DIEVEN OP DE BOUWPLAATS

“Remco, je wordt bij de directeur verwacht.”

Geschrokken hield Remco Jongeneel de hoorn van zijn telefoon wat verder van zijn oor.

“Wat is er aan de hand?" vroeg hij aan Erik Drent.

“Dat weet ik niet,” zei de hoofdredacteur. “Maar ik geloof dat het nogal dringend is.”

“Vooruit dan maar,” zuchtte Remco. Hij legde de hoorn op de haak, controleerde of z’n kleren netjes waren en slofte de redactie af. Voor de deur van het kantoor bleef hij staan. Meneer Minnema, de directeur, bemoeide zich eigenlijk nooit met journalisten zoals hij. Dat liet hij aan zijn hoofdredacteur over. Minnema zorgde er vooral voor dat de krant financieel gezond bleef. Remco sprak hem bijna nooit, alleen bij bijzondere gelegenheden, zoals de nieuwjaarsreceptie.

Met lood in de schoenen klopte hij op de deur. Straks kreeg hij te horen dat hij werd ontslagen. Remco wist dat door de crisis het aantal abonnees was gedaald en dat er minder geadverteerd werd.

Zodra hij geklopt had klonk de stem van de directeur: “Binnen.”

Minnema keek op van zijn papieren. Toen hij Remco zag, zei hij: “Aha, daar ben je al. Ga zitten.”

Tot Remco’s opluchting klonk de stem van de directeur vriendelijk.

“Hoe gaat het?” vroeg hij, nadat Remco op de stoel tegenover hem was gaan zitten.

“Gewoon, z’n gangetje. Niets bijzonders, meneer.”

“Dus je zit momenteel niet midden in één of ander spannend avontuur?”

“Gelukkig niet, meneer,” antwoordde Remco. “Hoewel ik het natuurlijk wel leuk zou vinden weer eens met een leuke primeur naar de redactie te komen.”

“Tja,” zei meneer Minnema. “Het werk van een journalist is iedere dag weer anders. Soms gebeurt er weken niets en op andere dagen is het hier zo druk, dat we het werk niet aankunnen. Dat zal ook altijd wel zo blijven.”

“Het is inderdaad hollen of stilstaan,” knikte Remco. Hij vroeg zich af waar de directeur naartoe wilde.

“Heb je het zaterdag druk?” vroeg meneer Minnema.

“Ach, meestal vermaak ik me wel op mijn vrije dag, maar als u wilt dat ik extra kom werken ...”

“O, nee,” zei de directeur. “Met de kantoorbezetting voor de zaterdagen bemoei ik me niet. Dat laat ik aan Erik Drent over. Ik zal maar meteen met de deur in huis vallen: zou je een privéklusje voor me willen doen?”

“Dat hangt er vanaf!” zei Remco eerlijk. “Ik heb twee linkerhanden, dus als het om een klus in of om het huis gaat, kunt u beter iemand anders vragen.”

“Ik heb je handen niet nodig, maar je neus,” lachte de directeur.

“M’n neus?” Remco snapte er niets van.

“Je speurneus,” legde Minnema uit. “Uiteraard lees ik het Christelijk Dagblad iedere dag van A tot Z en regelmatig staan er verhalen in hoe jij misdaden oplost.”

“In de meeste gevallen was dat meer geluk dan wijsheid,” zei Remco vlug.

“Dat maakt niet uit, opgelost is opgelost,” vond de directeur. “Luister, ik heb een probleem. Zoals je waarschijnlijk wel weet ga ik over niet alle te lange tijd met pensioen. Daarom hebben mijn vrouw en ik besloten een bungalow te laten bouwen in de buurt van Scherpenzeel. Weet je waar Scherpenzeel ligt?”

Remco knikte instemmend.

“In de buurt van Barneveld,” wist hij.

“Precies. Een prachtig plaatsje. Mijn vrouw komt er vandaan, vandaar. Ik heb daar een stuk grond gekocht en een bevriende architect heeft in overleg met ons een huis ontworpen. Alles gelijkvloers, zodat we geen trappen meer hoeven te lopen. We hopen er samen oud te worden.”

‘Schiet op, man,’ dacht Remco. ‘Ik heb nog meer te doen!’

“Inmiddels is de bouw in volle gang,” vervolgde de directeur. “Het vervelende is alleen, dat er in het weekend en ’s avonds regelmatig bouwmaterialen worden gestolen. Er staat uiteraard een hek om het bouwterrein, maar daar trekken de dieven zich niets van aan. Afgelopen zaterdag heb ik zelf een oogje in het zeil gehouden, en toen is er niets gebeurd. Nou moet ik erbij zeggen, dat ik het ook niet al te tactisch heb aangepakt. Ik heb mijn auto in de buurt neergezet en heb de hele dag op de uitkijk gezeten. Ik denk dat ik een beetje te oud ben om me in het bos achter het bouwterrein te verschuilen.”

Remco schoot in de lach. Hij zag het al voor zich, de keurige meneer Minnema, die zich in de bosjes schuilhield.

“U wilt zeker dat ik aanstaande zaterdag de boel in de gaten houd,” begreep hij.

“Precies!” knikte de directeur opgelucht.

 

Zaterdags reed Remco, samen met Marieke, die hem wel wilde helpen, in zijn oude Eend via Nijkerk, waar ze de tweeling Christine en Christiaan oppikten, naar Scherpenzeel. Het duurde even voordat ze de plek hadden gevonden, waar de familie Minnema de bungalow liet bouwen. Met een kalm gangetje reed Remco er langs. Hij parkeerde de Eend een heel stuk verderop en daarna hielden ze krijgsraad. Uiteindelijk werd besloten dat Remco en Marieke de voorkant en de rechterzijkant in de gaten zouden houden en de tweeling de achterkant en de linkerzijkant. Met hun mobieltjes, die ze uiteraard op de trilstand hadden staan, zouden ze contact met elkaar houden.

Twee aan twee slopen ze daarna naar de bouwplaats. Daar viel weinig bijzonders te ontdekken. Remco had er geen idee van, hoe lang het nog zou duren voor het huis van de familie Minnema af moest zijn. De binnenmuren stonden er al en metselaars waren bezig met een buitenmuur van rode baksteen. Je kon al duidelijk zien waar de deuren en ramen kwamen.

Om de bouwplaats heen was een ijzeren hek geplaatst. Het was ongeveer twee meter hoog.

“Ik denk niet dat het moeilijk is daar overheen te klimmen,” zei Remco. “Ik zie nergens prikkeldraad en ik kan me niet voorstellen dat het hek onder stroom staat.”

“Jij liever dan ik!” antwoordde Marieke.

“Zal ik het eens proberen?” stelde Remco voor.

“Ben je mal,” schrok Marieke. “Straks komt er toevallig een politiewagen voorbij en denken de agenten dat jij de dief bent. Minnema heeft vast wel aangifte gedaan van de diefstal. Wat is er eigenlijk gestolen?”

“Van alles,” vertelde Remco, “stenen, hout, isolatiemateriaal…”

Hij werd onderbroken doordat hij zijn mobieltje in zijn broekzak hoorde trillen. Haastig haalde hij het voor de dag. Het was een sms’je  van Christiaan: “Zien jullie al iets verdachts?”

Marieke schoot in de lach toen Remco haar het berichtje liet lezen.

“Die is wel erg optimistisch,” zei ze.

 

Langzaam kropen de minuten voorbij. Remco en Marieke fluisterden met elkaar over van alles en nog wat en aan de andere kant van het gebouw deden Christiaan en Christine hetzelfde. Zodra er verkeer over de weg naderde, hielden ze hun mond, maar telkens opnieuw was het loos alarm.

“Tjonge,” zei Marieke na een uur. “Ik had niet verwacht dat het zo saai zou zijn.”

“Misschien komt er de hele dag wel niemand,” zei Remco somber. “Wat heb ik zin in een kop koffie!”

“O,” zei Marieke, “maar daar heb ik wel een oplossing voor.”

Ze maakte de grote boodschappentas, die ze bij zich had, open en haalde er een thermoskan en vier plastic bekers uit.

“Lusten je broertje en zusje ook koffie?” vroeg ze.

“Ze drinken het wel, maar ze hebben liever frisdrank. Volgens mij hebben ze van mijn moeder een fles cola meegekregen.”

“En aan jou heeft ze niet gedacht?”

“Ze vindt dat ik oud en wijs genoeg ben om voor mezelf te zorgen,” grijnsde Remco.

“Dat ben je dus niet,” concludeerde Marieke. “Als je mij toch niet had…”

“Volgens mij heb ik je niet,” zei Remco. Marieke kreeg een kleur als een biet en begon haastig twee mokken vol te schenken.

“Jij drinkt het nog steeds met suiker en melk, hè?” vroeg ze.

Remco knikte.

“Stil even!” zei hij. “Ik hoor iets!”

Langs de weg naderde een groep kinderen. Vanuit hun schuilplaats konden Marieke en Remco niet precies zien hoeveel het er waren.  Hun gelach en geschreeuw waren duidelijk te horen, maar door het lawaai konden ze niet verstaan waar de kinderen het over hadden. Ze fietsten langs de bouwplaats.

Zodra het geluid was weggestorven, kwam Remco overeind. Gebukt holde hij naar de weg. Verscholen achter een boom zag hij hoe de kinderen een paar honderd meter verderop afsloegen, een zandpad op.

‘Ze gaan waarschijnlijk spelen in het bos,’ bedacht hij, terwijl hij terugliep naar Marieke.

“Loos alarm,” zei hij, terwijl hij naast haar ging zitten.

“Dan kunnen we in ieder geval rustig onze koffie opdrinken,” vond Marieke.

Een kwartiertje later ging Remco’s mobieltje opnieuw over. Ditmaal was het Christine, die wilde weten tot hoe laat ze zouden blijven posten.

“Ik heb geen zin om te wachten tot we een ons wegen,’ zei ze. “Ik had gehoopt dat we een spannend avontuur zouden beleven.”

“Dat heb ik nooit gezegd,” zei Remco. “Jullie wilden zelf mee. Jullie hadden zelf ook kunnen bedenken dat het een hele tijd kan duren, voordat de dief of dieven komen opdagen.”

“Saai hoor,” zei Christine. “Christiaan is geloof ik al bijna in slaap gevallen.”

“Stil!” waarschuwde Marieke opeens. “Ik hoor iets.”

“Er komt waarschijnlijk iemand aan,” siste Remco in zijn mobieltje. “Ik bel je straks wel terug.”

Het geluid dat Marieke gehoord had kwam niet van de weg, maar vanuit de bosjes achter het huis.

“Duiken!” zei Remco. Hij ging zo plat mogelijk op de grond liggen en Marieke volgde zijn voorbeeld. Precies op tijd, want even later werden de struiken aan de bosrand voorzichtig opzij geschoven. Schichtig keek een blonde jongen van een jaar of dertien om zich heen. Toen hij er zeker van was dat er niemand bij de bouwplaats de wacht hield, draaide hij zich om en zei halfluid: “De kust is veilig!”

Eén voor één kwamen vijf kinderen uit de bosjes te voorschijn. De twee grootste kinderen maakten een kommetje van hun handen, zodat de kleinste jongen zonder moeite over het hek kon klimmen. Eenmaal op de bouwplaats sleepte hij eerst een grote, grijze mortelbak naar het hek toe. Hij draaide het ding op zijn kop, klom erop en knikte tevreden. Als hij bovenop de bak stond, kon hij met zijn handen precies bij het hek. Zodra hij aan de andere kant stond, liep een meisje naar de voorkant van het huis, naar de weg. Daar ging ze op de uitkijk staan.

“We hebben vooral stenen nodig!” zei de grootste jongen, die kennelijk de aanvoerder was van het groepje.

Het jongetje binnen het hek liep naar een grote stapel stenen, die keurig in de buurt van het huis stond opgestapeld.

Tot verbazing van Remco en Marieke pakte hij er twee vanaf. Hij liep er mee naar het hek en schoof ze eronderdoor. Daarna ging hij terug naar de stenen en herhaalde het ritueel zich. Twee van de andere kinderen raapten de stenen op en verdwenen er mee in het bos achter de bouwplaats. Ze waren bijna meteen weer terug.

“Ze verstoppen ze eerst in de bosjes,” fluisterde Marieke. “Wat doen we? Komen we gelijk te voorschijn, of wachten we nog even?”

“Laten we maar even wachten,” stelde Remco voor. “Ik ben benieuwd wat ze met die stenen van plan zijn.”

“Dat lijkt me duidelijk,” zei Marieke. “Ze bouwen ergens in het bos een hut. Heb jij dat vroeger nooit gedaan?”

“Natuurlijk wel,” gaf Remco toe. “Maar mijn vriendjes en ik gingen niet naar een bouwplaats om daar spullen weg te halen.”

Remco’s mobieltje ging over.

“Wat doen we? Bellen we de politie of nemen we ze zelf onder handen?” vroeg Christiaan.

“Wat vind jij?” wilde Remco weten.

Christiaan aarzelde even.

“Als we de politie waarschuwen, weten we zeker dat ze het nooit weer doen,” zei Christiaan. “Maar ik heb zelf ook wel eens iets uitgehaald wat niet mag.”

“O ja?” vroeg Remco. “Wat dan?”

“Dat doet er niet toe,” zei Christiaan vlug.

“Laat ze voorlopig hun gang maar gaan,” grinnikte Remco. “Zoveel te meer moeite moeten ze straks doen om alles weer terug te slepen.”

“Da’s een goeie!” vond Christiaan.

 

Meer dan een half uur sleepten de kinderen met stenen en planken. Zodra er langs de weg iemand aankwam, riep het meisje bij de straat een waarschuwing. De jongen binnen het hek verstopte zich dan achter de muren, de andere kinderen doken het bos in.

Remco stond op het punt in actie te komen, toen zijn mobieltje opnieuw overging. Ditmaal was het Christine.

“Ik heb een plannetje,” zei ze.

“Vertel!” zei Remco.

Toen Christine was uitgesproken, glimlachte Remco.

“Dat lijkt me uitstekend,” zei hij, voordat hij de verbinding verbrak. Vlug vertelde hij aan Marieke wat zijn zusje bedacht had.

Zodra er weer een auto passeerde, verlieten Remco en Marieke hun schuilplaats. Zachtjes, zodat de vijf kinderen het niet merkten, gingen ze dieper het bos in. Via een smal paadje liepen ze naar de plaats waar ze de Eend hadden achtergelaten. Vijf minuten later voegden Christine en Christiaan zich bij hen.

“Laten we maar gelijk op zoek gaan naar hun fietsen,” stelde Christine voor. Haar ogen glinsterden. “Wat zullen ze straks op hun neus kijken!”

 

Met z’n vieren gingen ze op zoek naar de fietsen van de vijf kinderen. Ze vonden ze uiteindelijk niet ver van het bospad. De drie grootste fietsen stonden op slot, de twee kleinsten waren zomaar in de bosjes gesmeten.

Remco, Marieke en Christiaan tilden alle drie één van de fietsen op bij het achterwiel, Christine pakte de twee kleinere fietsen bij het stuur.

“Waar zullen we ze verstoppen?” vroeg Christine zich hardop af.

“Er is hier vast wel ergens een droge greppel of zo in de buurt,” zei Remco. “Laten we in ieder geval maar die kant op gaan.” Met zijn hoofd wees hij naar links, verder bij de bouwplaats vandaan.

“We hoeven ze ook niet zo ver weg te brengen,” vond Marieke. “Het is immers niet de bedoeling dat we de fietsen houden.”

 

Honderd meter dieper het bos in vonden ze een ideale plek om de fietsen te verstoppen. Christiaan ontdekte een ondiepe greppel, die helemaal was overwoekerd met braamstruiken. Toen ze de fietsen erin legden, waren ze vanaf een afstandje niet meer te zien.

“En nu?” pufte Marieke. “Wachten we tot die kinderen klaar zijn en naar hun fietsen terugkomen?”

“Dat lijkt me niet nodig,” zei Remco. “Ik rijd in de Eend naar de bouwplaats en doe  alsof ik de boel kom controleren. Ik doe dan net of ik ontdek dat er weer spullen gestolen zijn en ga het bos in om te kijken of ik de dieven kan vinden. Ik weet bijna zeker, dat de kinderen er dan als een haas vandoor gaan, naar hun fietsen.”

“En daar staan wij dan op ze te wachten,” begreep Christiaan.

“Precies!” lachte Remco. “Ik kom uiteraard ook zo snel mogelijk hier weer naartoe.”

“Ik verheug me nu al op de beteuterde gezichten van die kinderen, als ze zien dat hun fietsen weg zijn,” grinnikte Christine.

 

Tien minuten later parkeerde Remco zijn Eend bij de bouwplaats. Hij stapte uit en deed geen moeite zachtjes te doen. Vanuit zijn ooghoeken zag hij in de bosjes naast de weg iets bewegen. Dat moest het meisje zijn dat op de uitkijk stond.

‘Ik ben benieuwd hoe dat kleine jongetje straks probeert te ontsnappen,’ dacht hij, terwijl hij langs het hek begon te lopen. ‘Volgens mij kan hij nooit ze snel over het hek klimmen!’

Toen hij ter hoogte van de stapel stenen kwam, zei hij hardop: “Wel heb je ooit! Volgens mij zijn er alweer stenen gestolen! Als ik die lui die dat doen in handen krijg, zwaait er wat!”

Zoekend keek hij om zich heen. Daarna haalde hij zijn mobieltje voor de dag. Hij toetste zogenaamd een nummer in en zei: “Spreek ik met de politie? Ja? Mooi zo! U spreekt met Remco Jongeneel. Ik sta hier aan de Ruwinkelseweg, bij Scherpenzeel, bij het huis in aanbouw van de heer Minnema uit Amersfoort.”

Hij wachtte even en vervolgde: “Precies, dat huis waar regelmatig bouwmaterialen worden gestolen. Zou u onmiddellijk hierheen kunnen komen, want er zijn weer spullen weggehaald. Misschien zijn de daders nog in de buurt en kunt ze oppakken.”

Remco sprak expres zo luid, dat de kinderen het konden horen, als ze tenminste nog in de buurt waren. Zijn woorden hadden meteen effect. Vanuit het huis rende het jongetje naar de omgekeerde ton bij het hek. Hij trok zich razendsnel op aan de bovenrand van het hek, klom er overheen en voordat Remco van zijn verbazing was bekomen, verdween hij in het struikgewas.

Toen Remco bij de bosrand kwam, hoorde hij het wegstervende geluid van krakende takken. Kennelijk waren de kinderen er als een haas vandoor gegaan. Snel liep hij daarom terug naar zijn auto. Hij was net op tijd terug bij de anderen, voordat de vijf kinderen op de plaats aankwamen, waar ze hun fietsen hadden verstopt.

Haastig verstopten Remco, Marieke en de tweeling zich.

“Onze fietsen zijn weg!” hoorden ze één van de meisjes roepen.

“Ze liggen vast ergens anders,” probeerde de oudste jongen haar gerust te stellen.

“Straks zijn ze gestolen!” gilde het kleine jongetje. “Als mama dat hoort, zwaait er wat!”

“Er zal nog wel meer zwaaien!” zei Remco, terwijl hij tevoorschijn kwam. “Vooral als ze hoort dat jullie bouwmateriaal stelen.”

De vijf kinderen wilden er vandoor gaan. Twee wisten er te ontsnappen, maar Marieke, de tweeling en Remco kregen er drie te pakken. Toen ze zagen dat hun vriendjes geen kant meer op konden, kwamen de twee anderen aarzelend terug. Op veilige afstand bleven ze staan, klaar om er alsnog vandoor te gaan.

“Jullie zijn niet van de politie!” zei de oudste jongen. Zijn stem klonk opgelucht.

“Hij heeft de politie gebeld,” wees het kleinste jongetje naar Remco. “Ze komen er aan. Straks komen we in de gevangenis.”

“Dat kan heel goed,” knikte Remco. “Boeven en dieven horen in de cel.”

“Wij zijn geen boeven,” protesteerde het meisje dat op de uitkijk had gestaan. “We speelden alleen maar.”

“We hebben stenen en hout nodig voor onze hut in het bos,” legde het andere meisje uit.

“We hebben de mooiste hut van de wereld,” zei de kleinste jongen.

“Dat zal best, als jullie daarvoor nieuw bouwmateriaal gebruiken,” zei Remco.

“Een paar stenen en planken mist niemand,” zei de oudste jongen. “Er ligt genoeg.”

“Meneer Minnema, die het huis laat bouwen, miste de spullen wel degelijk,” zei Remco. “Hebben jullie vaders en moeders jullie niet geleerd dat je niet mag stelen?”

“Jawel,” knikte het meisje. “En juf, en de dominee in de kerk…”

“Jullie weten het dus wel,” zei Marieke. “Wat doen we nu?”

“Laten we eerst hun ouders maar bellen,” stelde Remco voor. Hij keek de oudste jongen straks aan. “Hoe heet je en wat is jullie telefoonnummer?”

De jongen keek naar de grond, maar gaf geen antwoord.

“Goed dan,” zei Remco. “Dan zit er niets anders op dan dat we echt de politie gaan bellen.”

“Ik weet ons nummer wel,” zei één van de meisjes. “Ik heet Sanne, hij heet Patrick, dat is Tom, mijn vriendin heet Leontien en dat is mijn broertje Sam.”

“Mooi zo,” zei Remco bars. “Schrijf jij hun namen en telefoonnummers op, Christiaan?”

Hij haalde een pen en schrijfblokje uit zijn jaszak en gaf die aan zijn broertje. Nadat alle kinderen hun namen hadden genoemd, belde Remco één van de telefoonnummers die ze hadden opgegeven. De achternaam van de vrouw die hij aan de lijn kreeg, klopte met die het meisje had opgegeven. Vlug zei Remco dat hij een verkeerd nummer had ingetoetst.

“Luister,” zei hij tegen de kinderen. “Ik heb een voorstel. Jullie brengen alle spullen die jullie bij de bouwplaats hebben weggehaald, netjes terug. Daarna krijgen jullie je fietsen van ons terug. Tenminste, als jullie ons beloven nooit meer zomaar ergens spullen weg te halen die niet van jullie zijn.”

Om beurten knikten de kinderen dat ze het er mee eens waren.

“Goed,” zei Remco. “Dan gaan we nu naar de hut.”

 

De hut van de kinderen zag er inderdaad fantastisch uit. Hij leek op een klein, gewoon huis. Remco, Marieke en de tweeling vonden het bijna jammer dat hij moest worden afgebroken. Omdat ze wel snapten dat het voor de vijf kinderen een hele klus was alles terug te brengen, en omdat ze geen zin hadden de hele dag in de buurt van Scherpenzeel te blijven, hielpen Remco en de anderen mee met het terugbrengen van de stenen en het hout.

Toen ze eindelijk klaar waren, brachten ze het vijftal naar hun fietsen. Nadat de kinderen nogmaals hadden beloofd, dat ze nooit meer zo’n streek zouden uithalen, namen ze afscheid.

“Eigenlijk ben ik wel blij dat het ontdekt is,” zei het oudste meisje eerlijk. “Dan krijg ik morgen ook geen rood hoofd meer, als de dominee in de kerk zegt dat we niet mogen stelen. We zullen het echt nooit meer doen.”

“Gelukkig maar,” zei Remco, “want anders…”

“Komen wij in de gevangenis!” vulde het kleinste jongetje aan.

 

Lachend keken Marieke, Remco, Christiaan en Christine de kinderen na, toen ze er als een speer op hun fietsen vandoor gingen.

“Die doen dit vast nooit meer,” zei Christine tevreden.

“Dat denk ik ook niet,” was Christiaan het roerend met haar eens. “Dat hebben we samen mooi opgelost!”

“Zo is dat!” zei Remco. “Ik vind dat we wel een patatje verdiend hebben. Ik trakteer!”

“Doe er dan ook maar een kroket bij!” lachte Marieke.