Verhalenarchief 2010-2011 - November 2010

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mail

Inhoudsopgave
Verhalenarchief 2010-2011
September 2010
Oktober 2010
November 2010
December 2010
Januari 2011
Februari 2011
Maart 2011
April 2011
Mei 2011
Juni 2011
Juli 2011
Augustus 2011
September 2011
Oktober 2011
November 2011
December 2011
Alle pagina's

 

HET RAADSEL VAN DE GESTOLEN SCHILDERIJEN

“Heb je dit gelezen?”

Opgewonden stoof Marieke Wielinga de redactiekamer op. Remco Jongeneel, die druk bezig was de laatste hand aan een artikel te leggen, keek verbaasd op. Normaal liet zijn collega Marieke zich niet zo gauw van de wijs brengen.

“Wat bedoel je?” vroeg hij.

Als antwoord zwaaide Marieke met de krant van die morgen.

“Er staan heel veel stukken in die krant,” zei Jochem Kanis, die tegenover Remco zat. “We hebben er zelf ook een paar van geschreven.”

“Ik bedoel dat stuk over die schilderijenroof in Boekelo,” legde Marieke uit.

“Ik weet alleen dat Boekelo in de buurt van Enschede ligt en dat er vroeger zout werd gewonnen,” zei Remco. “Voor zover ik weet, hebben ze daar geen museum met schilderijen van beroemde kustenaars.”

“Dan zou je toch onze krant eens beter moeten lezen,” zei Marieke een beetje vinnig. “Twee maanden geleden heeft er een paginagroot artikel over de schilder Klaas Hesseling in gestaan.”

Razendsnel gingen de vingers van Remco over het toetsenbord van zijn computer en al gauw had hij het bewuste artikel gevonden. Er stonden ook een paar foto’s bij, die Marieke gemaakt had.

“Wat zal dat een rustige opdracht geweest zijn,” grijnsde hij. “Geen avonturen maar stillevens! Ik ben blij dat ik toen niet met je mee hoefde.”

“Erik Drent heeft heel goed door, dat je een cultuurbarbaar zoals jij niet zo’n opdracht moet geven,” kaatste Marieke de bal terug. “Volgens mij kun jij nog geen Van Gogh van een Renoir onderscheiden.”

“Overdrijven is ook een vak,” zei Remco. “Maar je hebt wel een beetje gelijk. Kunst interesseert me niet zoveel. Hoewel, ik moet zeggen dat die Hesseling, voor zover ik dat kan beoordelen, aardige schilderijen maakt. Je ziet tenminste wat hij heeft geschilderd. Bij negen van de tien moderne schilders kan ik er kop noch staart aan ontdekken.”

“Hij maakt prachtige schilderijen!” zei Marieke. “En blijkbaar ben ik niet de enige die er zo over denkt.”

“Dat klopt,” was Jochem het met haar eens. “Als die schilderijen waardeloos waren, zouden ze niet zijn gestolen.”

“Ik vraag me af, wie dat gedaan kan hebben,” mijmerde Remco hardop. “Volgens mij is het best moeilijk om gestolen doeken te verkopen. De koper kan zo’n schilderij immers moeilijk aan de muur hangen en zeggen: ‘Kijk, ik heb een echte Hesseling.’ Ik vraag me af wat die dieven met die doeken van plan zijn.”

“Ik heb wel eens gehoord, dat er losgeld werd gevraagd voor gestolen schilderijen,” vertelde Jochem. “Maar dan ging het om doeken die minstens honderdduizend euro per stuk kosten. Weet jij hoe duur die schilderijen van Hesseling zijn, Marieke?”

Marieke haalde haar schouders op.

“Geen idee,” zei ze. “Eerlijk gezegd hebben we het daar toen ook helemaal niet over gehad. Heb je zin om mee te gaan naar Boekelo, Remco? Ik wil aan Erik Drent vragen of we naar het atelier van Hesseling mogen gaan om een reportage te maken.”

“Dus je wilt nu schilderijen gaan fotograferen, die er niet meer zijn,” plaagde Jochem.

Marieke keek hem vernietigend aan.

“Misschien kunnen we Klaas Hesseling op de één of andere manier helpen,” zei ze. “Weet je, die man maakt zulke mooie schilderijen en is er ook vreselijk aan gehecht. Hij beschouwt ze min of meer als zijn kinderen.”

Achter Marieke’s rug om trok Jochem een gezicht naar Remco, maar die koos ditmaal de kant van Marieke.

“Ik heb wel zin in een ritje naar Boekelo. Als onze hoofdredacteur het goed vindt, vertrekken we gelijk.”

 

Erik Drent had er geen bezwaar tegen, dat Remco en Marieke een kijkje gingen nemen in het atelier van de schilder. Wel waarschuwde hij hen, dat ze niet op eigen houtje een speurtocht naar de vermiste schilderijen moesten beginnen.

“Laat het speurwerk deze keer maar over aan de politie,” zei hij. “Remco, probeer er achter te komen hoe de diefstal precies in zijn werk is gegaan, welke schilderijen er zijn gestolen en wat de waarde ervan is. Dat zijn dingen die voor de lezers interessant zijn.”

Remco luisterde maar met een half oor. Als hij en Marieke kans zagen de schilderijen op te sporen en de dieven achter de tralies te krijgen, zou hij dat heus niet laten! Tenslotte hadden ze samen al heel wat meegemaakt; dingen die heel wat spannender waren dan de roof van een paar schilderijen.

 

Het was al middag toen ze uiteindelijk in Remco’s oude Eend vanuit Amersfoort vertrokken.

“Wat voor man is die schilder eigenlijk?” vroeg Remco aan Marieke.

“Als je dat artikel had gelezen, had je dat geweten,” zei Marieke.

“Ik heb dat artikel inmiddels gelezen, maar dat gaat vooral over zijn werk. Is hij aardig? Sommige kunstenaars kunnen onuitstaanbaar zijn.”

“Sommige journalisten ook,” zei Marieke. “Volgens mij is het een heel aardige, bescheiden man.”

“Is hij getrouwd?”

“Ja, maar vraag me niet hoe z’n vrouw is. Ik heb haar maar even ontmoet en toen deed ze nogal stug.”

“Misschien vindt ze het wel niet leuk, dat haar man altijd in het middelpunt van de belangstelling staat,” dacht Remco hardop.

“Dan had ze niet met hem moeten trouwen,” vond Marieke. “Als je met een kunstenaar trouwt, weet je dat hij de meeste aandacht krijgt.”

“Of je vindt dat hij te weinig aandacht krijgt, dat kan ook,” zei Remco. “Maar enfin, we zullen wel zien. Ik vermoed, dat we haar straks ook wel zullen ontmoeten.”

“Hesseling woont in een klein huis, vlak naast een oude, verbouwde molen,” vertelde Marieke. “Op de eerste verdieping van de molen heeft hij zijn atelier en de begane grond is ingericht als expositieruimte.”

“Daar hangen dus zijn schilderijen en waarschijnlijk is er daar ook ingebroken,” constateerde Remco.

 

Toen ze zo’n anderhalf uur later het erf bij de molen opdraaiden, was het er tot hun opluchting niet druk. Blijkbaar vonden de andere kranten het nieuws niet interessant genoeg om er mensen op af te sturen. Er stond alleen een politiewagen.

Op het terrein rond de molen was niemand, maar de deur van de molen stond uitnodigend open.

“Waarschijnlijk is Hesseling binnen,” zei Marieke. “Ik hoop dat hij me nog herkent.”

Toen ze de molen binnenstapten, zagen ze vier mensen staan, die zo druk met elkaar in gesprek waren, dat ze de nieuwkomers eerst niet opmerkten. Pas toen Remco kuchte, keken ze op.

“Wat komt u hier doen?” vroeg één van de mannen. Het klonk nors.

“Dat is Klaas Hesseling,” fluisterde Marieke Remco toe. Om daarna hardop te vervolgen: “Dag meneer Hesseling. Ik hoop dat we niet al te ongelegen komen. Ik heb een paar maanden geleden, samen met een collega, een reportage over uw werk gemaakt.”

Er gleed een glimlach over het vermoeide gezicht van de schilder.

“Ach, ja natuurlijk! Nou weet ik het weer. U kwam voor het Christelijk Dagblad.”

“Misschien is die reportage er wel de oorzaak van, dat de schilderijen zijn gestolen!” zei de vrouw van de schilder bits.

“Ik mag toch hopen dat de lezers van een Christelijk Dagblad dergelijke dingen niet doen!” mengde één van de twee agenten zich in het gesprek.

“Dat hoop ik ook!” zei Remco. Hij liep naar het viertal toe en stelde zich voor: “Remco Jongeneel, journalist van het Christelijk Dagblad.”

“Wat komen jullie doen?” vroeg mevrouw Hesseling onvriendelijk.

“We willen opnieuw een stuk in de krant zetten over de schilderijen van uw man, met een beschrijving of een foto erbij van de gestolen doeken,” legde Remco uit. “Misschien dat onze lezers vroeg of laat één van de doeken ergens zien en herkennen en zo de politie op het spoor kunnen brengen van de daders.”

“De politieagenten in Twente zijn heus wel in staat hun eigen boontjes te doppen,” zei de vrouw. “Daar hebben ze geen hulp van nieuwsgierige journalisten bij nodig.”

“Ach,” suste de oudste agent. “Alle hulp die we kunnen krijgen is welkom. Voorlopig hebben we er nog geen idee van, wie die schilderijen heeft gestolen.”

“Was deze ruimte beveiligd?” wilde Remco weten.

“Een simpel alarm, dat afgaat zodra zich iets in de molen beweegt. De dieven hebben het waarschijnlijk overdag onklaar gemaakt, zodat ze ’s nachts ongemerkt hun slag konden slaan.”

“Hoe dan?” vroeg Marieke nieuwsgierig.

“Het alarm werkt met sensoren,” legde de jongste van de twee agenten uit. “Overdag, als de expositieruimte open is, is het alarm uitgeschakeld. De dieven hebben gewoon een paar donkere doeken over die sensoren heen gehangen, zodat die geen bewegingen meer konden registreren. Maar zet dat alsjeblieft niet in de krant, want dan breng je de mensen alleen maar op verkeerde ideeën.”

“En ze zijn daarna ’s nachts teruggekomen,” begreep Remco. “Hoe is dat precies gebeurd?”

“Nou,“ begon de oudste agent.

“Zou je dat nu wel vertellen?” onderbraak zijn collega hem.

De oudste agent haalde zijn schouders op.

“De schilderijen zijn nu toch al gestolen,” zei hij. “En meneer Hesseling heeft beloofd voor een beter alarmsysteem te zorgen, zodat inbrekers niet opnieuw zo gemakkelijk hun slag kunnen slaan.”

“Is dat zo?” kwam de vrouw van de schilder tussenbeide. “Ik vraag me af, waarvan je dat wilt betalen, Klaas!”

De schilder keek hulpzoekend van de agenten naar Remco en Marieke.

“Ik neem aan dat de gestolen schilderijen waren verzekerd,” zei Remco daarom.

Klaas Hesseling knikte.

“Een paar maanden geleden hebben we de boel door een expert laten bekijken en toen is de verzekeringspremie een stuk omhoog gegaan. Als de doeken niet boven water komen, krijg ik als het goed is geld van de verzekering.”

“Dat is ze geraden!” zei mevrouw Hesseling.

“Wat wordt er meestal ongeveer voor een schilderij van u betaald?” wilde Remco weten.

“Dat hangt er vanaf,” zei de schilder. “Als het een groot doek is, wat goed is gelukt, vraag ik er tussen de vijfentwintighonderd en de vijfduizend euro voor. Voor de kleinere doeken vraag ik uiteraard minder.”

“Als ik het geld ervoor had, kocht ik er meteen één!” zei Marieke spontaan. “Ik vind uw doeken prachtig.”

“Verkoopt u vaak schilderijen?” vroeg de oudste politieman.

Klaas Hesseling haalde zijn schouders op.

“Ik ben een schilder, geen zakenman,” zei hij. “Meestal houd ik de mooiste doeken apart, omdat ik er geen afstand van kan doen. Of ik hang het in de expositieruimte met een kaartje erbij, dat het al verkocht is.”

“Je zult maar met zo’n schilder getrouwd zijn!” zei zijn vrouw. “Hij denkt zeker dat we van de wind kunnen leven.”

Blijkbaar werd het haar allemaal te veel. Driftig veegde ze met een zakdoek langs haar ogen en daarna beende ze de molen uit. Remco en Marieke, die haar nakeken, zagen dat ze de deur ervan met een klap achter zich dichttrok.

“Ieder huisje heeft zijn kruisje,” grinnikte de jongste agent. “Ik denk, dat ik voorlopig nog maar even vrijgezel blijf.”

“Maria heeft het niet gemakkelijk,” verdedigde de schilder zijn vrouw. “Die diefstal is haar niet in de koude kleren gaan zitten. Het is niet leuk, als je weet dat wildvreemden er met jouw spullen vandoor zijn gegaan.”

“Weet u zeker dat het wildvreemden zijn?” wilde Remco weten.

Verbaasd keek Klaas hem aan.

“Ik neem niet aan, dat één van mijn vrienden of bekenden er met mijn doeken vandoor is gegaan,” zei hij.

“We weten nog steeds niet, hoe de inbraak precies in zijn werk is gegaan,” zei Marieke.

“Daar valt eigenlijk niet zoveel over te zeggen,” zei de oudste agent. “Ze hebben dat raampje daar ingeslagen, zijn daardoor naar binnen gekropen en hebben daarna de buitendeur van binnenuit opgemaakt. Omdat de buitendeur vanaf het huis niet te zien is, en het alarm van tevoren onklaar was gemaakt, hebben ze ongestoord hun gang kunnen gaan.”

Remco liep naar het raampje dat de politieman hem had aangewezen. Het gebroken glas was vervangen, waardoor het raam een beetje afstak bij de andere, vuile ruiten.

“Die inbreker moet behoorlijk slank zijn geweest,” stelde hij vast. “Ik denk niet, dat ik erdoor zou kunnen.”

“Daar heb ik me ook al over verbaasd,” knikte de oudste agent. “Maar met een beetje moeite moet het lukken. De inbrekers hadden keurig al het glas uit de sponning gehaald, zodat ze zich niet zouden snijden.”

“Kun je de buitendeur van binnenuit gemakkelijk openmaken?” was zijn volgende vraag.

“Daar heb ik me ook over verbaasd,” zei de schilder. “Normaal draai ik de buitendeur altijd op het nachtslot, maar blijkbaar ben ik dat de avond van de inbraak vergeten. Ik heb toen ’s avonds nog een hele tijd geschilderd en ben pas, nadat Maria me had geroepen, tegen elven naar huis gegaan. Misschien heb ik, omdat Maria nijdig was dat ik zolang wegbleef, toen in de haast vergeten de deur achter me op slot te draaien. Op zich is dat geen ramp, want de deur werkt net als de voordeur van een huis. Als je die achter je in het slot trekt, kun je hem van buiten uit alleen met een sleutel omdraaien. Misschien dat ik daarom niet altijd even zorgvuldig ben met dat nachtslot.”

“Het gebeurt dus wel vaker dat de deur niet op het nachtslot zit,” stelde de oudste agent vast. Hij haalde een klein notitieboekje uit zijn zak en maakte een paar aantekeningen. “Hebt u dit ook aan de verzekering verteld?”

“Uiteraard, maar daar deden ze er niet al te moeilijk over. Voor de expert die hier vanmorgen was, was de zaak zo klaar als een klontje. Er waren duidelijk sporen van braak en het alarm was gesaboteerd. Of denkt u soms dat ik opzettelijk de zaak niet goed heb afgesloten, zodat de dieven hun gang konden gaan?”

“Dat heb ik niet gezegd!”

“Maar u suggereert het wel. Hebt u kinderen?”

“Ja, maar wat heeft dat ermee te maken?”

“Voor mij zijn mijn schilderijen net kinderen. Als ik een doek verkocht heb, ga ik daarna meestal heel stil in een hoekje van m’n atelier zitten janken. U begrijpt er volgens mij niets van! Denkt u nu heus, dat ik voor mijn plezier die schilderijen laat stelen. Ik verkoop m’n doeken alleen aan mensen, aan wie ik zie dat ze er bijna net zoveel van houden als ik. Zodra ik merk, dat het een eventuele koper er alleen om te doen is met mijn schilderijen op te scheppen of om ze te gebruiken om er geld mee te verdienen, zeg ik dat de koop niet doorgaat. Ik laat mijn kinderen niet in verkeerde handen vallen!”

Een beetje verlegen liep Remco naar de schilderijen, die de dieven hadden laten hangen. Hij had het idee, dat de woorden van de schilder eigenlijk niet voor zijn oren bestemd waren. Duidelijk was te merken, hoe de man leed onder het verlies van de schilderijen.

De inbrekers hadden een paar grote doeken laten hangen. Blijkbaar konden ze die niet in hun auto meenemen. Marieke ging er vanuit dat ze dat vervoermiddel gebruikt hadden. Hoewel hij weinig verstand van kunst had, zag Remco dat de schilder talent had. Vooral een schilderij van het strand en de zee vond hij prachtig. Het leek wel of het water zo de molen in kon lopen.

“Mooi hè!” zei Marieke, die naast hem kwam staan.

Remco knikte.

“Als ik ooit geld teveel heb, koop ik zo’n schilderij!” zei Marieke.

“En als ik ooit geld teveel heb, koop ik er één voor jou!” beloofde Remco.

Even keek Marieke Remco onderzoekend aan, toen schoot ze in de lach.

“Je bedoelt waarschijnlijk, dat je toch nooit geld teveel zal hebben!”

“Niet zolang we bij het Christelijk Dagblad blijven werken,” zei Remco berustend. “Maar het geeft niet. Ik heb een baan die naar m’n zin is, een dak boven m’n hoofd en genoeg te eten en te drinken. Meer heeft een mens immers niet nodig.”

“Ik wou dat mijn vrouw er ook zo over dacht!”

Klaas Hesseling, die aan kwam lopen, had Remco’s laatste opmerking gehoord en haakte daarop in.

Even viel er een ongemakkelijke stilte, daarom schakelde Remco snel over op een ander onderwerp.

“Zijn er eigenlijk sporen van de inbrekers gevonden?” wilde hij weten.

“Toen ik ’s morgens ontdekte dat de schilderijen waren gestolen, goot het al vanaf een uur of zes,” vertelde de schilder. “Daar komt bij, dat er onder het raam waardoor de dieven naar binnen zijn gekomen, stenen liggen. De politie heeft nergens voetafdrukken gevonden.”

“En vingerafdrukken?”

“Daar hebben ze niet eens naar gezocht. Maria maakt hier regelmatig de boel schoon, maar er komen hier iedere dag tientallen bezoekers, die allemaal hun vingerafdrukken achterlaten. Het is onbegonnen werk al die vingerafdrukken te controleren en te vergelijken met de computerbestanden van de recherche.”

“Toch zullen we ons uiterste best doen, de doeken op te sporen,” beloofde de oudste agent.

“Ik zal mijn vrouw vragen de foto’s die we van de doeken hebben gemaakt naar het bureau te mailen. Vroeg of laat moeten ze toch ergens opduiken!”

“Ga daar maar vanuit!” zei de andere politieman. “Die lui hebben die schilderijen niet voor niets gestolen. Zodra we iets weten nemen we contact met u op.”

Hij gaf de schilder een hand en nam afscheid. Toen de twee agenten de molen hadden verlaten, zei Marieke: “Als u het goed vindt, neem ik nog een paar foto’s en dan vertrekken wij ook. Ik ben bang dat wij verder ook weinig voor u kunnen doen.”

 

Een kwartier later reed Remco zijn oude Eend het erf af. Marieke keek op haar horloge.

“Als we opschieten kunnen we om een uur of zeven thuis zijn,” rekende ze uit.

“Ik denk niet, dat ik al naar huis wil,” zei Remco tot haar stomme verbazing.

“Waarom niet? We hebben hier immers niets meer te zoeken?”

“Toch wel! We moeten een dief ontmaskeren!”

“Volgens mij heb je te lang geen koffie gehad en is het je in je bol geslagen!” stelde Marieke vast.

Remco parkeerde zijn auto in de berm en zette de motor af.

“Ik denk dat ik weet wie de dief is,” zei hij.

“Sinds wanneer ken jij dieven?”

“Sinds een paar uur,” zei Remco. “Luister, dan leg ik het je uit!”

“Vooruit dan maar!” zuchtte Marieke.

Remco begon te vertellen en toen hij was uitgesproken zei ze: “Ik kan me niet voorstellen dat je gelijk heb!”

“Ik heb gelijk,” zei Remco zelfverzekerd. “Ga je mee terug, of moet ik je eerst ergens op de trein zetten?”

“Mooi is dat!” mopperde Marieke. “Ik ga met je mee, maar dan wil ik zo eerst wel wat gaan eten.”

“Dat vind ik prima. Die schilderijen en die dief lopen niet weg.”

“Als jouw verhaal klopt, wat ik nog steeds niet kan geloven, niet nee!”

 

Om een uur of acht gingen ze terug naar de molen van de Hesselings. Voordat ze bij de molen waren zette Remco de auto aan de kant.

“Voordat we verdergaan, wil ik eerst bidden,” zei hij zacht. “In die drukke snackbar was er geen gelegenheid voor. Het zal een moeilijk gesprek worden en ik wil de Heere om kracht en wijsheid vragen. Of vind je dat gek?”

Marieke schudde haar hoofd.

“Bid maar hardop,” zei ze.

Nadat ze samen hadden gebeden, reed Remco in een kalm tempo verder. De molen zelf was donker, maar in het huis ernaast brandde licht.

“Jij doet het woord maar,” zei Marieke. “Ik ben heel benieuwd hoe je dit aan wilt pakken.”

“Mij best,” zei Remco.

Toch klopte zijn hart ongewoon fel, toen hij bij de woning aanbelde. De schilder deed open.

“Jullie?” vroeg hij verbaasd. “Ik dacht dat jullie al lang en breed weer in Amersfoort zaten.”

“Ik zou graag nog een paar vragen willen stellen,” zei Remco.

“Aan mij? Ik dacht dat ik alles wat ik weet al zo’n beetje verteld had.”

“Niet aan u, maar aan uw vrouw,” zei Remco.

“Mijn vrouw heeft er niets mee te maken,” zei Klaas Hesseling.

“Mogen wij binnenkomen?” drong Remco aan.

Even aarzelde de schilder nog, toen deed hij een stap opzij.

“Ik denk dat het weinig zin heeft. Mijn vrouw weet nog minder dan ik.”

Mevrouw Hesseling reageerde bijna vijandig, toen ze Remco en Marieke terugzag.

“Deze twee mensen willen ons nog een paar vragen stellen,” zei haar man.

“Er valt weinig meer te zeggen,” zei de vrouw met samengeknepen lippen.

“Ik ben bang van wel,” zei Remco. “We zijn gekomen om u te waarschuwen.”

“Te waarschuwen?” vroeg de schilder verbaasd. “Waarvoor? Jullie denken toch niet dat er opnieuw wordt ingebroken?”

“Dat niet nee,” zei Remco. “Maar naar aanleiding van ons bezoek van vanmiddag ben ik tot een bepaalde conclusie gekomen. Ik weet, wie de dief is en ik ben bang, dat het niet lang zal duren voordat de politie hetzelfde bedenkt.”

“Als u weet wie de dief is, moeten we onmiddellijk de politie bellen!” zei de schilder. “Dan kunnen zij die schurk meteen inrekenen en mij m’n doeken terugbezorgen.”

“Ik denk niet, dat uw vrouw het daar mee eens is,” zei Remco, terwijl hij de vrouw van de schilder strak aankeek. “Heb ik gelijk of niet, mevrouw Hesseling?”

“Ik snap niet wat u bedoelt!” zei Maria Hesseling schril.

“U snapt heel goed wat ik bedoel,” reageerde Remco rustig, “en ik ben bang dat de politie het ook zal begrijpen. Waar hebt u de schilderijen verstopt? Op zolder? In de kelder? De schuur misschien? Of zit er een familielid of kennis in het complot, die de doeken voor u op een veilige plaats heeft opgeborgen?”

Maria Hesseling wilde protesteren, maar haar man was haar net voor. Ontsteld keek hij haar aan.

“Heb jij de schilderijen weggenomen? Zeg me dat het niet waar is!”

Waarschijnlijk kwam het door de tranen in zijn ogen dat er iets bij Maria brak. Snikkend zei ze: “Ja, ik heb ze weg genomen en was niet van plan ze ooit weer boven water te laten komen!”

“Maar waarom?” stamelde de schilder.

“Je vraagt waarom? Hoe durf je! Alles draait hier om jou en je schilderijen! Met mij wordt al jaren geen rekening gehouden. Als er af een toe een koper voor je doeken komt, doe jij alle mogelijke moeite om te voorkomen dat die met een doek naar huis gaat. En ik moet maar zien dat ik de eindjes aan elkaar knoop! Nooit hebben we ergens geld voor! Wanneer hebben we voor het laatst samen iets leuks gedaan? Wanneer zijn we voor het laatst op vakantie geweest? Als we eindelijk wat geld hebben, koop je er onmiddellijk nieuwe verf en doeken voor om een nieuw schilderij te maken. Het is dat ik een paar dagen in de week als schoonmaakster in een winkel in het dorp wat kan verdienen, anders waren we allang omgekomen van de honger. Ik ben het zat, Klaas! Daarom heb ik die doeken weggenomen en verstopt, zodat we geld van de verzekering zouden krijgen! Het was de enige oplossing die ik kon bedenken.”

“Waarom heb je me dit niet eerder verteld?” vroeg Klaas.

“Ik heb het je al ik weet niet hoe vaak verteld, maar je wilt nooit luisteren!”

Remco en Marieke voelden zich knap ongemakkelijk. Hoewel ze er min of meer op waren voorbereid, dat dit kon gebeuren, wisten ze zich met hun houding niet goed raad. Ze hadden het gevoel dingen te horen die niet voor hun oren bestemd waren.

“Ik denk dat we u nu beter alleen kunnen laten,” zei Remco. Hij stond op en Marieke volgde zijn voorbeeld.

“Wat gaan jullie nu doen? De politie waarschuwen?” vroeg mevrouw Hesseling angstig.

“Ik weet bijna zeker, dat ik morgenochtend een telefoontje van jullie krijg, dat jullie ’s morgens bij de deur van de molen een groot pakket hebben gevonden, met daarin alle schilderijen. Gelukkig onbeschadigd en in goede staat. Er zit een briefje bij, waarop de dief zegt dat hij wroeging heeft van zijn daad en daarom alles heeft terugbezorgd.”

“En als dat niet zo is?”

“Dan bel ik naar de politie en vertel hen wat ik weet,” zei Remco. “Maar ik ga ervan uit, dat dat niet nodig zal zijn.”

“Dat denk ik ook niet,” zei Maria Hesseling nauwelijks hoorbaar. Aarzelend deed ze een stap in de richting van haar man, die beschermend een arm om haar heen sloeg.

Zonder nog een woord te zeggen verlieten Marieke en Remco de kamer. Buiten aangekomen slaakte Marieke een diepe zucht.

“Ik hoop nooit meer zoiets mee te maken!” zei ze uit de grond van haar hart.

“Ik ook niet!” zei Remco. “Ik ook niet!”