Verhalenarchief 2010-2011 - Oktober 2010

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mail

Inhoudsopgave
Verhalenarchief 2010-2011
September 2010
Oktober 2010
November 2010
December 2010
Januari 2011
Februari 2011
Maart 2011
April 2011
Mei 2011
Juni 2011
Juli 2011
Augustus 2011
September 2011
Oktober 2011
November 2011
December 2011
Alle pagina's

 

RAADSELS IN EEN OUDE FABRIEK.

 

Het was een warme voorjaarsdag.

De tweeling Christine en Christiaan Jongeneel kwam net uit school. Het eerste stuk hadden ze met een paar klasgenoten gefietst, maar het laatste stuk naar Putten reden ze altijd samen. Ze waren bijna thuis en hadden inmiddels het industrieterrein van hun woonplaats bereikt.  Aan de rand van dat industrieterrein stond een oude, vervallen fabriek. Vroeger werden er graansilo’s gemaakt, maar nu stonden de gebouwen leeg. Er waren grote hekken rondom het terrein gemaakt en om de vijfentwintig meter stond er een bordje “Verboden toegang.” De hallen waren al heel lang buiten gebruik en er werd door niemand naar omgekeken. Daardoor waren veel ruiten gesneuveld en zaten er scheuren in de muren en daken. Het was te gevaarlijk op het terrein rond te lopen.

Christiaan en Christine fietsten vrolijk kletsend langs de hal toen het gebeurde. Een auto kwam met veel te grote snelheid de bocht om scheuren. De bestuurder kon daardoor onmogelijk remmen voor de zwart-witte kat, die juist op dat moment de weg overstak. Het dier probeerde nog weg te springen, maar werd toch geraakt door de auto. De bestuurder stopte niet eens om te kijken hoe het met de poes was, maar reed gewoon door.

Geschrokken stapten Christine en Christiaan van hun fiets.

“Wat een lomperik,” schold Christiaan.

“Die arme poes!” zei Christine.

Ze zette haar fiets op de standaard en rende de straat op om te kijken hoe het met de kat was.

Het dier, dat eerst wat versuft was blijven liggen, was inmiddels overeind gekomen en sleepte zich moeizaam naar de kant van de weg. Voordat  Christine het dier bereikte, was het onder het hek van de fabriek door gekropen en tussen het hoge gras en onkruid verdwenen. De poes was blijkbaar gewond, want hij liet een spoor van bloeddruppels achter.

“Hij is gewond,” zei Christine opgewonden, terwijl ze met haar beide handen het hek vastpakte. “We moeten hem helpen!”

“Waarom?” wilde haar broer weten.

“We kunnen dat beest moeilijk aan z’n lot overlaten,” zei Christine, terwijl ze haar broer een vernietigende blik toezond. “Ben jij nou een dierenvriend?”

“Niet dat ik weet,” grinnikte Christiaan.

Christine liet zich door de houding van haar broer niet uit het veld slaan.

“We moeten hem vangen en mee naar huis nemen,” zei ze stellig. “Als we hem daar laten liggen, gaat hij dood.”

Christiaan, die zag dat zijn tweelingzus het meende, nam wat gas terug.

“Dat denk ik ook,” gaf hij toe.

“Nou, waar wachten we nog op?” vroeg Christine. Ze keek om zich heen. “Kijk, daar zit een gat in het hek, waardoor we zo naar binnen kunnen kruipen.”

Christiaan, die wist dat hij het toch altijd van z’n zus verloor, besloot Christine haar zin te geven.

“Vooruit dan maar,” zei hij. “Maar laten we eerst onze fietsen pakken en op slot zetten.”

“Als de poes dan maar niet is verdwenen,” zei Christine.

“Als dat zo is, is hij heel wat minder gewond dan wij denken en redt hij het ook wel zonder ons,” vond Christiaan. Hij stak de straat weer over om z’n fiets te pakken, zette die tegen het hek en deed hem op slot. Christine, die popelde om achter de kat aan te gaan, volgde zijn voorbeeld.  Daarna kropen ze achter elkaar aan door het gat in het hek.

Het spoor van de poes was gemakkelijk te volgen. Overal zagen ze bloeddruppels. De poes zelf was nergens te zien. Het leek erop dat de kat regelrecht naar één van de fabriekshallen was gelopen. Het bloedspoor eindigde bij een klein raampje vlak boven de grond. Er zat geen glas meer in het venster, zodat het dier zo naar binnen kon kruipen.

“Die zijn we kwijt,” zei Christiaan. Hij ging op zijn knieën liggen en tuurde naar binnen.

“Wat zie je?” wilde zijn zus weten.

“Niet veel bijzonders,” antwoordde haar broer. “Er is hier een soort kelder, met een paar oude ketels erin. Ik denk dat hier vroeger de verwarming van de fabriek was.”

“Zou het raampje groot genoeg zijn om er door naar binnen te kruipen?” vroeg Christine zich hardop af. Christiaan kwam overeind.

“Dat denk ik niet en ik ga het niet proberen ook,” zei Christiaan. “Ik ben niet van plan m’n kleren vuil te maken of te scheuren voor een gewonde kat. Het is trouwens ook veel te gevaarlijk. Dit gebouw is zo gammel als wat. Als de boel instort ziet het er niet al te best voor ons uit.”

“En die poes dan?” vroeg Christine. “Straks gaat hij dood.”

Christiaan haalde zijn schouders op.

“Niets aan te doen,” zei hij. “Ik ben bang dat we verder ook niets voor dat beest kunnen doen.”

Christine begon kwaad te worden.

“Als er avonturen te beleven zijn, ben jij altijd haantje de voorste, maar nu er een dier gewond is, kan het jou niets schelen.”

Boos begon ze om de oude hal heen te lopen.

“Wat ga je doen?” riep Christiaan haar na.

Christine antwoordde pas toen Christiaan haar had ingehaald.

“Kijken of er een andere ingang is,” zei ze.

“We moeten naar huis,” zei Christiaan. “Die kat vinden we toch niet terug en we hebben bergen huiswerk!”

“Sinds wanneer maak jij je druk om je huiswerk?” vroeg Christine smalend. Verder deed ze net of ze haar broer niet hoorde.

“Nog even,” zei ze. “We kunnen die poes toch niet aan z’n lot overlaten?”

“Wat mij betreft wel,” mompelde Christiaan. Toch liep hij achter zijn zus aan, toen die een hoek omsloeg, waardoor ze aan de achterkant van het gebouw kwamen.

“Zie je wel,” zei Christine, “daar is een deur.”

“Die zit vast op slot,” dacht Christiaan. Om van het gezeur af te zijn liep hij snel naar de deur. Tot zijn verbazing ging die meteen open.

“We kunnen zo naar binnen!” zei hij.

“Kom op dan,” zei Christine. Ze duwde hem opzij en voordat Christiaan haar tegen kon houden liep ze de hal in. Christiaan kon niets anders doen dan haar volgen.

Ze waren nog maar zo'n tien meter de hal ingelopen, toen Christine stilstond. Ze deed dat zo onverwachts dat Christiaan tegen haar opbotste.

“Wat doe je nou?” zei hij nijdig.

“Ik hoor iets,” zei Christine. Doordat er een vreemde sfeer in de hal hing, begon ze te fluisteren. “Luister maar!”

Christiaan bleef doodstil staan en hoorde het nu ook. Het geluid kwam vanuit een kelder, die blijkbaar onder het gebouw doorliep. Tsjak, tsjak, tsjak, klonk het. Het leek wel of er een machine stond te draaien. Nu ze stilstonden voelden  ze de vloer onder hun voeten trillen.

“Laten we maar weggaan,” zei Christine. “Er zijn hier mensen.”

“Net nu het een beetje interessant begint te worden?” was Christiaan het niet met haar eens. “Ik vraag me wel af wat er hier aan de hand is.”

“Wil je gaan kijken?” vroeg Christine.

Christiaan dacht even na en schudde toen zijn hoofd.

“Daar kunnen we beter even mee wachten,” vond hij. “We gaan naar huis, bellen Remco op en vragen hem of hij hier vanavond met ons naartoe wil gaan. Dan zoeken we samen uit, wat er aan de hand is. Als het even meezit heeft hij dan een mooie primeur voor de krant.”

Remco, hun oudere broer, was journalist bij het Christelijke Dagblad. Hij woonde in Amersfoort, niet zo heel ver bij Putten vandaan en was meestal wel in voor een avontuurtje.

“Misschien wil Marieke ook wel meekomen,” bedacht Christine. Marieke werkte ook voor de krant, maar dan als fotografe.

“Een paar goede foto’s voor bij het artikel zijn inderdaad nooit weg,” was Christiaan het met haar eens. “Laten we maar gauw gaan, des te sneller kunnen we alles regelen.”

Ze draaiden zich om en liepen terug naar de open deur. Onder hun voeten ging het vreemde getsjak onafgebroken door. Terwijl ze opgewonden naar huis fietsten, dachten ze geen moment meer aan de gewonde poes, die eigenlijk de oorzaak was van hun vreemde ontdekking.

 

Die avond reden ze met z’n vieren -Marieke was inderdaad meegekomen- tegen een uur of negen in Remco’s oude Eend naar het industrieterrein.

“Ik ben blij dat jullie konden komen,” zei Christiaan.

“Ach, ik had vanavond toch niets beters te doen,” zei Remco. “Als er werkelijk wat bijzonders aan de hand is met die oude fabriek, wil ik natuurlijk wel graag weten wat.”

“Waarom ben jij eigenlijk meegekomen?” vroeg Christine aan Marieke.

“Voor jou een vraag, voor mij een weet,” grinnikte het meisje. “Misschien vind ik het wel leuk, een avondje met jullie op stap te gaan.”

“Nou, dat is dan wel voor het eerst,” lachte Christiaan. “Als wij ons met jullie zaken bemoeien, belanden we meestal allemaal in de narigheid.”[1][1]

“Ik ben juist meegegaan om te voorkomen, dat jullie je in de nesten werken,” legde Marieke uit.

Ze hadden inmiddels het industrieterrein bereikt. Remco parkeerde zijn Eend op een parkeerplaats, een paar honderd meter bij de vervallen fabriek vandaan, zodat ze minder op zouden vallen. Met z’n vieren liepen ze door de invallende schemering naar de oude hal.

“Kijk,” wees Christine, “hier kunnen we naar binnen.”

“Wacht,” zei Remco. “Ik wil eerst even wat controleren.”

Hij liep langs het hekwerk naar de ingang. De twee openslaande hekken waren net zo roestig als de rest van de afrastering, maar ze werden dichtgehouden door een grote stalen ketting met een fonkelnieuw slot.

“Net wat ik dacht,” mompelde hij. “Die fabriek is heel wat minder verlaten dan hij eruit ziet.”

Hij liep terug naar de anderen, die ongeduldig stonden te wachten.

“Laten we opschieten,” zei Christiaan. Hij stond al aan de andere kant van het hek.

“Niet zo nieuwsgierig, jochie,” lachte zijn broer. Toch kroop ook hij door het gat, gevolgd door Marieke en Christine.

“Kijk,” wees Christine naar wat bruine spatten op het asfalt. “Daar is de poes langsgelopen.”

“Hoe is het eigenlijk met dat dier afgelopen?” wilde Marieke weten.

“Geen idee,” zei Christine eerlijk. “Misschien komen we daar straks ook achter.”

Christiaan wees de weg en kwam als eerste bij de ingang van de hal.

“Deze deur is open!” zei hij, terwijl hij de klink naar beneden duwde. Er gebeurde niets. De deur zat potdicht.

“Hij was open,” verbeterde Remco hem. Zoekend keek hij om zich heen, om te zien of er een andere ingang was. Al gauw had hij gevonden wat hij zocht. Aan de zijkant van het gebouw, zo’n twee meter boven de grond, zat een venster. Het glas, dat ooit in het raam had gezeten, was waarschijnlijk al lang geleden gesneuveld.

“Daardoor kunnen we naar binnen,” zei hij. Remco ging onder de opening staan en maakte een kommetje van zijn handen. “Lukt dat, Christiaan?”

“‘Tuurlijk!” zei zijn broer. Hij wipte via Remco’s handen op z’n schouders en trok zich omhoog aan de rand van het kozijn.

“Kijk uit voor glassplinters!” waarschuwde Marieke.

Christiaan hoorde het niet eens. Hij keek door de opening naar binnen, maar kon in het halfdonker niets bijzonders ontdekken.

“Zal ik naar binnen gaan?” vroeg hij.

“Ja, maar hoe kom je dan weer terug?” vroeg zijn broer bezorgd.

“Volgens mij heb ik ergens een lang stuk touw zien liggen,” zei Christine. Ze rende weg en kwam even later terug met een vies, gerafeld touw van een meter of vijf. “Zou dit sterk genoeg zijn?”

“Vast wel,” dacht Remco, nadat hij het had bekeken.

Christiaan had geen verdere aansporing nodig. Hij klom naar binnen, ging aan zijn handen hangen en liet zich vallen. Zonder problemen landde hij op z’n beide voeten.

“Kunnen jullie me de rugzak gooien?” riep hij naar de anderen. Zijn stem klonk vreemd in de lege hal. In die tas zat onder andere een sterke zaklantaarn.

“Ik breng hem wel,” zei Christine. “Het lijkt me handiger, als ik ook naar binnen ga.”

“Dat denk ik ook,” was Marieke het met haar eens.

Op precies dezelfde manier als haar tweelingbroer klom Christine naar binnen. Marieke en Remco bleven alleen achter en gingen tegen de muur van de fabriek zitten.

 

De hal was nog net zo leeg als die middag. Christiaan liet de zaklamp in alle hoeken schijnen, maar ontdekte eerst niets bijzonders. Ergens in de hoek ontdekte hij een trap, die naar boven voerde, maar die interesseerde hem niet. Ze waren immers op zoek naar iets, dat onder de vloer zat!

“Het geluid is er ook niet,” fluisterde Christine. “Waarschijnlijk zijn de mensen, die vanmiddag dat geluid maakten, vertrokken en hebben ze de deur achter zich op slot gedaan.”

“Toch snap ik het niet,” zei Christiaan. “Er is hier nergens een deur.”

“Het geluid kwam van onder de grond,” zei zijn tweelingzus slim. “We moeten dus op zoek naar een luik!”

“Natuurlijk!” zei Christiaan opgewonden. Hij liet het licht van de lantaarn niet langer over de muren gaan, maar over de grond. Al gauw hadden ze gevonden wat ze zochten. In een hoek, aan de andere kant van de hal, zat een aantal diepe naden in de vloer. Toen ze beter keken, zagen ze dat er op die plek geen beton zat, maar grijs geverfde planken in precies dezelfde kleur als de vloer. Vlak bij de muur zat er een sleutelgat in het luik. Daarnaast zat er, verzonken in het hout, een metalen ring. Christiaan probeerde het luik omhoog te tillen, maar dat lukte niet. Het luik was te zwaar en zat waarschijnlijk op slot.

Opeens was er door de stilte van de nacht het geluid van een snel naderende auto te horen.

“Er komt iemand aan,” zei Christiaan geschrokken.

"We moeten ons verstoppen," zei zijn zusje vlug.

De twee kinderen keken om zich heen naar een goede schuilplaats.

“We gaan naar boven,” besliste Christiaan. Christine keek bedenkelijk. De trap zag er niet al te stevig uit.

Toen er buiten een portier dichtsloeg, aarzelden ze niet langer. Zo vlug ze konden renden ze naar de trap. Het gammele geval kraakte behoorlijk toen ze naar boven klommen, maar er gebeurden gelukkig geen ongelukken. Eenmaal boven ging Christiaan op zijn buik bij het trapgat liggen. Christine wist niets beters te doen dan zijn voorbeeld te volgen.

“Zie je wat?” fluisterde ze zachtjes.

Christiaan legde zijn vingers op zijn lippen.

“St,” zei hij, “er komt iemand aan.”

Er werd een sleutel in het slot omgedraaid en opeens baadde de hal beneden hen in het licht. Geschrokken trokken Christine en Christiaan hun hoofd terug.

Er klonken mannenstemmen en toen Christiaan het waagde even te kijken, zag hij dat ze regelrecht naar het luik liepen. Eén van de mannen haalde een sleutel uit zijn zak, stak die in het slot en pakte daarna de ring vast. Langzaam trok hij het luik omhoog. De andere man klom door het luik naar binnen, waarna de eerste man zijn voorbeeld volgde. Eenmaal in de ondergrondse ruimte lieten ze het luik weer zakken en een paar tellen later ging het licht in de hal uit.

“We moeten proberen hier weg te komen,” zei Christiaan tegen zijn zusje. “Waarschijnlijk blijven die lui wel even beneden, anders hadden ze het licht niet uitgedaan.

“Hoe eerder ik hier weg ben, hoe beter,” was Christine het met hem eens. Voorzichtig begon ze in het donker de trap af te dalen. De lantaarn durfden ze niet te gebruiken.

Ze waren nog niet beneden, toen het geluid, dat ze die middag ook gehoord hadden, opnieuw begon.

Tsjak, tsjak, tsjak, klonk het vanuit de kelder.

Christiaan fluisterde: “Er staat daar een machine te draaien. Ik weet het zeker!”

“Dat denk ik ook,” was Christine het met hem eens.”Er gebeuren hier inderdaad heel rare dingen.”

“We moeten Remco waarschuwen, zodat hij de politie kan bellen,” zei Christiaan. Hij liep naar de opening toe en riep zachtjes: “Pssst.”

Remco antwoordde ogenblikkelijk.

“Alles goed met jullie?” vroeg hij.

“Ja, maar dat leg ik straks wel uit,” zei Christiaan. “Laten we eerst maar proberen hier uit te komen.”

“Ik gooi je het touw toe,” zei Remco. “Kijk wel uit.”

Christiaan deed een paar stappen opzij, zodat het touw hem niet kon raken. “Hou het goed strak,” zei hij tegen z’n broer, “dan probeer ik omhoog te klimmen.”

Met veel pijn en moeite klom de jongen naar boven.

“Ik zal je helpen!” riep hij naar beneden, in de veronderstelling dat zijn zus daar nog stond te wachten.

“Dat is niet nodig,” klonk het van buiten. Tot Christiaans verbazing stonden zijn zus en Marieke hem in zijn gezicht uit te lachen.

“Sommige mensen gebruiken gewoon de deur,” legde Christine uit, toen Christiaan weer op de grond stond. “Die lui hadden hem niet weer op slot gedaan!”

Zo snel mogelijk vertelde de tweeling aan Remco en Marieke wat ze ontdekt hadden.

“Ik denk, dat ik wel weet wat er daar onder de grond gebeurt,” zei Remco, toen ze uitgesproken waren.

“Wat dan?” wilde Christine weten.

“Dat ‘tsjak, tsjak, tsjak’ klinkt precies zo als een drukpers,” zei hij.

“Ze maken daar valse euro’s!” begreep Christiaan.

“Dat denk ik ook,” knikte Remco. “Ik zal meteen de politie bellen, zodat ze die lui op heterdaad kunnen betrappen.”

Terwijl Remco belde, zei Marieke: “Eigenlijk moeten we proberen er voor te zorgen, dat die lui niet kunnen ontsnappen.”

“Dan moeten we allemaal zware dingen op dat luik zetten,” zei Christine opgewonden. Zoekend keek ze om zich heen. Er lag nogal wat oud ijzer en ander afval op het terrein, maar als ze daarmee gingen slepen, zouden de mannen in de kelder dat misschien horen.

“Kijk,” wees ze. Tegen het hek lag een grote, lege kabelhaspel. “Als we die op het luik leggen, krijgen die lui het nooit omhoog.”

“Het is alleen te hopen dat er geen tweede uitgang is,” zei Christiaan bezorgd.

“Dat denk ik niet,” zei Marieke. “Meestal heeft een kelder maar één ingang.”

Ze liepen naar de spoel toe en probeerden die in beweging te krijgen. Eerst ging het moeizaam, maar toen het gevaarte eenmaal op gang was, konden ze hem zonder veel problemen naar de deur van de hal rollen. Tot hun opluchting paste hij er net door.

Zo stil mogelijk rolden ze de spoel door de donkere hal naar het luik. Daar aangekomen lieten ze hem kantelen, zodat hij op de planken viel. Ze konden niet voorkomen, dat ze daarbij het nodige lawaai maakten.

Vanuit de kelder volgde meteen een reactie. Het geluid van de geheimzinnige machine verstomde onmiddellijk.

“Blijf uit de buurt van het luik!” waarschuwde Remco. “Je weet nooit of die lui gaan schieten!”

“Volgens mij zijn die planken veel te dik om er een kogel doorheen te jagen!” dacht Christiaan.

Er klonk gebonk tegen het luik en door het hout heen konden ze het getier van de twee mannen horen. Toen bleef het heel even stil, daarna kraakte er een schot en klonk er een kreet.

“Ze schieten!” zei Christine geschrokken.

“Maar niet door het luik heen,” zei haar tweelingbroer triomfantelijk.

“Zo te horen heeft die vent zichzelf geraakt,” meende Remco. “Waarschijnlijk is de kogel teruggeketst tegen het hout.”

“Zichzelf of zijn makker,” was Marieke het met hem eens. “Maar we weten nu in ieder geval, dat die lui gewapend zijn.”

“Daar moeten we de politie dus voor waarschuwen,” zei Remco. Op hetzelfde moment klonk het geluid van piepende autoremmen naast de hal. Remco rende naar de uitgang. Kort daarna kwam hij terug met vier agenten. Ze knipten het licht in de hal aan, zodat ze konden zien wat ze deden. Snel legde Remco aan de politiemensen uit wat er gebeurd was.

“Is dat luik open?” wilde één van hen weten.

“Volgens mij wel,” zei Remco. “Toen die lui ons hoorden, probeerden ze het luik van binnenuit op te tillen.”

“Laten we maar eens kijken of we die mannen te pakken kunnen krijgen,” zei de brigadier, die de leiding had. Hij trok zijn dienstpistool en gaf zijn collega’s opdracht de spoel van het luik te halen. Nadat ze het gevaarte hadden opgetild en weggerold, pakte één van hen de ring. Het luik gaf meteen mee. Toen er een kier was van zo’n vijftien centimeter, riep de brigadier naar binnen: “Gooi je wapens naar buiten!”

Een woedende reactie was het gevolg, maar tot ieders opluchting verscheen er een hand door het luik, met daarin een revolver, die bij de loop werd vastgehouden. Met een kletterend lawaai viel het wapen op de betonnen vloer naast het luik. Met een tevreden knik pakte de brigadier het wapen op, controleerde of het vergrendeld was en stak het in zijn zak.

“Kom nu één voor één met je handen omhoog naar buiten,” riep de brigadier naar beneden. “En geen verdachte bewegingen, want dan schieten we meteen.”

Even bleef het stil, toen klonk er gekraak van traptreden. Eerst verschenen er twee handen boven het luik, gevolgd door een hoofd en een lichaam. Nog voordat de man goed en wel boven was, hadden de agenten hem al overmeesterd en de handboeien omgedaan.

“Komt er nog wat van?” riep een agent naar beneden, naar de tweede man, die kennelijk niet van plan was zijn schuilplaats te verlaten.

“Ik kan niet lopen,” klonk het uit de kelder. “Ik heb een kogel in mijn been gekregen.”

“Dat kan heel goed,” zei Remco. “We hebben, voordat jullie kwamen, een schot gehoord en een kreet.”

De agenten bleven voorzichtig. Het kon een valstrik zijn!

Eén van de agenten haalde een kogelvrij vest uit de politiewagen, trok dat aan en klom daarna door het luik naar beneden. Tot ieders opluchting riep hij al gauw dat de kust veilig was.

De brigadier belde naar het bureau voor een arrestantenwagen om de ene man af te voeren en voor de andere regelde hij een ambulance. Terwijl dat gebeurde maakte Marieke  een paar foto’s. Toen de twee auto’s waren weggereden, stond de brigadier toe dat Remco, Marieke en de tweeling een kijkje in de kelder konden nemen. Remco had het helemaal bij het rechte eind gehad. In de kelder bevonden zich allerlei spullen om vals geld te kunnen maken. Het grootste gedeelte van de ruimte werd in beslag genomen door een glanzende drukpers.

“Ze maken hier briefjes van twintig,” zei Christiaan verrast.

“Wat had jij dan gedacht?” vroeg zijn zusje spottend. “Dat ze snoepverpakkingen maakten?”

“Nee, maar als ik valsemunter was, maakte ik briefjes van vijftig of honderd,” zei Christiaan. “Dan gaat het veel vlugger.”

“Dat is misschien wel zo,” zei de brigadier, die het gehoord had, “maar deze lui zijn juist extra slim. Een briefje van vijftig of honderd wordt door de winkeliers vaak gecontroleerd. Bij een briefje van twintig gebeurd dat nauwelijks. Deze biljetten lijken net echt, dus die schurken hadden waarschijnlijk een hele hoop geld kunnen verdienen, als hun plan gelukt was.”

“Wat zullen ze balen, als ze horen dat ze door een kat zijn verraden,” lachte Christine.

Niet begrijpend keek de brigadier haar aan. Toen Christine hem had uitgelegd, hoe ze het geheim van de oude fabriek ontdekt hadden, zei hij: “Morgen zullen we de hele boel hier uitkammen. Als we die kat vinden en we kunnen de eigenaar niet achterhalen, brengen we hem naar jullie toe.”

“Dat lijkt me een prima plan,” zei Christine.

“Jullie horen in ieder geval nog van ons,” beloofde de politieman. “Maar dat horen jullie nog wel. Het lijkt me beter, dat jullie nu gaan, zodat wij ons werk kunnen doen.”

Snel knipte Marieke nog een stel foto’s van de geheime drukkerij, daarna vertrokken ze.

“Wat gaat er nu met die twee valsemunters gebeuren?” vroeg Christine zich hardop af, terwijl ze naar de Eend liepen.

“O, die belanden voor een paar jaar achter de tralies,” zei Remco.

“Zij liever dan ik!” zei Christiaan.

“Ze hebben er zelf om gevraagd,” zei Marieke. “Geld is vreemd spul. Het maakt het slechtste in de mensen los.”

“Gelukkig weten wij, dat er veel belangrijkere dingen in dit leven zijn,” zei Remco ernstig, terwijl hij zijn autosleutel in het slot stak. “Wij hebben een schat, die niet te betalen is!”