Een bijzondere nacht


Het bleef maar sneeuwen. Steeds langzamer ploeterde de grote, zwaarbeladen vrachtwagen door het glooiende landschap. Hoewel de chauffeur besefte dat het in feite onbegonnen werk was, bleef hij volhouden. Het eentonige gezwiep van de ruitenwissers werkte hypnotiserend en de man had moeite zijn ogen open te houden.

‘Ik moet volhouden,’ hield hij zichzelf keer op keer voor. ‘Verder naar het noorden is het beter.’

De weg voor hem was verlaten en een tegenligger had hij al minstens een halfuur niet meer gezien. Bijna iedereen had de weerwaarschuwing, die via de Duitse radio de ether in was gestuurd, ter harte genomen. Het sneeuwde nu al vierentwintig uur achter elkaar en de verwachting was dat het de hele nacht door zou sneeuwen. Hier, in het zuiden van Duitsland, hadden ze dit jaar in ieder geval een witte kerst.

Het mobieltje in de houder naast het stuur ging over. De chauffeur wierp een blik op de display en zuchtte diep voordat hij de ontvangstknop indrukte.

“Ja,” zei hij kort.

“Waar blijf je nou?” klonk het verwijtend. “Je hebt beloofd dat je met kerst thuis zou zijn.”

“Dat wil ik ook, maar ik ben bang dat het niet gaat lukken.”

“Waar ben je dan?”

“Nog steeds in Zuid-Duitsland. Het sneeuwt hier verschrikkelijk en ik rijd momenteel niet harder dan dertig per uur.”

“Dertig per uur? Maar dan red je het nooit.”

“Dat probeer ik je nu al de hele dag duidelijk te maken.”

“Maar dan zit ik met de kerstdagen alleen en je had beloofd het kerstdiner klaar te maken. Wat moet ik nu? Je weet best dat ik al onze vrienden heb uitgenodigd.”

“Dan bel je die maar af.”

“Volgens mij doe je het erom!”

“Ja, het is mijn schuld dat het hier de hele dag sneeuwt. Denk je dat het voor mij leuk is, de kerstnacht in de cabine van mijn vrachtwagen door te brengen?”

“Je had die rit naar Italië moeten weigeren.”

“Toen ik uit Nederland wegging, was er nog niets aan de hand, dat weet jij net zo goed als ik. Ik zal proberen naar huis te komen, maar kan niets beloven. Als de wegen niet snel beter worden, red ik het zeker niet.”

“Wordt er in Duitsland niet gestrooid?”

“Het pak sneeuw is zo dik, dat er sneeuwschuivers aan te pas moeten komen en ik ben bang, dat die pas morgen worden ingezet.”

“Nou, je wordt bedankt!”

Zonder groet verbrak zijn vrouw de verbinding.

“Ze snapt er niets van,” mompelde de man in het luchtledige.

Hij drukte het gas iets dieper in, in de hoop dat hij daardoor wat sneller vooruit zou komen. Meteen begonnen de banden van de oplegger te slippen. Haastig nam de man gas terug.

‘Ik lijk wel niet goed wijs, dat ik het blijf proberen,’ bedacht hij. ‘Bij de eerstvolgende parkeerplaats zet ik hem aan de kant.’

 

Het duurde nog bijna een halfuur, voordat hij uiteindelijk een parkeerplaats in het vizier kreeg. Bijna was hij er voorbij gereden, want door de sneeuw waren alle borden naast de weg nauwelijks meer te lezen. Net op tijd zag hij de afrit. Met heel veel moeite wist de man de vrachtwagen naar een veilige standplaats te laveren. De sneeuw op de parkeerplaats was zo diep, dat het portier het bovenste laagje wegduwde bij het openen.

‘Wat nu?’ vroeg de chauffeur zich af.

Na even te hebben nagedacht hees hij zich in zijn regenpak. Misschien stonden er op de parkeerplaats lotgenoten. Niet dat hij echt op hun verhalen zat te wachten, maar om nou alleen de kerstavond door te brengen…

Tot zijn verbazing is de parkeerplaats verder helemaal leeg. Blijkbaar hadden de andere chauffeurs wel naar de weerwaarschuwing geluisterd en een veilige plek gezocht waar ze hun auto konden stallen. Hier, op deze afgelegen parkeerplaats, was niemand.

“Wat nu?” vroeg hij zich hardop af. “Verder proberen te rijden of hier blijven?”

Het vooruitzicht de komende uren alleen op deze plaatst te moeten blijven, was niet echt aanlokkelijk, maar verder rijden was in feite ook geen optie.

Hij stond op het punt terug te klimmen in de cabine, toen hij niet ver van de weg heel even een lichtje zag schijnen. Verbeeldde hij het zich, of stond er daar een huis?

Een nieuwe windvlaag zorgde voor zicht van maar een paar meter. Het lichtje was niet meer te zien.

Na een korte aarzeling nam de man een besluit. Hij klom terug in de cabine, pakte zijn tas met schone kleren en toiletgerei en zijn mobieltje, en stapte daarna opnieuw naar buiten.

‘Hopelijk hebben ze bij dat huis voor mij een slaapplaats en een douche,’ dacht hij, terwijl hij in de richting begon te lopen, waar hij het licht had gezien.

Hoewel het huis niet ver weg kon zijn - door de sneeuw was er nauwelijks zicht - duurde het ruim een kwartier voordat hij het licht opnieuw zag. Tegen die tijd was hij al vier keer gestruikeld en had hij zijn regenbroek opengehaald aan prikkeldraad, dat door het dikke pak sneeuw aan het oog werd onttrokken.

Totaal verkleumt en met steenkoude handen en voeten bereikte hij uiteindelijk het huis. Omdat hij nergens een bel kon vinden, klopte hij op de voordeur, maar er werd niet opengedaan. Pas nadat hij twee keer hard op het raam had gebonsd, ging de voordeur op een kier open.

“Wie is daar?” vroeg een man in het Duits.

“Sorry, dat ik zo laat stoor, en dat nog wel op kerstavond,” verontschuldigde de chauffeur zich in zijn beste Duits. “Mijn naam is Wilfred van Galen. Ik ben een Nederlandse vrachtwagenchauffeur. Ik ben hier niet ver vandaan gestrand met mijn vrachtwagen."

“En nu zoekt u hier onderdak voor de nacht,” begreep de Duitser. “Dat komt wel heel beroerd uit!”

“Is dat de dokter?” klonk het vanuit het huis.

“Helaas niet,” antwoordde de Duitser.

“Uw vrouw is ziek,” begreep de vrachtwagenchauffeur. “Dan kom ik inderdaad erg ongelegen.”

“Niet ziek,” legde de Duitser uit. “Ze is in verwachting en over twee weken uitgeteld. Maar vanmiddag zijn de vliezen gebroken.”

“En nu wacht u op de dokter? Ik ben bang dat hij niet kan komen. De wegen zijn onbegaanbaar, zelfs met sneeuwkettingen.”

Op dat moment klonk vanuit het huis een kreet die door merg en been ging.

“Ik moet terug naar mijn vrouw,” verontschuldigde de man zich. “Het gaat niet goed met haar. Het is ons eerste kind.”

Even sloot de chauffeur zijn ogen. Beelden die hij al twee jaar probeerde te verdringen, kwamen weer boven. Een ziekenhuisbed, een vrouw - zijn vrouw -, een levenloos jongetje dat in zijn armen lag.

Wilfred haalde twee keer diep adem, voordat hij aanbood: “Misschien kan ik helpen.”

“Wilt u dat? Hebt u wel eens een bevalling meegemaakt?” Er klonk hoop door in de stem van de Duitser.

Een nieuwe pijnkreet vanuit de woonkamer zorgde ervoor dat hij een besluit nam.

“Kom binnen.”

Zonder verder op de regels van de gastvrijheid te letten, haastte hij zich daarna terug het huis in. Met een zucht duwde Wilfred de huisdeur verder open. Daarbij kon hij niet voorkomen dat een pak sneeuw mee naar binnen schoof. Voordat hij de deur achter zich sloot, probeerde hij de koude, natte massa zo veel mogelijk buiten te sluiten.

Nog even aarzelde hij. Hij kon nog terug. Hij hoefde alleen de deur weer te openen en te verdwijnen in de sneeuwjacht. Niemand zou hem enig verwijt kunnen maken, niemand zou het weten.

Gesnik uit de woonkamer bracht hem weer terug in de realiteit. Had hij niet ooit gezworen dat hij mensen in nood zou bijstaan zo goed als hij kon?

‘God, waarom doet u me dit aan?’ bad hij woordeloos. ‘Waarom ik, waarom hier, waarom nu?’

Er volgde geen antwoord op zijn vragen. Langzaam begon hij zich te ontdoen van zijn regenbroek en winterjas. Al voordat hij daarmee klaar was, riep de man vanuit de kamer: “Help me alstublieft. Het gaat niet goed met mijn vrouw.”

Opeens voelde Wilfred een rust over zich komen, die hij niet meer gevoeld had sinds dat fatale moment in het ziekenhuis. Met zekere stappen liep hij naar de kamer. In één oogopslag overzag hij de situatie: een lijkbleke vrouw lag met gesloten ogen op de bank, haar gezicht verkrampt van de pijn. De man stond er handenwringend naast.

“Waar kan ik mijn handen wassen?” vroeg Wilfred.

Met een hoofdknik wees de man hem de keuken, die aan de kamer grensde.

Wilfred kon een kreet van pijn nauwelijks onderdrukken toen het water over zijn gevoelloze vingers stroomde. Toch zette hij door. De vrouw had hulp nodige, dat was duidelijk, en iedere minuut was er één.

Pas na vijf minuten waren zijn handen genoeg opgewarmd om weer normaal te kunnen functioneren. Al die tijd had de vrouw zich niet bewogen. Voorzichtig legde Wilfred een hand op haar voorhoofd. Er volgde geen reactie.

Tijdens het handenwassen had Wilfred genoeg tijd gehad om na te denken. Hoe kon hij de vrouw helpen?

“Heb je een leeg toiletrolletje?” vroeg hij aan de man.

Toen zijn woorden niet tot de man door leken te dringen, liep Wilfred terug de gang in. Het toilet was gauw gevonden en gelukkig bleek de rol in de houder bijna leeg te zijn. Haastig rolde hij het laatste papier af en maakte er een prop van. Met het papier in de ene en het rolletje in de andere liep hij terug naar de kamer.

Hij knielde bij de bank neer en schoof de jurk die de vrouw droeg naar boven. Zonder zich iets van de verbaasde blikken van de man aan te trekken, zette hij het rolletje op de buik van de vrouw. Het duurde heel lang voordat hij de flauwe hartslag van het kind had gevonden.

Tot zijn opluchting merkte Wilfred, terwijl hij de vrouw verder onderzocht, dat de routine, waarmee hij tientallen bevallingen had begeleid, terug kwam. Maar het drong ook tot hem door, dat hij heel snel moest handelen.

‘Heere God, niet weer!’ bad hij woordeloos.

 

Hoe hij het voor elkaar kreeg, wist Wilfred later niet meer, maar ruim een halfuur later werd er een klein jongetje geboren. De navelstreng zat om zijn nek en zijn gezicht was paarsblauw.

Haastig maakte hij het halsje van het kind vrij, maar het gaf geen teken van leven. Voorzichtig opende Wilfred de mond van het jongetje en maakte die leeg. Met de wijs- en middelvinger van zijn rechterhand begon hij het hartje van het kind te masseren. Nadat hij hem voor de tweede keer beademd had, ging er een schok door het kleine lijfje. Een halve minuut later liet het kind een klaaglijke kreet horen.

Voor het eerst sinds Wilfred gearriveerd was, opende de vrouw haar ogen.

“Hij leeft!” zei ze zacht.

“Hij leeft!” bevestigde Wilfred. Voorzichtig legde hij het jongetje op de buik van de vrouw. Er stonden tranen in zijn ogen.

 

Meer dan een uur later zat Wilfred samen met de man aan de eetkamertafel. Het was inmiddels allang eerste kerstdag. Samen hadden ze de vrouw verder geholpen en naar bed gebracht. Het kindje had voor het eerst bij zijn moeder gedronken en leek geen nare gevolgen te hebben overgehouden aan zijn benauwde avontuur. Tevreden lag het in zijn wiegje, naast het bed van zijn ouders, te slapen.

“Wie bent u?” vroeg de kersverse vader, terwijl hij voor zichzelf en voor zijn gast iets te drinken neerzette. “Bent u een engel?”

“Ik een engel?” Wilfred schoot in de lach. “Ik ben maar een gewone vrachtwagenchauffeur.”

“Daar geloof ik niets van!”

“Mijn vrachtwagen staat op een parkeerplaats bij de snelweg. Als u me niet gelooft, moet u maar gaan kijken.”

“Ik heb God gebeden om hulp en opeens was u daar! Ik was ten einde raad, maar u wist precies wat u moest doen. U maakt mij niet wijs dat u een ‘gewone’ vrachtwagenchauffeur bent.”

Even aarzelde Wilfred, toen zei hij zacht: “U hebt wel een beetje gelijk, maar ik ben wel degelijk trucker. Bijna twee jaar geleden ben ik van baan veranderd en sindsdien rijd ik half Europa door.”

“Op zoek naar wat?”

Getroffen keek Wilfred zijn gastheer aan. “Hoe weet u dat?”

“Er moet een reden zijn dat een ervaren arts zijn baan opzegt en vrachtwagenchauffeur wordt, zo moeilijk is dat niet.”

“Het was ook een jongetje,” zei Wilfred zacht. “Ons eerste kindje. Ik heb hém niet kunnen redden.”
Met een troostend gebaar legde de Duitser zijn hand op Wilfreds arm.

“Maar nu heeft God u hier vanavond heengebracht om ons kind en mijn vrouw te redden. Is dat niet wonderlijk?”

 

Acht maanden later, op een zonnige middag in juli, stopte een grijze BMW op de parkeerplaats aan de snelweg. Dokter Wilfred van Galen stapte uit, liep om de auto heen en hield het portier voor zijn vrouw open. Het kostte haar wat moeite uit te stappen, omdat haar buik al aardig in de weg begon te zitten.

“Hier was het,” zei de dokter. “Het huis van de familie Baumann moet daar ergens staan.”

“Weet je zeker dat je je niet vergist?” vroeg zijn vrouw, terwijl ze haar hand op zijn arm legde. “Ik zie nergens een huis.”

“Het moet er zijn,” hield de dokter vol. “Kom, laten we eerst maar naar ons hotel gaan, zodat jij kunt uitrusten, dan gaan we morgen op bezoek bij de familie Baumann.”

 

Hun zoektocht duurde uiteindelijk bijna een week. Niemand bleek ooit van de familie Baumann te hebben gehoord en het huis leek van de aardbodem te zijn verdwenen. Toen ze ten einde raad naar het gemeentehuis in een naburige plaats gingen, om uit te zoeken of er een klein jongetje stond ingeschreven, dat het jaar daarvoor op Eerste Kerstdag was geboren, bleek dit niet het geval te zijn. Voor de Van Galens zat er niets anders op dan terug te gaan naar huis.

“Weet je zeker dat je het niet hebt gedroomd?’ vroeg Annie van Galen, onderweg naar het noorden.

“Heel zeker,” knikte Wilfred.

“Er schiet me ineens iets te binnen,” vervolgde hij. “Baumann vroeg mij, of ik een engel was. Zou het omgekeerde ook het geval kunnen zijn?”