Verhalenarchief 2010-2011 - November 2011

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mail

Inhoudsopgave
Verhalenarchief 2010-2011
September 2010
Oktober 2010
November 2010
December 2010
Januari 2011
Februari 2011
Maart 2011
April 2011
Mei 2011
Juni 2011
Juli 2011
Augustus 2011
September 2011
Oktober 2011
November 2011
December 2011
Alle pagina's

 

AANSLAG TUSSEN RIOLERINGSBUIZEN

Met een kalm gangetje reed Remco Jongeneel in zijn oude Eend over de N34 naar Hardenberg. Zijn collega, de fotografe Marieke Wielinga, zat naast hem.

“Er zijn hier in de buurt écht veel campings, hè,” constateerde Marieke.

Remco knikte instemmend.

“Ik heb hier zelf ook wel eens gekampeerd,” vertelde hij. “Op de Kleine Belties, vlakbij Hardenberg.”

“Dat meen je niet!”

“Samen met mijn ouders,” vervolgde Remco. “Ik denk dat ik een jaar of tien was.”

Hij grinnikte toen hij eraan terugdacht. “De tweeling was toen uiteraard nog klein. We moesten hen constant in de gaten houden. Het grootste gedeelte van de dag waren Christine en Christiaan in de spartelvijver op het terrein te vinden.”

“Volgens mij is die hele camping momenteel één grote spartelvijver,” zei Marieke somber. “We hebben dit jaar een zomer om gauw te vergeten.”

“Gelukkig is het vandaag droog,” zei Remco.

“Heb jij een beetje zin om naar de Wavin te gaan?” vroeg Marieke nieuwsgierig.

“Niet echt,” zei Remco eerlijk. “Zoals je weet heb ik een hekel aan klussen. Ik heb op de website van de Wavin gekeken en daar gezien dat ze heel veel artikelen maken die daarmee te maken hebben.”

“Ik vind het hele idee om deze zomer een reeks artikelen te schrijven over bedrijven die belangrijk zijn voor een stad of dorp, eigenlijk een beetje onzin,” vond Marieke. “Volgens mij zitten de lezers van het Christelijk Dagblad daar helemaal niet op te wachten.”

“Alleen die mensen, die wat met dat bedrijf te maken hebben, vinden het waarschijnlijk interessant,” veronderstelde Remco. “Maar ja, de krant moet vol, ook in komkommertijd.”

“Waarom is er eigenlijk voor de Wavin gekozen?” vroeg Marieke zich hardop af. “Kijk, dat we naar Philips in Eindhoven moesten en naar de hoogovens van Corus in IJmuiden snap ik, maar de Wavin…? Eerlijk gezegd had ik nog nooit van dat bedrijf gehoord.”

“Onze geliefde hoofdredacteur Erik Drent heeft waarschijnlijk familie die daar werkt,” lachte Remco. “En als ik het goed begrepen heb, werken er nogal wat lezers van onze krant bij de Wavin.”

“Ik zal blij zijn als het erop zit,” zei Marieke.

 

Een halfuurtje later meldden ze zich bij de receptioniste van de Wavin.

“Jullie worden verwacht,” zei ze vriendelijk.

Het meisje bracht Remco en Marieke naar een vertrek, dat waarschijnlijk als vergaderruimte gebruikt werd. Er stond een grote tafel, met daaromheen acht stoelen. Aan één van de muren was een scherm gemonteerd en aan het plafond hing een beamer.

“Ga zitten,” zei de receptioniste. “Er komt zo iemand bij u. Wilt u vast koffie?”

“Graag,” zeiden Marieke en Remco, precies tegelijk.

Al voordat de koffie gebracht werd, kwam een vrouw van een jaar of veertig het vertrek binnen. Remco en Marieke, die waren gaan zitten, kwamen meteen overeind om haar de hand te schudden. De vrouw droeg een keurig donkerblauw mantelpakje, met daaronder een kreukloze witte blouse. Het jasje werd opgesierd door een gouden broche, ingelegd met een paar kleine diamanten.

‘Niet echt kleding om naar je werk aan te trekken,’ dacht Marieke verwonderd. ‘Blijkbaar hoopt ze dat we ook een foto van haar bij het artikel plaatsen.’

“Goedemorgen,” zei de vrouw op zakelijke toon. “Ik ben mevrouw Plaggermars, Head Sales Representative en Promotion.”

‘Met andere woorden, hoofdvertegenwoordiger,’ dacht Remco geamuseerd. ‘Ik had niet gedacht dat ze in Hardenberg ook al de gewoonte hebben om alles te verengelsen.’

“Waarschijnlijk had u geen vrouw op deze functie verwacht,” vervolgde mevrouw Plaggermars, “maar dat ben ik al gewend. Ook binnen de fabriek heeft mijn benoeming, een paar maanden geleden, de nodige weerstand opgeroepen. Er doen allerlei verhalen de ronde, die nergens op slaan, maar daar sta ik uiteraard boven. Ik heb de functie gekregen omdat ik daarvoor het best gekwalificeerd ben. Ik hoop dat dit duidelijk is.”

‘Wat een raar mens,’ dacht Marieke. ‘Ze schiet meteen in de verdediging, terwijl er niemand is die haar aanvalt.’

Remco schoof wat ongemakkelijk heen en weer en zei toen: “Dan hebben we in ieder geval met de juiste persoon te maken. U weet wat de bedoeling is?”

“Uiteraard,” zei de vrouw, op een toon van: ‘Hoe durf je daaraan te twijfelen?’ “Ik heb het volgende programma samengesteld. Terwijl u uw koffie opdrinkt, kijken we samen naar een power-point presentatie en een korte film van ons bedrijf. Daarna leid ik u rond door de fabriek. Onderweg kunt u vragen stellen aan verschillende medewerkers. Niet aan alle, want dat zou het productieproces verstoren, maar aan de mensen die ik aan u zal voorstellen. Aan het einde van de rondleiding komen we hier weer terug en zal ik uw overgebleven vragen beantwoorden. O ja, voordat u uw verhaal gaat publiceren, wil ik inzage hebben in het artikel, om eventuele onjuistheden te kunnen corrigeren. Is het tot zover duidelijk?”

Remco wist het: “Ja, juf,” dat op het puntje van zijn tong lag, nog net in te slikken. Wat een vreemd mens, zeg. Hij vermoedde dat het haar de nodige moeite gekost had zich binnen de Wavin op te werken, maar als ze zich tegenover haar collega’s net zo gedroeg als tegen Marieke en hem, was dat geen wonder.

 

Een halfuur later en heel wat informatie rijker wandelden ze door de fabriek. Aan het begin van de rondleiding had zich een man bij hen gevoegd, die tekst en uitleg gaf over het productieproces. Blijkbaar wist mevrouw Plaggermars er niet genoeg van om de rondleiding alleen te doen. De man, die zich voorstelde als Jan Heutink, was een heel ander type dan de vrouw. Hij lachte veel en gemeend, waardoor het gezicht van mevrouw Plaggermars steeds strakker kwam te staan. Het viel Remco op dat hij haar aansprak als mevrouw, en niet bij haar voornaam, wat toch veel logischer zou zijn.

De belangrijkste producten die bij de Wavin gemaakt werden, waren rioleringsbuizen met een verschillende doorsnee en lengte. De buizen waren hoog opgestapeld langs de muren van de hal aan weerszijden van de gang waardoor ze liepen. Ongeveer twee meter onder het dak was een looppad aangebracht van zo’n vijfenzeventig centimeter breed. Een ijzeren balustrade zorgde ervoor dat de mensen die op deze galerij liepen niet naar beneden vielen. Aan die balustrade waren brede sjorbanden bevestigd, die over de opgeslagen buizen waren gespannen. Beneden, op de grond, waren de banden vastgemaakt aan metalen palen van ongeveer anderhalve meter hoog. Elke stapel buizen werd door drie van deze sjorbanden en palen op zijn plaats gehouden.

Marieke, die al de nodige foto’s had gemaakt, bleef even achter om een foto te maken van mevrouw Plaggermars, Jan Heutink en Remco, tussen de grijze buizen, omdat ze vermoedde dat dit een mooi plaatje zou opleveren. Tevreden constateerde ze dat dit inderdaad het geval was. Het drietal leek behoorlijk nietig tussen de immense voorraad rioleringsbuizen.

Terwijl ze haar camera scherp stelde, zag ze in de linkerbovenhoek van het schermpje wat bewegen. Vergiste ze zich, of had de man, die boven op de galerij liep, een grote tang in zijn handen?

Toen ze op hem inzoomde, kreeg ze zekerheid. De man had inderdaad een tang bij zich en stond op het punt die te gebruiken.

Marieke slaakte een kreet van schrik.

Zodra Remco de stem van Marieke hoorde, wist hij dat er iets flink mis was. Marieke was er het type niet naar om het bij het minste of geringste op een gillen te zetten.

“Wegwezen hier,” riep hij. Hij pakte mevrouw Plaggermars bij haar linkerarm en Jan Heutink bij zijn rechter. Daarna begon hij te rennen.

Allebei de medewerkers van Wavin, die er niets van begrepen, probeerden zich los te rukken. Het lukte Jan Heutink, die veel sterker was dan Remco, maar mevrouw Plaggermars werd tegen haar wil door Remco meegesleurd.

“Laat me los!” De stem van de vrouw sloeg over.

Remco gaf geen antwoord. Zijn ogen werden groot van ontzetting toen de stapel buizen naast hem in beweging kwam; eerst langzaam en daarna steeds sneller.

Als Marieke een paar tellen later had gewaarschuwd, waren zowel Remco als mevrouw Plaggermars en Jan Heutink onder de vallende buizen bekneld geraakt. Dankzij Remco’s snelle reactie had hij zichzelf en de vrouw in veiligheid weten te brengen, voorbij de stapel losgeraakte buizen.

Jan Heutink had minder geluk. Hij had het gevaar te laat ingezien en niet aan de vallende buizen kunnen ontsnappen. Toen Remco omkeek zag hij tot zijn ontzetting alleen een grote stapel buizen, die kriskras door elkaar lagen. Hun gids was nergens te bekennen. Tot zijn opluchting zag hij dat Marieke veilig aan de andere kant van de ravage stond. Zo te zien mankeerde haar niets.

“Kijk uit!” riep ze hem toe. “Straks komt de volgende stapel ook naar beneden!”

Remco keek opzij, naar de stapel buizen naast hem. De drie sjorbanden zaten nog keurig op hun plaats.

“Er is daar boven een man!” waarschuwde Marieke.

Remco wist genoeg.

“Hoe kom ik daar?” vroeg hij aan mevrouw Plaggermars.

Ze gaf geen antwoord. De vrouw was op de grond gaan zitten en huilde met gierende uithalen.

“Bel 112!” riep hij Marieke toe.

Marieke had zijn advies niet nodig en was al aan het bellen. Intussen kwamen steeds meer medewerkers van de Wavin aangerend, opgeschrikt door het lawaai van de vallende buizen.

“Er ligt iemand onder,” zei Remco tegen de mannen die als eersten arriveerden.

Haastig begonnen een paar mannen aan de buizen te trekken. Door hun onbeheerste actie kwam de buizen opnieuw in beweging. Geschrokken deinsden ze terug.

“We moeten bovenaan beginnen,” constateerde één van hen.

“Wie ligt er onder?” vroeg een ander. Daarbij keek hij naar mevrouw Plaggermars, die nog steeds op de grond zat. Ze huilde niet meer, maar zat verdwaasd voor zich uit te kijken.

“Jan Heutink,” antwoordde Remco in haar plaats.

“Wat is er gebeurd?”

“Waarschijnlijk is één van de spanbanden geknapt en konden de twee andere banden het gewicht van de lading buizen niet dragen,” legde Remco uit.

De man met wie hij sprak, schudde zijn hoofd.

“Onmogelijk! Die banden zijn zo sterk, dat ze een veelvoud van het gewicht van de buizen kunnen houden. En ze worden regelmatig gecontroleerd. Zodra we zien dat de banden slijtageplekken vertonen, worden ze vervangen. Iets dergelijks is nog nooit eerder gebeurd.”

Remco stond op het punt de man te vertellen, dat Marieke iemand op de balustrade had gezien, maar bedacht zich. De mensen in de fabriek zouden er snel genoeg achter komen dat het geen ongeluk was, maar dat er opzet in het spel was. Het was nu eerst zaak Jan Heutink uit zijn benarde positie te bevrijden.

Hij keek naar mevrouw Plaggermars, die nog altijd geen aanstalten maakte overeind te komen.

‘Gezien haar functie zou zij hier de leiding moeten nemen,’ bedacht Remco. Hij probeerde haar overeind te helpen, maar de vrouw weerde hem af.

“Het is mijn schuld,” mompelde ze, zo zacht dat alleen Remco het kon verstaan.

Remco haalde zijn schouders op. Dit was echt zo’n opmerking waar hij niets mee kon. Hoe kon iemand schuldig zijn aan iets, waarvan zijzelf bijna het slachtoffer was geworden?

Op dat moment voegde Marieke zich bij hem. Op de één of andere manier had ze kans gezien om de ravage heen te lopen.

“Ik let wel op haar,” zei ze zacht tegen Remco.

Remco begreep meteen wat ze bedoelde.

“Goed,” fluisterde hij terug. “Dan ga ik boven kijken.”

“Doe voorzichtig,” waarschuwde Marieke. “Misschien zit hij er nog.”

“Dat lijkt me stug,” zei Remco. Hij keek om zich heen, op zoek naar een trap waarlangs hij de balustrade kon bereiken. Uiteindelijk ontdekte hij die helemaal aan het eind van de hal, tegen de buitenmuur.

Terwijl hij er naar toe rende, keek hij zoekend om zich heen, op zoek naar iets dat hij eventueel als wapen kon gebruiken. Helaas zag hij niets bruikbaars. De hal bevatte niets anders dan kunststof buizen.

Bij de trap aangekomen, haalde hij zijn schouders op. De dader was waarschijnlijk toch al lang en breed gevlogen. Terwijl hij de trap beklom, hoorde hij in de verte het geluid van een sirene.

Boven aangekomen bleek dat hij het bij het rechte eind had. De balustrade was leeg. Wel zag hij in de verte, op de plaats waar de buizen naar beneden waren gekomen, iets liggen.

Haastig liep Remco er naartoe. Op de grond lag een grote tang, die normaal gesproken gebruikt werd om dikke leidingen door te knippen. De dader had niet de moeite genomen die op zijn vlucht mee te nemen.

Remco had de neiging de tang op te pakken, maar wist zich te beheersen. Hoewel hij het betwijfelde, was het mogelijk dat er vingerafdrukken op het gereedschap zaten.

Hij keek naar beneden, waar inmiddels de eerste politieagenten gearriveerd waren. Ze stonden met Marieke en mevrouw Plaggermars, die eindelijk overeind was gekomen, te praten. Eén van hen keek naar boven.

Remco wenkte hem en riep: “U kunt beter even hier naartoe komen.”

Na een kort overleg, kwamen twee agenten naar Remco toe. Zonder iets te zeggen wees Remco eerst naar de tang en daarna naar de uiteinden van de sjorbanden, die aan het hek vastzaten.

“Het is dus geen ongeluk,” stelde één van de agenten vast.

“Er is opzet in het spel,” knikte Remco. “Mijn collega heeft het gezien.”

“Wie bent u en wie is uw collega?” wilde de politieman weten.

“Ik ben Remco Jongeneel, journalist van het Christelijk Dagblad,” stelde Remco zich voor. “En de jongste van die twee vrouwen daar is mijn collega Marieke Wielinga.”

“Het Team!” zei de andere politieman. Toen hij Remco’s verbaasde gezicht zag, voegde hij er met een grijns aan toe: “Hier in Hardenberg zijn heel veel mensen die jullie krant lezen.”

“Goed,” zei de eerste agent, die kennelijk de leiding had. “We zullen eerst de sporen veilig moeten stellen. Albert, zorg ervoor dat er niemand naar boven gaat. Hebt u die tang of de reling aangeraakt?”

Remco schudde zijn hoofd.

“Mooi, dan hoeven we straks alleen een afdruk van de zolen van uw schoenen te maken,” stelde hij vast. “Gaat u met me mee, meneer Jongeneel. Wij willen u graag als eerste een aantal vragen stellen.”

Remco knikte instemmend. Hij had niet anders verwacht. Wel zei hij: “Ik denk dat mijn collega u meer kan vertellen. Zij heeft hier iemand gezien en ons gewaarschuwd. Mevrouw Plaggermars en ik wisten weg te komen, maar Jan Heutink had minder geluk. Hij werd door de buizen bedolven.”

Hij keek naar beneden, waar de mannen er gelukkig in waren geslaagd de buizen, waaronder hun onfortuinlijke collega lag, te verwijderen. Zelfs vanaf de balustrade was duidelijk te zien dat Jan er niet al te best aan toe was. Hij bewoog niet en zijn voorhoofd zat onder het bloed. Gelukkig waren er inmiddels ook twee ambulances gearriveerd. Eén van de ambulancebroeders was bezig een kraag rond de nek van het slachtoffer aan te brengen. Remco zag dat ze hem daarna heel voorzichtig op een brancard legden, die daarna haastig naar de uitgang werd gereden.

‘Hij is dus niet in coma,’ constateerde Remco opgelucht. ‘Anders zouden ze vast en zeker te plekke geprobeerd hebben hem te reanimeren.”

 

Tien minuten later zaten hij en Marieke tegenover een andere politieman in hetzelfde vertrek waar hun rondleiding bij de Wavin was begonnen. Remco had min of meer verwacht, dat hij en Marieke afzonderlijk zouden worden verhoord, maar dat bleek niet het geval te zijn.

Nadat hij allerlei gegevens, zoals hun namen, leeftijd en dergelijke had genoteerd, vroeg rechercheur Wits waarom ze naar Hardenberg waren gekomen. Terwijl Marieke en Remco hem het doel van hun bezoek aan de Wavin uitlegden, knikte hij af en toe instemmend.

“Wie wisten er allemaal dat jullie vandaag een rondleiding door de fabriek kregen?” wilde Wits weten.

“Geen idee,” antwoordde Remco. “Uiteraard weten onze collega’s in Amersfoort dat we hier zijn, maar wie het bij de Wavin wisten..? Ik denk dat u dat beter aan mevrouw Plaggermars kunt vragen.”

“Ik neem aan dat Jan Heutink het ook wist,” zei Marieke.

“Jan Heutink is het slachtoffer?” Het was meer een constatering dan een vraag.

“En de receptioniste was ook op de hoogte,” bedacht Marieke. “Er is nooit geheimzinnig gedaan over onze komst.”

“Dus alle medewerkers van de fabriek konden het weten?”

“Dat denk ik wel,” knikte Remco.

“Ik wil dat jullie over de volgende vraag die ik ga stellen, goed nadenken,” vervolgde rechercheur Wits. Hij stopte even en vroeg toen: “Kan het zijn dat de aanslag tegen jullie gericht was?”

Verbaasd keken Remco en Marieke elkaar aan. Daar hadden ze allebei nog niet aan gedacht.

“Het zou kunnen,” aarzelde Marieke.

“De afgelopen jaren hebben we ervoor gezorgd dat er heel wat schurken achter de tralies zijn beland,” vulde Remco haar aan. “Maar waarom die juist hier en nu zouden toeslaan…”

“Misschien werkt één van hen nu hier, en heeft hij gehoord dat jullie vandaag op bezoek zouden komen,” opperde Wits. “Als dat zo is hebben we een motief.”

“Dan zouden we aan de directie moeten vragen of we de personeelslijsten mogen bekijken, om te zien of er een bekende naam op voorkomt,” zei Marieke.

“Het kan net zo goed iemand van buiten de Wavin zijn,” zei Remco somber. “Volgens mij is het niet moeilijk om hier overdag ongezien binnen te komen.”

“Dat denk ik ook niet,” was de rechercheur het met hem eens.

“De man droeg in ieder geval een overall van de Wavin,” herinnerde Marieke zich. Ze pakte haar fototoestel, dat voor haar op tafel lag. “Misschien staat hij wel op één van de foto’s die ik gemaakt heb.”

“U hebt foto’s gemaakt?” zei Wits verrast. “En dat vertelt u nu pas!”

“Ik ben fotografe,” hielp Marieke hem herinneren. “Het is mijn werk foto’s te maken. Maar ik denk niet dat we daar veel aan hebben. Of het moet zo zijn dat hij nog net op de foto staat, die ik heb gemaakt van Remco, Jan Heutink en mevrouw Plaggermars, tussen de buizen, vlak voor het ongeluk.”

Ze zette het toestel aan op de stand waarop ze de gemaakte foto’s terug kon kijken. Omdat de genoemde foto de laatste was die ze gemaakt had, verscheen die als eerste in beeld.

Remco, die over haar schouder meekeek, zei opgewonden: “Kijk, daar bovenin, die blauwe vlek! Dat moet hem zijn!”

Marieke was al bezig in te zoomen. Ondanks het feit dat ze een professionele camera had, lukte het niet een helder beeld van de man te krijgen. Zwijgend overhandigde ze het fototoestel aan de rechercheur. Een beetje tot haar verbazing reageerde die enthousiast.

“Gelukkig hebt u een camera met een hoge resolutie,” zei hij. “Met een professioneel bewerkingsprogramma zal het onze experts weinig moeite kosten er een afdruk van te maken die scherp genoeg is om de dader te herkennen. Mag ik de kaart van u hebben?”

Geschrokken keek Marieke hem aan.

“We kopiëren hem eerst naar mijn laptop,” zei Remco, die begreep waar bij Marieke de schoen wrong.

“Dat moet dan maar,” knikte Marieke.

 

Terwijl Remco bezig was de bestanden van de kaart over te zetten op zijn laptop, kwam een andere politieman het vertrek binnen.

“Mevrouw Plaggermars is helemaal van de kaart,” zei hij tegen Wits. “Ze blijft maar beweren dat het haar schuld is. Verder is er geen zinnig woord uit te krijgen.”

“Dat zei ze tegen mij ook,” herinnerde Remco zich.

“Dat zijn geen zaken die we bespreken in het bijzijn van getuigen, Hoving, ” wees Wits hem terecht. “Zeker niet als die getuigen ook nog eens bij een krant werken.”

“Ik had begrepen dat zij ook slachtoffer waren,” verontschuldigde Hoving zich.

“Ik denk dat ik wel weet, wat mevrouw Plaggermars bedoelt met: ‘Het is mijn schuld’,” zei Marieke.

“Journalisten weten altijd alles beter!” zei Hoving op minachtende toon.

“Kent u mevrouw Plaggermars?” kaatste Marieke de bal terug.

Toen de rechercheur geen antwoord gaf, vervolgde ze: “Ik ben bang dat mevrouw Plaggermars niet veel vrienden heeft binnen de Wavin. Het is duidelijk dat ze het idee heeft dat ze zich constant moet bewijzen als vrouw in een mannenwereld. Daardoor heeft ze zich niet geliefd gemaakt.”

“Jan Heutink sprak haar aan als mevrouw, niet bij haar voornaam,” voegde Remco er aan toe. “Hoe is het eigenlijk met hem?”

“Naar omstandigheden goed,” wist rechercheur Hoving. “Hij heeft een hoofdwond en een paar gebroken ribben, als ik het goed heb begrepen. Hij ligt hier in het ziekenhuis, maar is niet in levensgevaar.”

“Gelukkig maar,” zeiden Remco en Marieke, precies tegelijk.

“Dus jullie denken dat de aanslag voor mevrouw Plaggermars bestemd was,” zei Wits.

“Dat is ze volgens mij zelf ook van overtuigd,” zei Marieke. “Ik denk dat u maar eens met de directie van de Wavin om de tafel moet gaan zitten. Zij kunnen u vast wel vertellen wie van hun medewerkers er ook naar haar baan hebben gesolliciteerd. Tien tegen één dat één van hen de dader is.”

“Dat had ik zelf ook al bedacht,” zei Wits, een beetje zuur. Hij stak zijn hand uit, om het SD kaartje van Marieke in ontvangst te nemen. “Wat mij betreft kunnen jullie gaan. Ik bel jullie wel als we de dader te pakken hebben.”

 

Rechercheur Wits hield woord. Hij belde nog dezelfde middag.

Met behulp van de uitvergrote foto was het niet moeilijk geweest de dader van de aanslag op te sporen. De man had inderdaad uit jaloezie gehandeld. Hij was woedend geweest toe mevrouw Plaggermars de baan had gekregen en had op deze manier wraak willen nemen. Hij had verklaard dat het niet zijn bedoeling was geweest, haar iets aan te doen, maar alleen om haar schrik aan te jagen.

Aan het eind van het telefoongesprek had Wits nog een verrassende mededeling.

“Weten jullie waarom mevrouw Plaggermars zei dat het haar schuld was? Ze heeft toegegeven dat zij eigenlijk helemaal niet de juiste persoon was voor de baan. Ze heeft gelogen over haar opleiding om de baan te krijgen. Ze stelde zich zo afstandelijk op, omdat ze bang was door de mand te vallen als ze op te vriendschappelijke voet kwam te staan met haar collega’s. Ze heeft op staande voet ontslag gekregen.”

“Asjemenou!” zei Remco. Hij nam afscheid van de rechercheur en verbrak de verbinding. Toen hij Marieke vertelde wat hij zojuist gehoord had, zie die: “Jaloezie is een raar ding. Gelukkig dat de leugen bijna altijd wordt achterhaald door de waarheid.”

“De leugen regeert,” knikte Remco. “Gelukkig komt er een tijd dat er een eind komt aan alle ellende.”

“Wat mij betreft mag dat vandaag gebeuren,” zei Marieke.