VONDST IN KASTEEL DE SCHAFFELAAR

“Heb jij ook zo’n zin in het feest van vrijdagavond?” vroeg Jochem aan Remco, die tegenover hem zat.

Remco stopte meteen met typen.

“Natuurlijk!” zei hij. “Ik heb gehoord dat het een geweldige avond wordt.”

“Klopt,” zei Jochem, die in de commissie zat, die het feest moest organiseren. “Dat moet ook, want het Christelijk Dagblad bestaat maar één keer vijftig jaar. Ben je wel eens in De Schaffelaar in Barneveld geweest?”

Remco schudde zijn hoofd.

“Eigenlijk best lastig,” mijmerde hij, “want van mij en Marieke wordt verwacht, dat we een verslag voor de krant maken van het jubileumfeest.”

“Waarom ga je er niet van te voren een keertje kijken?” vroeg Jochem. “Dan weet je wat je te wachten staat.”

“Een goed plan,” knikte Remco enthousiast. “Ik ga het meteen aan Erik Drent vragen.”

“En je vraagt natuurlijk of Marieke mee mag,” grijnsde Jochem.

“Uiteraard,” knikte Remco. “Zij moet toch ook zien vanaf welke plek ze het beste foto’s van het feest kan maken.”

 

De volgende middag reden Marieke en Remco samen in Remco’s oude Eend naar Barneveld. De zon scheen en Remco had het dak van de Eend open gerold.

“Eindelijk hebben we er eens een keer plezier van, dat jij in deze auto rijdt,” zei Marieke tevreden.

“Deze Eend heeft ons anders tot nu toe altijd keurig overal naartoe gebracht,” zei Remco verontwaardigd. Hij kon er absoluut niet tegen als iemand kritiek had op zijn oude wagentje.

“Dat is zo,” gaf Marieke toe. “Het duurt alleen een stuk langer voordat we ergens zijn.”

“Des te beter,” vond Remco. “Alles moet altijd maar vlug, vlug!”

“Een journalist heeft een snelle auto nodig,” zei Marieke, om Remco te plagen. “Tegen de tijd dat wij met jouw auto ergens zijn, is het nieuws al oud.”

“Wat zijn we weer geestig,” zei Remco zuur.

 

De afstand tussen het kantoor van de krant in Amersfoort en het kasteel in Barneveld was niet zo heel groot en het duurde daarom niet lang voordat Remco de oprijlaan van het landgoed opstuurde. Hij had van tevoren gebeld en de manager van het restaurant, dat in het gebouw was gevestigd, had tijd voor hen vrij gemaakt. Nadat ze met z’n drieën een kop thee hadden gedronken, nam hij hen mee naar de zaal waar het feest gehouden zou worden. Jochem en de anderen die het feest moesten organiseren hadden voor een barbecue gekozen.

“Als de weersvoorspellingen kloppen, hebben jullie vrijdagavond mooi weer en kunnen we ook de tuin gebruiken,” zei de manager.

“Dat zou fijn zijn,” zei Marieke. “Ik vind het leuker buiten foto’s te nemen. Hoewel deze zaal natuurlijk ook prachtig is.”

“Er zijn hier in de loop van de jaren al heel wat feesten gegeven,” vertelde de manager. “Hoewel er ook een tijd geweest is, dat de bewoners geen reden hadden om feest te vieren.”

“Hoe bedoelt u dat?” vroeg Remco nieuwsgierig.

“Vroeger was dit landgoed van een baron, maar op een gegeven moment konden zijn nakomelingen het onderhoud van het huis niet meer betalen en kwam het leeg te staan,” legde de manager uit. “In de oorlog werden hier rijke, belangrijke Joden ondergebracht door de Duitsers. Ik neem niet aan dat die veel redenen hadden om feest te vieren. Na de oorlog werd het een revalidatiecentrum voor gewonden uit de Tweede Wereldoorlog, ook niet echt feestelijk. Later hebben hier buitenlandse studenten gewoond, er was hier ooit een typeschool en een sportschool gevestigd en nu is het in gebruik als restaurant en zalencentrum. Het park om het huis heen is nu in bezit van het Gelderse Landschap en het huis zelf is een Rijksmonument. Dat is maar goed ook, want anders konden wij het onderhoud onmogelijk betalen.”

“Waarschijnlijk valt er hier altijd wel iets te repareren,” zei Marieke.

“Klopt,” knikte de manager. “Op dit moment zijn er ook mensen aan het werk in één van de vleugels.”

“Zouden we het hele landhuis eens mogen zien?” vroeg Remco.

“Hebben jullie daar tijd voor?”

“Daar maken we gewoon tijd voor,” zei Remco. “Ik ben gek op oude landhuizen en kastelen.”

“Goed dan,” lachte de manager.

 

Ze waren nog maar net aan hun rondleiding begonnen, toen een opgewonden man naar hen toe kwam.

“Meneer, mag ik u even storen?” vroeg hij aan de manager.

“Dat doe je al,” zei de manager droog. “Wat is er aan de hand?”

“Mijn collega en ik zijn bezig het houtwerk in de vroegere studeerkamer van de baron op te knappen,” legde de man uit. “Een paar planken zaten zo los, dat we ze gemakkelijk weg konden halen. Tot onze verbazing zat achter het houtwerk een holle ruimte, en daar zit iets in.”

“Wat dan?” vroeg Remco nieuwsgierig.

“Dat weten we nog niet. We vonden het beter eerst de manager te waarschuwen.”

“Ik ga meteen mee,” zei de manager.

“Mogen wij ook mee?” vroeg Remco, die meteen nieuws rook.

“Vooruit maar,” gaf de manager toe.

Met z’n vieren liepen ze naar het vertrek waar de mannen aan het werk waren. De meubels die er stonden waren afgedekt tegen het stof en in één van de met hout betimmerde wanden gaapte een gat. De opening was niet groot, zo te zien misten er hooguit twee bakstenen. In de holle ruimte die daardoor ontstaan was, lag een pakje.

‘Zal ik?’ vroeg de manager. Hij wachtte de reactie van de vier anderen niet af, maar haalde het pakketje uit de nis. Hij blies het stof er vanaf, waardoor het krantenpapier eronder zichtbaar werd.

“Het kan in ieder geval niet heel oud zijn,” zei Remco teleurgesteld.

“Wat had jij dan verwacht?” vroeg Marieke spottend. “Een of andere goudschat?”

“Daar is het in ieder geval te licht voor,” zei de manager nuchter. “Ik denk eerder dat er een boek in zit.”

“Een boek?” De stem van de werkman die de manager van de vondst op de hoogte had gebracht, klonk teleurgesteld. “Hoor je dat, Karel? Er zit waarschijnlijk een boek in. Hebben we ons daarom zo druk gemaakt!”

“Is dat niet zo’n ding waar je in kunt lezen?” grijnsde Karel.

“Zal ik het pakje dan maar open maken?” vroeg de manager.

“Graag!” zeiden Marieke en Remco precies tegelijk. Marieke haalde haar fototoestel voor de dag.

“Wie weet, misschien is het toch een belangrijke vondst,” zei ze. “Het kan in ieder geval geen kwaad om foto’s te maken.”

Remco ging er niet op in. Hij was razend nieuwsgierig wat er in het pakje zat.

“Wacht even,” zei de manager. Tot Remco’s verbazing haalde hij een kam uit de binnenzak van zijn colbert en begon hij zijn haren te kammen.

“Als ik in de krant kom, wil ik er wel netjes uitzien,” legde hij uit.

Toen hij eindelijk klaar was, begon hij tergend langzaam het pakje te openen. Het oude, vergeelde papier kraakte toen de manager het terugvouwde.

Nieuwsgierig keek Remco over de schouder van de man mee toen hij de vondst uitpakte.

“Zou u iets anders willen gaan staan?’ vroeg Marieke, die merkte dat het voor haar moeilijk was een goede foto te maken, omdat het licht vanuit de ramen precies verkeerd viel.

De manager voldeed maar al te graag aan haar verzoek. Zo vaak had hij de kans niet om met foto en al in de krant te komen.

Terwijl de manager geduldig de aanwijzingen van Marieke opvolgde, bekeek Remco het pakje wat beter. De krant die als pakpapier was gebruikt, zag er oud uit. Nergens zag hij een foto en toen hij probeerde een stukje te lezen, ontdekte hij dat het artikel in een spelling was geschreven, die al jaren niet meer werd gebruikt.

“Het is gewenscht dat de menschen zich in dezen tijd aan de algemeene verordening houden,” las het hardop voor, waarbij hij de ch’s extra benadrukte. “Deze krant is al oud, zeg!”

Haastig vouwde de manager de krant verder open. Samen met Remco zocht hij naar een datum. Omdat hij de krant vasthad, kwam de manager er als eerste achter.

“Deze krant is van vrijdag 18 juni 1943!” zag hij. “Dus middenin de Tweede Wereldoorlog.”

“Toen zaten er hier toch Joden?’ herinnerde Remco zich.

“Precies!” knikte de manager.

“Zou er een soort dagboek inzitten van één van hen?” vroeg Marieke zich af. “Net zoiets als de Dagboeken van Anne Frank?”

Haastig begon de manager de volgende laag kranten te verwijderen. Er kwamen drie schriften tevoorschijn met een verschoten grijsgroen kaft. Op het vergeelde etiket van het bovenste schrift stond alleen een jaartal: 1941.

“Het is inderdaad een dagboek!” hijgde Remco. Het liefst had hij de manager één van de schriften uit handen gerukt, maar hij wist zich te beheersen.

“We moeten iemand waarschuwen die er verstand van heeft,” zei hij.

“Dat ben ik helemaal met je eens,” knikte de manager. “Ik heb niet zo heel veel verstand van oude schriften, maar ik moet er niet aan denken dat er iets gebeurd, waardoor deze vondst verloren gaat.”

“Zo belangrijk zijn die oude schriften toch niet,” zei Karel.

“Dat moet nog blijken,” zei Remco. “Het kan inderdaad zo zijn dat de inhoud tegenvalt, maar dat weten we pas als iemand de schriften heeft gelezen.”

“Ik stel voor dat we de conservator van het Museum Nairac, hier in Barneveld, waarschuwen,” stelde de manager voor.

“Conservator? Wat is dat?” vroeg de man die de vondst was komen melden.

“Een conservator is de beheerder van een museum,” zei de manager geduldig. “Kom, laten we naar mijn kantoor gaan, dan bel ik van daaruit naar het museum.”

 

De conservator van het museum arriveerde twintig minuten later. Vol verbazing keek hij naar de drie schriften die de manager op zijn bureau had neergelegd. Voordat hij de schriften beetpakte, haalde de man een paar linnen handschoenen uit de zak van zijn colbert. Daarna pakte hij het bovenste schrift zo voorzichtig beet dat Remco in de lach schoot.

Verstoord keek de man op van zijn werk.

“Wie bent u eigenlijk?’ vroeg hij chagrijnig.

“Remco Jongeneel van het Christelijk Dagblad,” stelde Remco zichzelf voor. “En dat is mijn collega, Marieke Wielinga. Wij waren hier toen het pakje door de bouwvakkers ontdekt werd.”

“Een beetje meer eerbied, graag,” zei de conservator. “Wie weet hoe belangrijk deze vondst is.”

“Wij denken dat het gaat om een dagboek van één van de Joden, die hier in de Tweede Wereldoorlog waren ondergebracht,” vertelde Marieke.

“Dat is heel goed mogelijk,” knikte de conservator. Heel voorzichtig, alsof hij met kostbaar porselein of iets dergelijks van doen had, sloeg hij het kaft van het schrift om. Hardop begon hij voor te lezen: “Omdat ik wil dat de mensen weten, wat er allemaal gebeurt in mijn stad Rotterdam, heb ik, Jacob Granada, besloten vanaf vandaag nauwgezet bij te houden wat ons overkomt.” De conservator stopte met voorlezen en keek over zijn bril heen de drie anderen vorsend aan.

“Het ziet er naar uit, dat u gelijk hebt,” zei hij. “Zowel de voor als de achternaam doen vermoeden dat we met een Jood te doen hebben.”

Remco keek Marieke triomfantelijk aan, maar die haalde haar schouders op.

“Als meneer De Goede, de manager, je niet had verteld dat er hier in de Tweede Wereldoorlog Joden hadden gewoond, had je het echt niet geraden,” zei ze.

“Ik ben razend benieuwd wat er allemaal in die schriften staat,” zei Remco.

“Ik ook,” zei de conservator. “Wat doen we nu?”

“Wat mij betreft neemt u de schriften mee,” besliste de manager. “Ik heb geen tijd om ze te lezen en weet ook niet hoe je die dingen goed moet houden.”

“Waarschijnlijk is dat de beste oplossing,” gaf Remco toe. Het klonk een beetje teleurgesteld, maar hij besefte ook wel, dat dit het meest voor de hand lag.

De conservator, die wel door had dat Remco dolgraag wilde weten wat er in de schriften stond, zei: “Ik ben van plan de schriften bladzijde voor bladzijde te scannen. Dan hoef ik, als ik de inhoud probeer te ontcijferen, niet iedere keer de schriften te gebruiken. Als je wilt, kan ik je wel een kopie mailen.”

“Dat is fantastisch,” zei Remco. Hij haalde een visitekaartje uit zijn portemonnee en gaf het aan de man van het Museum Nairac. Nadat Marieke nog een paar foto’s had gemaakt, was het hoog tijd om afscheid te nemen. Bij de krant wisten ze vast niet waar ze bleven.

 

De volgende dag stond een artikel van Remco in de krant over de vondst in De Schaffelaar in Barneveld. Eén van de foto’s die Marieke had gemaakt, was erbij geplaatst. Aan het slot van het artikel beloofde Remco de lezers dat hij opnieuw een stukje zou schrijven als hij wist wat er in de schriften stond.

 

De heer Vleugels, conservator van het museum in Barneveld, hield woord. Een paar weken later kreeg Remco een mailtje van hem, met als bijlage ruim 180 bladzijden, allemaal beschreven in het fijne handschrift van Jacob Granada.

Al gauw had Remco door dat het niet gemakkelijk was de dagboeken snel te lezen. Op sommige plekken was de inkt vervaagd en ook het ouderwetse taalgebruik van de schrijver maakte het er niet gemakkelijker op.

Meneer Vleugels had hem er in het mailtje al voor gewaarschuwd: “Het kost de nodige tijd om alle tekst te lezen. Veel dingen zijn trouwens van ondergeschikt belang. De heer Granada is in de oorlog door de Duitsers opgepakt, maar niet, zoals veel van zijn volksgenoten, naar Westerbork gestuurd. De Duitsers hadden de gewoonte, Joden met uitzonderlijke talenten een aparte behandeling te geven. De heer Granada was kunstkenner en kunsthandelaar. Waarschijnlijk hoopten de Duitsers dat hij hen kon vertellen of de schilderijen, die ze overal vandaan roofden voor hun leiders, vals waren of echt. In het laatste schrift zijn maar een stuk of tien bladzijden beschreven. Blijkbaar voelde meneer Granada aan dat de Duitsers van plan waren hem en zijn lotgenoten weg te voeren naar een concentratiekamp in Duitsland of Polen. Ik heb wat onderzoek gedaan en ben er achter gekomen, dat hij naar Theresienstadt is weggevoerd. Joden die daar terechtkwamen, waren in dit Tsjechische kamp beter af dan die in andere kampen.

Uiteindelijk is meneer Granada eind 1944 in Theresienstadt overleden aan longontsteking.

Samen met het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie bekijken we, of het de moeite waard is de dagboeken op de één of ander manier in boekvorm uit te geven.

We houden u op de hoogte.

 

Vriendelijke groet,

 

Johan Vleugels, conservator Museum Nairac in Barneveld.

 

In gedachten verzonken liet Remco zijn muis over de gescande bladzijden gaan. Het liefst wilde hij verder lezen, maar daar had hij op dat moment geen tijd voor. Daarom mailde hij het verhaal door naar zijn eigen computer thuis en naar die van Marieke. Dan kon zijn collega de dagboeken ook lezen.

 

’s Avonds, nadat hij had gegeten, begon Remco te lezen. Sommige aantekeningen waren niet interessant, al werd daardoor wel duidelijk hoe de Duitsers steeds verder gingen met hun maatregelen tegen de Joden. Eerst mochten ze niet in bepaalde restaurants en dergelijke komen en moesten ze allemaal een Jodenster dragen. Niet veel later werd begonnen met de razzia’s, waarbij Joden op straat of in hun huizen werden opgepakt, om te worden weggevoerd naar een concentratiekamp.

Meneer Granada werd gedwongen om voor de Duitsers te werken. Hij moest beoordelen of de kunst, die de Duitsers overal uit museums en huizen roofden, waardevol was of niet. Eerst mocht hij in Rotterdam blijven wonen, later werd hij weggevoerd naar Kasteel de Schaffelaar in Barneveld.

In het laatste schrift schreef Granada dat hij het gevoel had, dat hij binnenkort zou worden weggevoerd. Omdat hij niet wilde dat de Duitsers zijn dagboeken zouden vinden, had hij stiekem achter een houten schot een bergplaats voor de schriften gemaakt. Hij hoopte ze na de oorlog weer op te halen.

 

‘Hij heeft ze nooit meer op kunnen halen,’ bedacht Remco. ‘Net als miljoenen andere Joden heeft hij de oorlog niet overleefd.’

Na het lezen van de dagboeken besefte Remco des te beter, hoe vreselijk oorlogen zijn.

Zijn telefoon ging over en toen hij opnam bleek het Marieke te zijn.

“Ik heb de dagboeken gelezen,” zei ze. “Afschuwelijk, hè!”

“Ik hoop zoiets nooit mee te maken,” zei Remco ernstig.

“Ik ook niet,” zei Marieke. “Maar zolang deze aarde bestaat, zullen er altijd oorlogen blijven.”

“En ziekte, en hongersnood en rampen,” vulde Remco aan. “Ik hoop dat Jezus Christus gauw terugkomt op de wolken.”

“Pas dan wordt alles volmaakt,” voegde Marieke er aan toe. “Ik bid er iedere dag om.”

“Ik ook,” zei Remco. “Ik kan me niets mooiers en beters voorstellen!”