor heeft gedraaid?” vroeg Richard aan Remco, terwijl hij op de stopwatch wees. Remco haalde zijn schouders op, maar deed toch wat hem gevraagd werd.

“Nu komt het!” waarschuwde Richard.

Opnieuw goot hij wat benzine in de maatbeker, ditmaal geen halve liter maar ongeveer vijf centiliter minder. Daarna pakte hij één van de witte emmers en maakte die open. Er bleek een grijswit poeder in te zitten. Met een maatschepje haalde Richard er vijf gram uit en deed dat in de maatbeker met benzine. In een oogwenk was het poeder verdwenen, opgelost in de benzine.

Zonder ook maar een moment te aarzelen, goot Richard het mengsel in de benzinetank van de motor, die hij daarna weer startte. De toerenteller begon zijn werk te doen en ook de stopwatch liep weer. Remco zag, dat het toerental gelijk was aan dat bij de eerste proef.

“Willen jullie wat drinken?” vroeg Richard. “Daar hebben we nu wel even tijd voor.”

Remco keek op de stopwatch.

“Kunnen we niet beter wachten tot die motor weer afslaat?” vroeg hij. “Volgens mij duurt dat nog maar een paar minuten.”

“Wacht maar af,” zei Richard. “Willen jullie koffie of thee?”

“Wat jij wilt,” zei Marieke. “Ik vind het allebei lekker.”

“Dan wordt het thee,” besliste Richard.

 

Een minuut of vijf later hadden ze alle drie een kop thee voor zich en tot Remco’s en Marieke’s verbazing liep de motor nog steeds. Pas toen ze hun thee bijna ophadden, sloeg de motor af. Remco keek op de stopwatch. De motor had meer dan drie keer zolang gelopen als de eerste keer.

“Hoe is dit mogelijk?” vroeg Remco verbaasd. “Wat voor spul heb je eigenlijk door de benzine gemengd?”

“Dat is mijn geheim,” lachte Richard. “Eerlijk gezegd heb ik er nog geen naam voor verzonnen.”

“Klopt het dat je maar een derde van de benzine nodig hebt om dezelfde afstand te kunnen rijden?” wilde Marieke weten.

“In ieder geval minder dan de helft,” zei Richard trots. “En het spul zorgt er ook voor, dat de auto veel minder uitlaatgassen produceert!”

“Die vinding is goud waard,” zei Remco bewonderend. “Tenzij het heel duur is om dat poeder te maken.”

“Zie ik er uit als iemand die veel geld heeft?” lachte Richard. “Ik schat, dat de benzine ongeveer tien cent per liter duurder moet worden, als mijn uitvinding er doorheen zit. Maar als je rekent dat je dan meer dan twee keer zover kunt rijden met een volle tank betekent dit dat het rijden de helft goedkoper wordt.”

“Fantastisch,” zei Remco. Ondanks het feit dat Richard vieze handen had, schudde hij hem hartelijk de hand. “Gefeliciteerd, man!”

“Ik heb morgenochtend een afspraak met iemand van de grootste oliemaatschappij van ons land,” vertelde Richard. “Ze wilden me eerst nauwelijks geloven, maar ze komen toch.”

“Misschien bieden ze je wel heel veel geld voor je uitvinding,” bedacht Remco.

“Dat denk ik ook,” zei Richard,  “maar daar ga ik niet op in. Ik wil dat alle oliemaatschappijen van de wereld mijn uitvinding kunnen gebruiken, zodat iedereen er beter van wordt.”

“Wie had dat kunnen denken!” Vol ongeloof schudde Remco zijn hoofd. “Ik ben er stil van.”

“Dat wil heel wat zeggen,” zei Marieke.

“Mag ik er een stuk over in de krant schrijven?” vroeg Remco.

“Natuurlijk, daarvoor heb ik je gebeld!”

 

Remco stelde nog een paar vragen, terwijl Marieke foto’s maakte van de motor en het geheimzinnige poeder. Daarna namen ze afscheid.

“Ik zorg ervoor dat het verhaal overmorgen in de krant komt,” beloofde Remco. “Morgenmiddag bel ik je nog even op om te vragen hoe het gesprek met die man van de oliemaatschappij is afgelopen.”

“Prima,” zei Richard. “Dan spreken we elkaar dan weer.”

 

Twee dagen later stond het artikel op de voorpagina van het Christelijk Dagblad. Richard had aan Remco verteld dat de man van de oliemaatschappij heel enthousiast was en het gelijk aan zijn hoogste bazen zou vertellen. Daarna zou hij weer contact met hem opnemen.

 

De dag nadat het artikel in de krant had gestaan, rinkelde meteen om half negen de telefoon op Remco’s bureau. Het was Richard.

“Remco?’ vroeg hij. “Zien jullie kans onmiddellijk naar Harderwijk te komen.?”

“Waarom?” vroeg Remco verbaasd.

“Vannacht is de loods die ik had gehuurd helemaal afgebrand.” Er klonk een snik door in Richards stem.

“Dat meen je niet!” schrok Remco. “We komen meteen!”

 

Een half uur later parkeerde Remco zijn Eend in de buurt van de plek waar de loods had gestaan. Het was er een drukte van belang. De politie had met rood-wit lint de omgeving afgezet, om te voorkomen dat nieuwsgierige ramptoeristen in de weg zouden lopen.

Richard stond hen al op te wachten.

“Hoe kan dit?” vroeg Remco hem, terwijl Marieke haar fototoestel voor de dag haalde.

Richard haalde zijn schouders op.

“Weet jij het?”

“Ik vind het wel heel toevallig, dat een dag nadat er een artikel in de krant heeft gestaan over je uitvinding, de boel afbrandt,” zei Remco.

“De politie denkt ook dat de loods in brand is gestoken,” knikte Richard. “Al zal het moeilijk worden dat te bewijzen. De boel is tot aan de grond toe afgebrand.”

“Dat verbaast me niets,” zei Marieke. “Met al die benzine en dat geheimzinnige poeder van jou brandde de loods waarschijnlijk als een fakkel. Hebben ze niets kunnen redden?”

Richard schudde zijn hoofd. Er stonden tranen in zijn ogen.

Marieke maakte vlug een paar foto’s, terwijl Richard zichzelf weer onder controle probeerde te krijgen.

“Kunnen we hier ergens in de buurt rustig zitten om er over te praten?” vroeg Remco aan Richard.

“Dat heeft niet zoveel zin,” zei Richard. “Daarmee krijg ik m’n loods, m’n motor, het poeder en m’n computer niet terug.”

“Ik wil je een paar vragen stellen,” legde Remco uit, “maar dat kunnen we beter niet doen waar andere mensen bij zijn. Je weet nooit wie er meeluisteren.”

“Vooruit dan maar,” zuchtte Richard. “We kunnen wel naar mijn huis gaan. Ik woon hier niet zover vandaan. Ik zal even aan de agenten vertellen, waar ze me kunnen vinden als ze me nodig hebben.”

Terwijl Richard naar de agenten slenterde, werd Remco op zijn schouders getikt.

“Hallo, grote broer!” zei een vrolijke stem.

Toen Remco opkeek zag hij tot zijn verbazing zijn jongere broertje Christiaan staan.

“Wat doe jij hier?” vroeg hij verbaasd.

“Christine en ik hoorden voor het nieuws, dat de loods van die uitvinder was afgebrand,” vertelde Christiaan. “En omdat we vandaag toch vrij waren en niets bijzonders te doen hadden, zijn we op onze fiets gesprongen en hierheen gereden.”

“Zoveel valt hier anders niet te zien,” mengde Marieke zich in het gesprek.

“O, maar we gingen er helemaal vanuit, dat jullie hier ook zouden zijn,” zei Christiaan. “We willen allebei graag weten, wat er nu eigenlijk precies aan de hand is.”

“Dat lees je morgen wel in de krant,” plaagde Remco. “Waar is Chistine nu?”

“Die wacht bij de fietsen tot ik jullie gevonden heb.”

“We stonden net op het punt met Richard mee te gaan naar zijn huis,” zei Remco. “Ik ben bang, dat we geen tijd hebben om een praatje met jullie te maken.”

“Mogen wij mee?” vroeg Christiaan. “Misschien kunnen we jullie helpen de brandstichter op te sporen.”

“Wie zegt dat we dat van plan zijn?”

“Ik ken je langer dan vandaag!” grijnsde Christiaan. “Ik weet zeker, dat je gaat proberen uit te vinden wie de dader is.”

“Dat was ik anders niet van plan,” zei Remco hoofdschuddend. “Laat de politie dat maar doen.”

“O,” zei Christiaan, “ik heb anders wel een plan waardoor je de daders te pakken kunt krijgen.”

“Dat meen je niet!” zei Marieke.

“Eigenlijk is het niet mijn plan, maar dat van Christine,” bekende Christiaan.

Op dat moment voegde Richard zich bij hen.

“Dit is mijn jongere broer Christiaan,” zei Remco. “Hij en zijn tweelingzus Christine schijnen een plan te hebben waardoor we er achter kunnen komen wie de brand gesticht heeft.”

Richard haalde zijn schouders op.

“Dat heeft niet zoveel zin,” zei hij. “Mijn motor en m’n andere spullen krijg ik daar niet mee terug.”

“Zullen we naar jouw huis gaan,” stelde Marieke voor. “Het is hier veel te druk om te praten.”

“Vooruit dan maar,” zuchtte Richard. “Dat kan er ook nog wel bij. Ik hoorde net, dat er geen resten van mijn computer zijn teruggevonden in de afgebrande loods.”

“Hoe kan dat?” vroeg Marieke verbaasd.

“Zullen we het daar thuis over hebben,” zuchtte Richard. “Ik wil hier zo snel mogelijk vandaan.”

“Dat kan ik me voorstellen,” knikte Remco.

 

Een kwartiertje later zaten ze met z’n vijven in de woonkamer van Richard. Hij woonde in een klein huisje, aan de rand van de oude binnenstad van Harderwijk.

“Ik had gehoopt, dat de harde schijf van de computer nog gered kon worden,” zei Richard. “Alle gegevens over mijn uitvinding staan erop.”

“Maar heb je dan geen back-up gemaakt?” vroeg Christiaan.

Richard schudde zijn hoofd.

“Dat lukte niet. Het was een oude computer en het diskettestation was kapot. Ik was van pan het te vervangen, maar omdat ik het zo druk had met mijn uitvinding ben ik er niet aan toe gekomen.”

“Ik denk, dat iemand jouw computer heeft gestolen en daarna de boel in brand heeft gestoken om zijn sporen uit te wissen,” zei Christine.

“Dat moet haast wel,” was Christiaan het roerend met zijn tweelingzus eens.

“Maar wie heeft er belang bij zo’n oude computer? Dat ding was allang aan vervanging toe, maar ik had geen geld om een betere te kopen.”

“Word wakker, man!” zei Remco. “Het gaat die dief niet om de computer, maar om je formule!”

“Misschien is iemand het er niet mee eens, dat jouw uitvinding op de markt komt,” bedacht Marieke.

“Maar iedereen heeft toch belang bij mijn uitvinding!” protesteerde Richard. “Remco heeft in het artikel van gisteren duidelijk gezegd, dat ik wil dat alle oliemaatschappijen er gebruik van mogen maken. De mensen klagen altijd, dat de benzine zo duur is en zo slecht voor het milieu. Nu komt er een uitvinding waardoor alles beter wordt en dan wordt hij gestolen. Is het niet om uit je vel te springen?”

“Is het, met behulp van de formule, makkelijk je uitvinding na te maken?” wilde Christiaan weten.

“Dat denk ik niet. Ze moeten trouwens eerst het wachtwoord nog zien te kraken, waarmee ik het document heb beveiligd.”

“Dat is voor iemand die een beetje verstand heeft van computers een koud kunstje,” zei Remco somber.

“Als je niet weet waar het over gaat, is het lastig om wijs te worden uit mijn aantekeningen,” wist Richard. “Je moet verstand hebben van scheikunde en de dingen ook nog eens op de juiste manier combineren.”

“Het duurt dus waarschijnlijk nog wel even voordat de dief jouw uitvinding na kan maken,” stelde Marieke vast.

“Als hij hem na wil maken,” zei Remco. “Het kan natuurlijk ook, dat hij kostte wat het kost, wil voorkomen dat die uitvinding op de markt komt. Al zou ik eerlijk gezegd niet weten wie daar belang bij kan hebben.”

“Christiaan, je zei, dat Christine een plan had om de dader te pakken te krijgen,” herinnerde Marieke zich opeens. “Hoe zit dat precies?”

“Remco moet morgen in de krant zetten, dat Richard thuis gelukkig nog een kopie heeft van de formule en dat hij die zo snel mogelijk gaat uitwerken om er octrooi op aan te vragen,” zei Christine.

“Maar ik heb helemaal geen kopie van de formule en zonder mijn aantekeningen lukt het me nooit alles opnieuw op papier te zetten. Natuurlijk weet ik nog wel ongeveer wat ik gedaan heb, maar het duurt minstens een paar weken voordat ik alles weer precies op een rijtje heb,” protesteerde Richard.

“Dat maakt niet uit!” zei Christiaan. “Je moet gewoon aan niemand anders vertellen, dat je helemaal geen aantekeningen hebt. Ik weet zeker dat de dief dan hierheen komt, om er voor te zorgen dat hij de kopie te pakken krijgt.”

“Of hij komt hier naar toe om ervoor te zorgen dat ik nooit meer een kopie kan maken!” huiverde Richard. “Als jullie verhaal klopt en het is de dief om de formule te doen loopt mijn leven gevaar.”

“Dat zou heel goed kunnen,” zei Remco ernstig.

“Het lijkt me dan beter, dat Remco in de krant zet, dat ik geen kopie heb,” bedacht Richard, “en dat ik ook niet meer precies weet hoe de formule precies is. Dan heeft die dief geen reden hierheen te komen.”

“Maar hij moet hier juist naar toe komen,” zeiden Christine en Christiaan precies tegelijk. “Anders kan hij ook niet in de val lopen.”

“Welke val?”

“Die wij, samen met de politie gaan opzetten,” zei Christiaan triomfantelijk.

De avond van de volgende dag was het rustig in de straat waar Richard woonde. Ook bij zijn huis was het stil. Richard had niet de moeite genomen de gordijnen te sluiten en zat in de achterkamer aan de tafel. Hij had een stapeltje papieren voor zich met allerlei ingewikkelde berekeningen en formules erop en deed net of hij ijverig zat te werken. De rest van het huis was donker.

Boven in zijn slaapkamer zaten Marieke en Remco op Richards bed. Remco wist de neiging om naar buiten te kijken, om te zien of er al iemand aankwam, maar met moeite te bedwingen.

“Ik hoop dat Christine’s plan werkt!” zei hij zacht.

“Het is helemaal niet zeker, dat de brandstichter vanavond of vannacht komt,” reageerde Marieke.

“Hoe langer hij wacht, hoe groter de kans dat Richard de uitvinding in veiligheid heeft gebracht.,” bracht Remco er tegenin.

“Het is helemaal niet zeker, dat de dader jouw artikel in het Christelijk Dagblad van vandaag heeft gelezen,” zei Marieke.

“Het nieuws is ook voor de radio geweest. Als het goed is weet de brandstichter intussen, dat Richard de formule van zijn uitvinding niet alleen op de computer op zijn werk, maar ook thuis bewaarde.”

“Ik hoop dat hij vannacht wel komt,” zei Marieke. “We kunnen moeilijk de komende dagen en nachten hier blijven.”

Op dat moment trilde Remco’s mobieltje in zijn broekzak. Het was Christiaan, die samen met Christine in de buurt wandelde. Ze deden net alsof ze een verliefd stelletje waren, maar hielden intussen de boel goed in de gaten.

“Er komt een grote Mercedes aan,” fluisterde Christiaan. “Er zitten twee mannen in en hij rijdt heel langzaam. Het lijkt alsof ze ergens naar op zoek zijn.”

“Misschien zijn het de brandstichters!” zei Remco opgewonden.

“Ik houd ze in de gaten,” zei Chritiaan. “Blijf hangen!”

Het bleef even stil, toen zei Christiaan: “Loos alarm. Ze rijden door.”

“Jammer,” zei Remco. “Volgende keer beter.”

De deur van de slaapkamer ging open en een politieman kwam binnen. Hij zat samen met een collega in een andere kamer op wacht. Beneden, in de keuken, zaten nog twee agenten.

“Nog nieuws?” vroeg de agent.

“Nog niet,” zei Remco. “Mijn broertje dacht, dat er een verdachte auto aankwam, maar die is doorgereden.”

“Hoe zag hij dat de auto verdacht was?” lachte de agent. “Die truc wil ik ook leren. Dat zou ons werk een stuk gemakkelijker maken.”

“Het was een Mercedes met twee mannen erin,” legde Remco uit. “Dat verwacht je niet zo gauw in deze buurt. Bovendien reed hij heel langzaam.”

“Het zou verdacht kunnen zijn,” gaf de agent toe. “Hoewel het met al dat eenrichtingsverkeer in deze buurt, soms lastig is de juiste weg te vinden.”

Opnieuw trilde Remco’s telefoon.

“De Mercedes is teruggekomen en stopt vlakbij het huis van Richard,” vertelde Christiaan.

“Zorg dat ze jullie niet in de gaten krijgen, want dan ruiken ze onraad en kunnen we het verder wel vergeten,” waarschuwde Remco.

“Christine en ik zijn het verliefste stelletje van de wereld,” lachte Christiaan. “Let op, ze lopen nu naar de voordeur.”

Op hetzelfde moment klonk de voordeurbel.

“Het gaat beginnen!” zei de agent. Zachtjes sloop hij naar de overloop, zodat hij kon horen wat er beneden in de gang werd gezegd.

Ze hoorden hoe Richard de voordeur opendeed en zei: “Goedenavond, wat kan ik voor u doen?”

“Mogen wij even binnen komen,” vroeg één van de twee mannen beleefd.

“Waarvoor?” deed Richard onnozel.

“Wij komen voor uw uitvinding. Wij hebben er belangstelling voor.”

“U komt wel op een ongebruikelijk tijdstip,” zei Richard, “maar kom toch maar even verder.”

Zodra de mannen in de gang stonden was het gedaan met hun vriendelijkheid.

“U geeft ons nu meteen keurig de formule en belooft ons die verder te vergeten,” snauwde één van hen.

“Ik zou niet weten waarom,” zei Richard. “Ik weet dat er heel veel mensen heel blij zijn als mijn product op de markt komt. Iedereen wordt er immers beter van.”

“Niet iedereen!” zei de man. “Wij bijvoorbeeld hebben er geen enkel belang bij, dat uw uitvinding op de markt komt. U kunt kiezen: of u geeft ons de formule, of we zoeken hem zelf op en steken daarna hier de boel in brand, net zoals we met uw loods gedaan hebben. Alleen zal er dan tussen de resten geen oude automotor maar een dode uitvinder worden gevonden. Is dat duidelijk?”

“Voor ons is het duidelijk genoeg,” klonk er opeens een stem vanuit de deuropening, achter de twee mannen. “Handen omhoog heren, u staat onder arrest.”

“Dat had je gedacht!” gromde één van de kerels. Voordat de politieman bij de deur er erg in had, stormde hij met gebogen hoofd op hem af. Hij gaf de agent een duw, zodat die bijna zijn evenwicht verloor en rende naar buiten.

Even later klonk een klap, gevolgd door een kreet.

Intussen waren de drie andere agenten hun collega te hulp geschoten, zodat de tweede man geen kant meer op kon.

“We hebben hem!” klonk Christiaans stem van buiten. “Kom ons gauw helpen, voordat hij ontsnapt!”

Tien minuten later werden de twee mannen geboeid afgevoerd naar het politiebureau.

 

Een paar dagen later belde Richard naar Remco.

“De mannen hebben bekend,” zei hij, “en mijn computer met daarop de formule is terecht!”

“Gefeliciteerd!” zei Remco. “Weet je ook waarom ze het gedaan hebben?”

“Ze werkten voor een wat kleinere oliemaatschappij, die zelf bezig was een product te ontwikkelen waardoor auto’s zuiniger gaan rijden. Ik was ze dus eigenlijk net een stap voor. Uiteraard waren zij niet van plan de uitvinding met andere oliemaatschappijen te delen.”

“En wat gaat er nu met jouw uitvinding gebeuren?” wilde Remco weten.

“Ik ga, samen met een paar mensen van verschillende oliemaatschappijen, er voor zorgen dat mijn uitvinding zo snel mogelijk op de markt komt!” zei Richard trots.

“Heb je al een naam bedacht?” was Remco’s volgende vraag.

“Nog niet” zei Richard. “Maar dat komt nog wel. We mogen in ieder geval blij zijn, dat het allemaal zo goed is afgelopen. Daarvoor wil ik jou, Marieke en de tweeling hartelijk bedanken.”

“Je hoeft ons niet te bedanken,” vond Remco. “Er is Iemand anders die ons heeft bewaard.”

“Hem heb ik ook al bedankt,” zei Richard, “en dat zal ik ook blijven doen. Tenslotte heeft Hij er ook voor gezorgd, dat ik die uitvinding kon doen, waardoor we weer beter met Zijn schepping kunnen omgaan.”

“Fijn dat we dat allebei weten!” zei Remco.