Verhalenarchief 2010-2011 - December 2010

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mail

Inhoudsopgave
Verhalenarchief 2010-2011
September 2010
Oktober 2010
November 2010
December 2010
Januari 2011
Februari 2011
Maart 2011
April 2011
Mei 2011
Juni 2011
Juli 2011
Augustus 2011
September 2011
Oktober 2011
November 2011
December 2011
Alle pagina's


Deze keer geen verhaal over Het Team, maar een kerstverhaal dat Janwillem een paar jaar geleden heeft geschreven en verteld aan de kinderen van de kerk waar hij lid van is. Het is dus ook bestemd voor jongere kinderen om zelf te lezen of om voor te lezen.

 

HET VERHAAL VAN DE FAMILIE WONG.

 

Het verhaal dat ik jullie ga vertellen, begint ongeveer drie jaar geleden en gaat over een meisje, dat toen zes jaar was en over haar vader en moeder. Het meisje heet Lin Wong.

Rare naam, hè? Ik denk niet dat jullie een meisje kennen dat zo heet. Toch is de naam Lin in het land waar dit meisje vandaan komt, heel gewoon. Lin woonde niet in Nederland, maar hier heel ver vandaan, helemaal in China.

Eigenlijk gaat het verhaal niet alleen over Lin, maar ook over haar vader en moeder. Haar vader heet Lee. Lee Wong. Volgens Lin is hij één van de knapste mensen van China. Weet je wat haar vader voor werk deed?

Lins vader was in China straatveger. Wat denken jullie, moet je knap zijn om straatveger te zijn? Nee hè? Vegen kan eigenlijk iedereen.

Toch heeft Lin wel een beetje gelijk. Haar vader is echt heel knap. Voordat hij straatveger werd, was hij professor aan de belangrijkste universiteit van Peking. Professor word je niet zomaar. Daar moet je zelf ook heel lang voor leren en heel knap voor zijn. Het klopt dus wel dat Lin zegt dat haar papa één van de knapste mannen van China is.

Maar hij werd dus straatveger.  Ik zal jullie vertellen hoe dat komt.

Lee Wong is professor in de biologie. Hij moet zijn studenten dus van alles en nog wat vertellen over de dieren, de planten en de mensen. Hij moet ook aan de studenten vertellen, hoe de wereld en de zon en de maan er waren gekomen. Wij weten dat God alles heeft geschapen. Zelfs de kinderen uit groep 1 en 2 weten dat al, maar de knappe professor Lee weet dat niet.

Lee had, toen hij zelf nog jong was, geleerd dat de zon en de maan en de aarde ontstaan waren door een grote knal. Op de aarde waren er eerst alleen maar hele kleine beestjes, die steeds meer veranderden, totdat ook vanzelf de mens er kwam. Wij weten, dat dit allemaal onzin is, maar dat wist de knappe Lee niet. Professor Lee Wong  heeft, net als de meeste mensen in China, nog nooit in de Bijbel gelezen. De Bijbel is in China een verboden boek, waar je niet in mag lezen van de leiders van het land.

Op een dag vertelt de vader van Lin dat verzonnen verhaal over het ontstaan van de aarde aan zijn studenten. Hoewel hij zelf ook wel vindt, dat sommige dingen wel erg toevallig gebeurd zijn, vindt hij dat hij het heel netjes vertelt heeft. Zijn studenten geloven hem allemaal vast!

Nadat hij klaar is met vertellen, moet Lee naar de wc. Als hij weer terugkomt in de zaal, waar hij les geeft, vindt hij tussen zijn spullen een klein pakje.

“Wat leuk!” denkt hij. “Iemand heeft mij een cadeautje gegeven!” Nieuwsgierig maakt hij het pakje open.

Er zit een Bijbel in, met voorin een klein briefje. Op dat briefje staat: “Lees dit en u zult alles begrijpen.” Er staat geen naam onder.

Lee heeft wel eens van de Bijbel gehoord, maar er nog nooit één gezien. Het is immers een verboden boek! Nieuwsgierig kijkt hij om zich heen. Wie zou dat pakje op zijn bureau hebben gelegd? Hij komt er niet achter.

Gauw verstopt de professor het boek in zijn tas.

’s Avonds, na het eten, begint hij er meteen in te lezen en als hij eenmaal begonnen is, kan hij bijna niet meer stoppen. Pas om drie uur ’s nachts gaat hij naar bed en de volgende avond gebeurt precies hetzelfde, net zolang tot hij de Bijbel uit heeft. Hij leest het verhaal van de schepping, van Abraham, Izaak en Jakob, van Mozes en David en ook het kerstverhaal en het paasevangelie. En weet je wat er gebeurt?  Lee komt tot geloof! Is dat geen wonder!

Lee vertelt zijn vrouw Ming en zijn dochter Lin wat hij ontdekt heeft. Die schrikken allebei vreselijk. Geloven in God mag helemaal niet in China.

“Houdt alsjeblieft je mond!” zegt zijn vrouw. “Want als de soldaten er achter komen…..”

Maar Lee houdt zijn mond niet. Als hij weer voor de klas staat, begint hij zijn studenten te vertellen, dat al die verhalen die hij eerder verteld had over het ontstaan van de wereld verzonnen zijn.

“God heeft de wereld gemaakt! Niet in miljoenen jaren, maar in zes dagen. De bomen, de vogels, de vissen, de andere dieren en ook de mens! Daardoor komt het, dat alles zo mooi is en zo goed!” zegt hij. Al zijn studenten zitten stomverbaasd te luisteren. Allemaal op één na. Het meisje dat hem stiekem de Bijbel had gegeven, dankt stilletjes dat God ervoor gezorgd heeft, dat de professor gelooft.

Nog geen uur nadat de les is afgelopen, stormt er een groep soldaten de klas van Lee binnen. Zonder iets te zeggen doen ze hem de handboeien om en nemen ze hem mee. Eén van de studenten had hen verklapt, dat Lee over God had verteld. En dat mag niet in China…

Lins vader wordt in de gevangenis gegooid. Wanneer Lin en haar moeder dat horen, moeten ze vreselijk huilen.

“Ik heb hem nog zo gezegd, dat hij er niet over moest praten!” snikt Ming.

“Komt papa nu nooit meer terug?” vraagt Lin.

Gelukkig komt papa Lee een paar maanden later weer thuis. Lin herkent haar papa eerst niet, zo is hij veranderd. Voordat hij naar de gevangenis moest, was hij best dik geweest, maar nu is hij heel mager. In de gevangenis hebben ze hem ook geslagen, met dunne, zwiepende bamboestokken.

Huilend valt Ming haar man om de hals.

“Hopelijk ben je nu al die onzin uit dat boek vergeten!” zegt ze.

“Het is geen onzin!” zegt Lee. “Alles wat in de Bijbel staat is waar.”

“Maar hoe moet het dan verder?” vraagt  Lin.

“We moeten hier weg,” zegt Lee. “Van de soldaten mogen we niet langer in Peking blijven. Ik mag ook niet meer werken op de universiteit. We moeten verhuizen naar een klein dorpje, meer dan duizend kilometer verderop.”

“Maar waar moeten we dan van leven?” snikt Ming.

“De Here zal ons helpen!” zegt Lee ernstig.

Lin begin te huilen. Al haar vriendjes en vriendinnetjes van school ziet ze vast nooit meer terug.

“Ik wou dat mijn vader die Bijbel nooit had gekregen!” zegt ze tegen zichzelf.

Al de volgende dag gaan Lin en haar papa en mama op reis. Niet met de auto, want die mogen ze van de soldaten niet langer houden, maar met de trein. Ze kunnen ook niet zo heel veel meenemen, alleen hun kleren. Lee neemt de Bijbel, die hij op zolder verstopt heeft, mee, onderin zijn tas. Lin moet al haar speelgoed achterlaten, alleen haar lievelingspop mag mee. Als ze de deur van hun huis voor de laatste keer achter zich dichttrekken, moet Lin vreselijk huilen. Ook haar moeder heeft tranen in haar ogen. Haar vader kijkt strak. Er gaat een soldaat mee, om ervoor te zorgen dat ze echt weg gaan uit Peking.

Na een lange treinreis komen ze eindelijk in het dorp waar ze moeten gaan wonen. Er staat een klein huisje, waar een oud vrouwtje had gewoond, dat pas is overleden. Het stinkt er vreselijk en Ming gaat meteen hard aan het werk om de boel schoon te maken en op te ruimen.

“Waarom doe je ons dit allemaal aan?” vraagt ze aan Lee.

“Dat zal ik jullie vertellen,” antwoordt Lee. En ’s avonds, bij het licht van een kaars, vertelt hij Ming en Lin de verhalen, die hij in de Bijbel heeft gelezen. Overdag moet hij met een bezem de straten van het dorpje schoonhouden. Daarmee verdient hij net genoeg om voor Lin, Ming en zichzelf wat eten te kopen.

In het begin, als ze nog niet zo lang in het dorp wonen, komt er regelmatig een politieagent langs, om te laten merken dat ze hem nog steeds in de gaten houden, maar na een paar maanden gebeurt dat steeds minder vaak.

Soms gaan ze met elkaar ’s nachts op pad. Heel stilletjes, zodat niemand het merkt. Dan gaan ze naar een huis of een schuur op een stille plek, waar ze andere mensen ontmoeten, die ook in God geloven. Lin en Ming beginnen steeds beter te begrijpen, waarom Lee was gaan geloven.

Op een avond, als ze weer met z’n drieën bij elkaar zitten, zegt Ming tegen Lin: “We moeten je wat vertellen.”

“Wat dan?” vraagt Lin.

“Over ongeveer zes maanden krijg je een broertje of zusje!” zegt haar mama.

Lin schrikt verschrikkelijk, als ze dat hoort. Weten jullie waarom? In China mag je maar één kindje hebben van de regering, omdat ze bang zijn dat het land te vol wordt.

Lin begint vreselijk te huilen.

“Straks komen de soldaten weer,” zegt ze, “en dan nemen ze jullie allebei mee en dan heb ik geen papa en mama meer!”

“Daarom gaan we ook weg!” vertelt haar papa.

Weg? Maar waar moeten ze dan heen? En als de soldaten er achter komen en hen gaan achtervolgen en oppakken, wat dan?

“We vertrekken stiekem, midden in de nacht,” vertelt papa Lee. “Een vriend van ons wil ons meenemen, achter in zijn vrachtwagen, verstopt achter een stapel dozen. Hij gaat helemaal naar Sjanghai.”

Sjanghai is een grote Chinese havenstad aan de oceaan.

“In Sjanghai proberen we een schip te vinden dat ons mee kan nemen naar Europa.”

“Europa? Wat is dat?” vraagt Lin.

“Europa ligt hier heel ver vandaan, helemaal aan de andere kant van de wereld,” vertelt Ming.

“En in Europa mag iedereen in God geloven,” zegt Lee. “Daar hoef je niet bang te zijn, dat er soldaten komen om je op te pakken.”

Lin wordt bang. Europa is vast heel ver weg en ze is bang, dat je daar helemaal niet zomaar in de Heere mag geloven. In China mag dat immers ook niet!

De volgende nacht gaan ze op reis. Ze kunnen nu nog veel minder bagage meenemen dan de vorige keer. Toch mag Lin haar pop wel meenemen, anders vinden haar papa en mama het wel heel zielig.

Het wordt een vreselijke reis. Eerst een dagenlange toch in de stinkende, botsende vrachtwagen. Elke keer als de deuren opengaan, zijn ze bang dat het soldaten zijn om hen op te pakken, maar gelukkig gebeurt dat niet.

In Sjanghai vinden ze een schuilplaats in een pakhuis. Overdag gaat papa Lee erop uit, om te zoeken naar een schip dat hen stiekem mee wil nemen, weg uit China. Pas na twee weken heeft hij eindelijk geluk. Blij en opgelucht komt hij in het pakhuis terug.

“Ik heb een schip gevonden, dat ons mee wil nemen naar Rotterdam,” zegt hij. “Rotterdam ligt in Nederland, een klein landje ergens in Europa.”

“Willen ze ons zomaar meenemen?” vraagt  Ming.

“Nee, niet zomaar. Ze vragen er een heleboel geld voor. Als we voor de reis betaald hebben, houden we bijna niets meer over.”

“Toch moet het maar,” vindt Ming. “Want als we hier te lang blijven, worden we vast gesnapt en dan kan iedereen zien, dat we een kindje krijgen. En als dat gebeurt….”

Twee dagen later gaan ze, heel stilletjes, aan boord van het schip. Ze mogen er niet in een nette kamer slapen, maar de kapitein heeft achter in een grote zeecontainer een paar bedden neergelegd en eten voor een paar dagen.

“Als we eenmaal veilig op zee zijn, mogen jullie er af en toe ’s nachts uit,” zegt hij. “Maar dan moeten jullie wel zo stil mogelijk doen, want niet alle mensen op het schip weten dat ik jullie meeneem. Ook als we in vreemde havens komen, mogen jullie er niet uit, want anders gaat het mis. Als ze er achter komen, dat ik jullie meeneem, krijg ik een grote boete en worden jullie meteen teruggestuurd naar China.”

Het wordt een lange, moeilijke reis. Het grootste gedeelte van de tijd zitten Lin en haar papa en mama opgesloten in de zeecontainer. Af en toe, als het heel erg stormt, wordt Lin zeeziek. Eindelijk, op een goede dag, voelen ze opeens dat de container omhoog gaat. De kapitein had er al voor gewaarschuwd, maar toch schrikken ze er behoorlijk van. Ze worden op de wal getakeld, waar de container meteen op een vrachtwagen wordt geladen. Nog geen uur nadat ze zijn aangekomen in de haven rijdt de auto weg.

“Ik wil eruit!” snikt Lin.

“Wij ook!” zegt haar papa. Hij begint op de stalen wanden van de container te bonken, maar dat helpt niet. Pas als ze drie uur later stoppen, gaan de deuren van de container weer open. Haastig duwt papa de dozen opzij.

De man, die de deuren van de container openmaakt, schrikt vreselijk. Hij vraagt iets in een onbekende taal. Het is Nederlands, maar dat weten Lin en haar papa en mama niet. Ze kennen natuurlijk geen Nederlands.

“Wij komen uit China!” zegt papa in het Engels. “En we zoeken hier asiel.” De kapitein van het schip had hem verteld dat hij dat moest  zeggen.

“Wacht hier!” zegt de chauffeur. Haastig doet hij de deuren van de container weer dicht.

Nog geen kwartier later komt de politie. Lin begint te huilen, als ze de mannen ziet.

“Worden we nu meteen teruggestuurd naar China?” vraagt ze aan haar vader.

“Dat weet ik niet,” zegt Lin, “maar God zal ons helpen!”

Lee, Ming en Lin worden achterin een politieauto gezet. Onderweg kijkt Lin haar ogen uit. Overal ziet ze feestelijke verlichting en bomen met lichtjes erin.

“Waarom is dat?” vraagt ze aan haar vader.

“Dat weet ik niet,” antwoordt hij. “Maar ik zal het voor je vragen.”

Hij begint in het Engels tegen de politiemannen te praten. De man naast de bestuurder draait zich om en zegt: “Weten jullie dan niet, dat het morgen kerstfeest is? Of weten jullie misschien helemaal niet, wat kerstfeest is?”

Snel vertaalt Lee voor Ming en Lin wat de agent in het Engels gezegd heeft.

“Morgen is het kerstfeest,” zegt hij. “Het feest van de geboorte van Jezus Christus.”

 

In de maanden die volgen gebeurt er een heleboel. Lin en haar papa en mama komen eerst in een asielzoekerscentrum. Daar wordt ook Lins broertje geboren. Hij heet San. Lin is dolgelukkig met haar kleine broertje. En er is niemand die zegt, dat het niet goed is dat de kleine San is geboren! Iedereen vindt hem een schat!

Lins ouders moeten heel veel praten met allemaal mensen, om te vertellen dat het voor hen onmogelijk is terug te gaan naar China, omdat ze dan in de gevangenis terecht zullen komen. Lin gaat intussen al naar school en leert daar van alles. Het belangrijkste is dat ze er Nederlands leert. Daardoor kan ze de andere kinderen verstaan en krijgt ze gelukkig nieuwe vriendjes en vriendinnetjes. Ook haar papa en mama moeten weer naar school om de taal van het land waar ze nu wonen te leren.

Na een tijdje krijgen ze een eigen huis. Wat zijn ze blij. Lin kan wel zingen van geluk. Hun nieuwe huis heeft wel drie slaapkamers en een zolder. Het doet haar aan hun huis in Peking denken.

Zondags gaan ze samen naar de kerk. Want dat mag echt in het land waar ze nu wonen. Niemand houdt hen tegen en er zijn geen soldaten, die komen om hen op te sluiten. Voor papa, mama en Lin is dat nog steeds een groot wonder. In die kerk zijn er ook mensen, die wel op de kleine San willen letten, zodat papa en mama goed kunnen luisteren naar wat de dominee vertelt. En net als papa beginnen mama en Lin ook steeds beter te begrijpen en te geloven wat er in de Bijbel staat.

 

Dat is allemaal drie jaar geleden gebeurd.

Vorige week, was het feest. Een heel groot feest! Lee, Ming, Lin en San  kregen te horen dat ze in Nederland mochten blijven!

Zondags in de kerk werd ervoor gedankt. Iedereen is blij, dat de familie Wong niet terug hoeft naar China.

En nu, nu is het kerstfeest. Samen met alle gelovige mensen in de hele wereld vieren Lee, Ming, Lin en de kleine San het feest van de geboorte van Jezus Christus. Als vrije, gelukkige mensen.