WATER IN  DE POLDER

De ruitenwissers van de oude Eend van Remco Jongeneel konden de grote hoeveelheid water nauwelijks verwerken. De felle zuidwestenwind deed verwoede pogingen de auto omver te blazen. De Eend, toch al geen raceauto, reed nauwelijks zestig over de dijk langs het Haringvliet.

“Als Erik Drent nog eens wat weet...,” verzuchtte Marieke Wielinga. “Als het aan mij ligt, rijdt hij de volgende keer zelf naar een uithoek om foto's te maken.”

“Tja,” zei Remco, terwijl hij ternauwernood een grote plas wist te ontwijken, “ik vind het ook niet leuk. Maar eigenlijk zit je op de verkeerde te mopperen. Erik Drent kan er ook niets aan doen dat we hier naar toe moeten.”

Marieke schoot in de lach.

“Dat denk ik ook niet,” gaf ze toe. “Het zou me verbazen als hij weet hoe hij een graafmachine moet bedienen.”

“We zijn er!” zei Remco. Ze konden niet verder.

Midden op de dijk stonden een paar roodwitte hekken, met een bord eraan: Verboden voor alle verkeer.

Opgelucht parkeerde hij zijn auto aan de rand van de dijk.

“Laten we ons eerst maar in onze regenpakken hijsen,” stelde Marieke voor. “Dan blijven we misschien nog een beetje droog.”

Met de nodige moeite wurmden Remco en Marieke zich in hun regenjassen en -broeken. Het portier van de Eend waaide Remco bijna uit z'n handen, toen hij uitstapte.

“Hopelijk worden we niet gelijk weggestuurd!” Remco moest roepen om zich boven de storm verstaanbaar te maken.

“Ik ben bang dat er met dit weer weinig van m'n foto’s terecht komt,” riep Marieke terug.

Even bleven ze staan. Door de storm werd het water in het Haringvliet opgezweept. Het kleine eiland Tiengemeten was door de dichte regenval niet veel meer dan een grijze vlek.

“Laten we maar gaan!” stelde Marieke voor. “Straks wordt mijn fototoestel nog nat!”

Samen liepen ze langs de hekken over de dijk naar het westen. Links van hen sloeg het water van het Haringvliet tegen de dijk en ook rechts van hen, binnendijks, stond de boel blank.

“Er is veel meer water binnengekomen dan ik verwacht had,” constateerde Remco verwonderd.

Al gauw naderden ze de plaats van bestemming. Een grote, ronkende vrachtwagen blokkeerde de hele weg. Marieke en Remco konden er nauwelijks langs.

Nadat ze de vrachtwagen gepasseerd waren, floot Remco verbaasd tussen zijn tanden. Voor hen hield de weg abrupt op en gaapte een gat van een meter of vijf diep en minstens drie meter breed. Vanuit het Haringvliet kolkte het water de polder in.

Aan de voet van de dijk, tot aan de assen in het water, stond een grote, gele graafmachine.

“Onvoorstelbaar!” mompelde Remco. “Wie doet er nu zoiets?”

“Dat zouden wij ook wel willen weten!” Van achter de vrachtwagen kwam een man naar het tweetal toe. “Wie zijn jullie eigenlijk en wat komen jullie hier doen?”

Voordat Remco de vragen van de man kon beantwoorden, vroeg Marieke: “Wat is er precies gebeurd?”

“Ik heb jullie een vraag gesteld!” zei de man scherp. “Wie zijn jullie? Volgens mij hebben jullie hier niets te zoeken!”

“Wij werken voor het Christelijk Dagblad,” zei Remco vlug. “Mijn naam is Remco Jongeneel en dat is mijn collega Marieke Wielinga.”

“Wij hebben hier geen pottenkijkers nodig!”

“Dat snappen wij ook wel,” zei Marieke. “Maar we vonden het bericht, dat we binnenkregen op het kantoor van de krant, zo vreemd, dat we meteen hierheen zijn gereden.”

“Vreemd is veel te zwak uitgedrukt. Als ik de kerel die dit gedaan heeft in handen krijg…” De toon van de man beloofde weinig goeds voor de dader.

“Weet u zeker dat het een man is?” wilde Marieke weten.

“Zeker is het niet,” gaf de man toe, “maar ik ken maar weinig vrouwen die een graafmachine kunnen bedienen.”

“Wat is er nu eigenlijk precies gebeurd?” vroeg Remco.

“Vannacht heeft één of andere onverlaat met die graafmachine een gat in de dijk gegraven,” legde de man uit. “De gevolgen waren rampzalig. De felle westenwind, die toch al tegen de dijk beukte, stuwde het water door de opening, waardoor die heel snel groter werd. Voordat er alarm werd geslagen, stond er al heel wat water in de polder. We proberen nu het gat te dichten, maar dat moet op een vakkundige manier gebeuren. We kunnen wel een aantal vrachtwagens met zand in de opening gooien, maar daarvan wordt minstens de helft gelijk weer weggespoeld.”

“Hoe lossen jullie het dan op?” vroeg Remco nieuwsgierig.

“Er worden zandzakken gehaald en vanuit de wijde omgeving worden vrijwilligers opgetrommeld, om te helpen het zand in de zakken te doen. Die volle zakken worden dan in de opening gestapeld. Als het goed is, kunnen we op die manier het gevaar voorlopig keren. Later, als de storm is gaan liggen, wordt de dijk pas echt hersteld.”

“Jullie hebben dus geen idee, wie de dader is,” stelde Marieke vast.

De man schudde zijn hoofd.

“En die machine dan?” Remco wees naar de machine onder aan de dijk. “Die moet toch van iemand zijn?”

“Klopt,” knikte de man. “Uiteraard is de politie meteen op zoek gegaan naar de eigenaar. Jammer genoeg liep dat spoor dood. De machine stond een kilometer of tien hier vandaan geparkeerd bij een bouwterrein. Daar werd hij gebruikt om de boel bouwrijp te maken. Het is een nieuw industrieterrein, een eindje bij de bewoonde wereld vandaan. Overdag is het er een drukte van belang, maar ’s avonds is daar niemand.”

“En de dader heeft die graafmachine zo meegenomen?” Marieke geloofde haar oren niet.

“Dat klopt, ja. Daarom weten we ook wel bijna zeker, dat het iemand is die gewend is met grote machines om te gaan. Er zat geen contactsleuteltje in, maar dat was voor de dader blijkbaar geen probleem. Waarschijnlijk is hij onder het dashboard gekropen en heeft op die manier contact gemaakt. Daarna is hij hierheen gereden en begonnen met graven. Zeker weten we dat niet, want we hebben nog geen tijd gehad om in de graafmachine te kijken.

“Waarom is hij juist hier gaan graven?” onderbrak Remco de man. “Als ik het goed begrijp, heeft hij eerst een heel eind over de dijk gereden, voordat hij hier was.”

“Geen idee,” zei de man eerlijk. “Waarschijnlijk komen we daar pas achter, als de politie die kerel heeft ingerekend.”

“Maar tot nu toe is het dus nog een raadsel. Kan één van de mensen, die bezig zijn met de aanleg van dat nieuwe industrieterrein, het gedaan hebben?” vroeg Marieke zich hardop af.

“Iedereen kan het gedaan hebben, dat is juist zo frustrerend.”

“En het kan zo weer gebeuren! De politie kan moeilijk alle dijken van de Hoeksche Waard dag en nacht gaan bewaken,” bedacht Remco.

Over de dijk aan de andere kant van het gat naderde een kleine colonne.

“Daar zijn de hulptroepen,” zei de man tevreden. “Hopelijk lukt het ons nu snel het gat te dichten!”

“Zullen wij ook helpen?” vroeg Remco aan Marieke.

“Ik ben bang dat het weinig nut heeft, als ik help met het vullen van zandzakken,” zei Marieke eerlijk. “Zo sterk ben ik niet. Ik denk dat het handiger is als ik probeer wat foto’s van de werkzaamheden te maken. Maar als jij je handen wilt laten wapperen, moet je dat vooral niet laten.”

Remco dacht even na.

“We staan aan de verkeerde kant. Ik zou niet weten hoe ik daar zou moeten komen zonder doornat te worden. Ik denk dat het handiger is dat we, nadat jij je foto’s hebt gemaakt, naar een dorp hier in de buurt gaan. Misschien kunnen de bewoners ons daar wat wijzer maken.”

“Dat waag ik te betwijfelen,” zei Marieke, “maar we kunnen het allicht proberen.”

 

Het kostte Marieke de nodige moeite foto’s van de werkende mannen te maken. Het regende nog steeds en Marieke wilde ze niet dat haar dure fototoestel nat werd. Uiteindelijk bood de chauffeur van de vrachtwagen haar aan vanuit de cabine door de open deur foto’s te maken.

Eerst maakte Marieke een aantal foto’s van de vrijwilligers, die meteen na aankomst waren begonnen met het volscheppen van de zandzakken. De volle zakken werden netjes aan de rand van het gat gelegd. Pas als er een grote stapel gevuld was, zouden ze in opening worden opgestapeld.

Nadat ze klaar was met de zakkenvullers, zoomde Marieke in op de gele graafmachine. Tot haar verbazing zag ze dat een wit A4-tje aan de binnenkant op de voorruit geplakt zat. Haastig maakte ze er een paar foto’s van. Daarna riep ze Remco.

“Moet je kijken,” zei ze, terwijl ze hem het beeld van de graafmachine toonde. “Wat zou dat zijn, achter die voorruit?”

“Geen idee,” antwoordde Remco eerlijk. “Misschien heeft de politie een bericht opgehangen, waarop staat dat iedereen overal moet afblijven. Ik denk niet, dat ze al tijd hebben gehad de graafmachine uitgebreid op sporen te onderzoeken.”

“Dat zou kunnen, maar ik zie verder nergens roodwit lint of zo,” aarzelde Marieke.

“Ik zal proberen daarachter te komen,” beloofde Remco. Hij was allang blij, dat hij ook iets doen kon.

Haastig liep hij naar een politieman, die samen met de man die ze eerder hadden gesproken aan de rand van de opening stond.

“Hebben jullie de graafmachine al onderzocht?” vroeg hij, nadat hij zich had voorgesteld.

“Nog niet. We hebben wel wat anders aan ons hoofd. Eerst moet dat gat dicht. Die graafmachine loopt niet weg. Daar komt bij, dat we geen van allen laarzen bij ons hebben. We onderzoeken die machine wel als we het water uit de polder hebben gepompt.”

Remco had genoeg gehoord. Terwijl hij terugliep naar Marieke werkten zijn hersens op volle toeren. De kans was groot, dat er in de cabine van de graafmachine een aanwijzing was te vinden over de dader of zijn motieven. Het probleem was alleen dat hij, net zo min als de agenten, laarzen bij zich had.

“En?” vroeg Marieke zodra ze Remco weer zag.

“Ze zijn er nog niet aan toe gekomen om de graafmachine te onderzoeken.”

“Dus dat papier is daar niet door politiemensen opgehangen,” stelde Marieke vast.

“Klopt! En ik wil weten wat erop staat!” Even aarzelde Remco, toen begon hij in de luwte van de vrachtwagen zijn regenbroek uit te trekken. Zijn gewone broek en sokken volgden, waarna hij de regenbroek en zijn schoenen weer aantrok. Zijn sokken en lange broek gaf hij aan Marieke.

“Wil je deze onder je jas stoppen?” vroeg hij. “Ik ga proberen in de graafmachine te komen.”

“Ik vraag me af of dat lukt,” zei Marieke. “Je kunt niet zien waar je loopt. Misschien zit er wel een sloot onderaan de dijk.”

“Dat denk ik niet, want dan had de dader de graafmachine daar ook niet naar toe kunnen rijden,” zei Remco.

Omdat hij bang was, dat hij zich misschien nog zou bedenken, begon hij voorzichtig de dijk af te klauteren. Bij de rand van het water aangekomen, trok hij zijn schoenen uit en stak die in de ruime zakken van zijn regenjas.

‘Ik hoop niet dat er prikkeldraad onder het water verborgen zit,’ dacht hij, terwijl hij voorzichtig met zijn linkervoet het wateroppervlak beroerde. Hij rilde toen hij merkte dat het water nog kouder was dan hij had verwacht.

‘Doorzetten!’ hield hij zichzelf voor. ‘Je hebt A gezegd, dus je moet ook B zeggen. Anders ga je tegenover Marieke af als een gieter! In het zwembad kun je er ook het beste maar ineens inspringen als het water koud is!’

Remco deed een grote stap naar voren, waardoor hij bijna struikelde. Ternauwernood wist hij zijn evenwicht te bewaren. Heel wat voorzichtiger deed hij daarna de volgende stap. Eerst kriebelde gras onder zijn voeten, maar al gauw ging dat over in rul zand. Onder zijn regenbroek steeg het water tot boven zijn knieën.

Remco keek naar de graafmachine en rekende uit, hoe hoog het water stond. Als zijn berekeningen klopten, zou hij zijn onderbroek droog kunnen houden. Hij haalde diep adem en begon zo snel als hij durfde naar het gele voertuig toe te waden. Toen hij eindelijk zijn doel bereikt had, waren zijn benen totaal gevoelloos. Klappertandend greep hij de treeplank vast en begon hij naar boven te klauteren.

“Ik mag natuurlijk geen sporen uitwissen,” mompelde hij. “Hoewel, alle sporen die aan de buitenkant zaten, zijn door de regen natuurlijk allang weggespoeld.”

Hij greep de deurknop van de cabine vast en tuurde naar binnen. Marieke had het goed gezien. Op de voorruit, aan de binnenkant, was inderdaad een vel papier vastgeplakt. Met grote, onregelmatige zwarte letters stond geschreven:

Leuk hè, als je land onder water wordt gezet!

Remco had genoeg gezien. Het had geen zin naar binnen te gaan om naar verdere sporen te zoeken. Hij was geen rechercheur en zou de boel alleen maar bederven voor de politie.

Hij zwaaide naar Marieke, die op de dijk stond toe te kijken. Met een zucht liet hij zich daarna voor de tweede keer in het ijskoude water zakken.

Gelukkig bereikte hij zonder problemen de dijk.

“En?” vroeg Marieke, zodra hij binnen gehoorsafstand was. “Had ik gelijk?”

Remco knikte maar ging er verder niet op in.

“Laten we maar zo snel mogelijk teruggaan naar de Eend,” stelde hij voor, zodra hij weer op de dijk stond. “Ik ben zowat bevroren.”

“Overdrijven is ook een vak!”

Remco, koud en nat als hij was, had geen zin in een discussie. Hij trok zijn schoenen aan en begon in de richting van zijn auto te lopen, het aan Marieke overlatend of ze hem wilde volgen of niet. De fotografe moest hollen om naast hem te komen.

“Wat stond er op het papier?” vroeg ze nieuwsgierig.

“Leuk hè, als je land onder water wordt gezet!”

“Dat meen je niet!”

“Toch wel,” zei Remco. “Ik vind het trouwens knap stom van de dader, dat hij zo’n aanwijzing heeft achtergelaten!”

“Misschien heeft hij het alleen gedaan om aandacht te krijgen,” bedacht Marieke.

“Aandacht waarvoor?”

“Voor zijn probleem. Want dat die kerel of vrouw een probleem heeft lijkt me duidelijk.”

 

Bij de Eend aangekomen verruilde Remco eerst zijn regenbroek voor zijn gewone broek voordat hij instapte. Gelukkig had hij een oude doek in zijn auto waarmee hij zijn benen en voeten een beetje schoon en droog kon wrijven. Zodra hij zich had aangekleed startte Remco de motor en zette hij de verwarming van de Eend op de hoogste stand.

“Waar gaan we naartoe?” wilde Marieke weten, nadat Remco de Eend gekeerd had.

“Er zal hier in de buurt wel ergens een dorp zijn,” veronderstelde Remco. “Ik snak naar een kop koffie en iets eetbaars.”

“Moeten we de politie niet bellen?”

“Ook, maar dat kan wat mij betreft nog wel even wachten. Die hebben het toch te druk met het opvullen van dat gat in de polderdijk.”

 

Ze zochten een restaurant op in Numansdorp.

“Goed,” zei Remco, terwijl hij dankbaar aan een kop gloeiend hete koffie nipte. “Wat hebben we?”

“Een gat in een dijk, een gestolen graafmachine en een stuk papier met daarop een vreemde tekst,” somde Marieke op.

“Leuk hè, als je land onder water wordt gezet!” Nadenkend trommelde Remco met zijn vingers op het tafelblad. “Blijkbaar is het land van de dader ook een keer onder water gezet en neemt hij nu wraak.”

“Wat een onzin. Als dat zo is, hadden wij dat vast wel geweten. Nederland doet er alles aan om land uit het water te winnen.”

“Er is nog een raadsel,” zei Remco. Hij pakte de wegenkaart die hij uit de auto had meegenomen en vouwde die voor zich open op de tafel.

“Kijk,” wees hij. “Hier ongeveer zal de graafmachine gestolen zijn en daar zit het gat in de dijk. De dader is dus een heel stuk langs de dijk gereden, voordat hij er was. Ik vraag me nog steeds af waarom hij juist daar is gaan graven.”

“Het heeft vast alles met dat geheimzinnige papier te maken,” veronderstelde Marieke.

“Wacht eens even!” Zonder verdere uitleg haalde Remco de laptop, die hij mee naar binnen had genomen, voor de dag en startte hem op. Sinds kort had hij een draadloze internetverbinding waarmee hij overal in Nederland op het web kon surfen.

“Wat doe je?” vroeg Marieke nieuwsgierig.

“Even wat checken,” zei Remco vaag.

Hij tikte een woord in op Google, speurde de lijst af en had al gauw gevonden wat hij zocht. Hij startte een pagina op en kon nauwelijks wachten tot de gezochte pagina in beeld was. Razendsnel vlogen zijn ogen over de regels.

“Hebbes!” zei hij triomfantelijk.

“Wat?”

“Hier, lees zelf maar.” Remco draaide de laptop om, zodat Marieke, die tegenover hem zat, kon zien wat hij had opgezocht.

Even was het stil, toen zei Marieke zacht: “Jij denkt dus, dat één van de voormalige bewoners van het eiland Tiengemeten de dader is.”

“Vast!” zei Remco stellig. “Zo’n tien jaar geleden is besloten Tiengemeten terug te geven aan de natuur. Alle bewoners van het eiland moesten het verlaten.”

“Ja, dat heb ik net ook gelezen,” zei Marieke. Het klonk een beetje spottend.

“En het land van de boeren komt gedeeltelijk onder water te staan,” ging Remco, totaal niet uit het veld geslagen, verder. “Vandaar die kreet op dat papier: ‘Leuk hè, als je land onder water wordt gezet!’ De dader wil gewoon dat anderen ook aan den lijve ondervinden, hoe vervelend het is als je land overstroomd wordt.”

“Toch vind ik het geen slimme actie,” zei Marieke. “Hij kan toch op z’n klompen aanvoelen, dat hij zal worden ontmaskerd.”

“Misschien maakt hem dat wel niets uit. Wat zou jij doen, als iemand je dwingt je bedrijf op te geven en ergens anders te gaan wonen?”

“Ik zou er niet vrolijk van worden,” gaf Marieke toe. “En wat nu?”

“We kunnen twee dingen doen,” zei Remco. “We kunnen naar de politie gaan of zelf proberen te achterhalen wie het gedaan heeft.”

“Ik vind dat we de rest van het speurwerk beter aan de politie kunnen overlaten,” vond Marieke. “Ten eerste kost het erg veel tijd om uit te vinden wie er op het eiland gewoond hebben en waar ze naartoe zijn verhuisd en ten tweede kan het best zijn, dat die man gevaarlijk is.’

“Je hebt helemaal gelijk!”zei Remco. Hij sloot zijn laptop af en wenkte de eigenaar van het restaurant.

“We willen graag betalen en kunt u ons zeggen waar het politiebureau is?” vroeg hij, toen de man hem vragend aankeek.

 

Twee dagen later rinkelde de telefoon op het bureau van Remco.

“Met Remco Jongeneel van het Christelijk Dagblad,” wist Remco met moeite uit te brengen. Dankzij zijn tocht op blote voeten door het ijskoude water was hij snipverkouden geworden.

“U spreekt met De Putter van de politie van Numansdorp,” klonk het uit de hoorn. “Ik heb een nieuwtje voor u.”

“U hebt de dader van de dijkdoorbraak te pakken!” zei Remco enthousiast.

“Precies!”

“Wie is het?”

“Ik mag helaas geen namen noemen, maar uw vermoeden klopte.”

“Het was dus één van de voormalige bewoners van het eiland Tiengemeten!”

“Inderdaad. Dankzij de aanwijzing die de dader in de cabine van de graafmachine had achtergelaten, was het niet zo’n heel groot probleem. We zijn gewoon de lijst met voormalige bewoners van Tiengemeten afgegaan en hebben gekeken, wie er hier nog in de buurt wonen. Dat zijn er niet zo heel veel. De meeste boeren hebben van het geld dat ze hebben gekregen voor hun vertrek van het eiland ergens anders een nieuwe boerderij gekocht, bijvoorbeeld in de Flevopolder of in de Wieringermeer. Uiteindelijk bleven er maar een paar over en die hebben we stevig aan de tand gevoeld.”

“Al met al was het dus niet zo moeilijk!”

“Toch wel, want we hadden geen enkel bewijs. In de graafmachine waren er nauwelijks vingerafdrukken te vinden en de afdrukken die er zaten waren van de mensen die voor het bouwbedrijf werkten waarvan de machine was. Ook nauwkeurig onderzoek van het papier leverde niets op. We hebben de mogelijke daders gevraagd met een stift de regel: ‘Leuk hè, als je land onder water wordt gezet!’ op een wit stuk papier te zetten. Dat hebben ze ook allemaal gedaan, maar de letters zagen er heel anders uit.”

“Als ik het gedaan had, zou ik ook heel anders schrijven dan normaal,” onderbrak Remco de politieman.

“Precies. Dus dat schoot ook niet op.”

“Hoe zijn jullie er uiteindelijk achter gekomen wie het gedaan heeft?” vroeg Remco nieuwsgierig.

“Op een gegeven moment waren er vijf verdachten over, drie vrouwen en twee mannen. Die hebben we bij elkaar in een kamer gezet en gezegd, dat we ze pas weer zouden laten gaan, als de dader bekend had.”

“En daar trapte de dader in? Dat kan ik me niet voorstellen. Waarschijnlijk kenden die voormalige bewoners van Tiengemeten elkaar goed. Je gaat je vroegere buren toch niet verlinken?”

“Dat deden ze ook niet, maar ze begonnen wel over die goede, oude tijd op het eiland te praten. Die gesprekken hebben we opgenomen en later nog een paar keer beluisterd. Aan de manier waarop de mensen praatten, konden we opmaken dat niet iedereen het even erg vond dat ze van het eiland weg moesten. Een ouder echtpaar vond het een hele vooruitgang, omdat ze nu niet meer telkens met de pont het Haringvliet over hoefden. Ze konden nu ook veel gemakkelijker op bezoek gaan bij hun kinderen en kleinkinderen in Heinenoord.”

“Toen bleven er dus nog maar drie verdachten over,” telde Remco. “Twee vrouwen en een man. Nou, dat lijkt me simpel.”

De politieman schoot in de lach.

“Zo simpel was het niet. Die man is links en een politiedeskundige was er van overtuigd dat de dader rechts was.”

Remco’s mond viel open van verbazing.

“Heeft een vrouw het gedaan!”

“Ja, dat klopt. Toen we dat eenmaal wisten, hebben we de beide vrouwen om beurten stevig ondervraagd. Uiteindelijk, na een paar pittige verhoren, gaf de alleenstaande vrouw toe.”

“Heeft ze ook gezegd waarom ze het gedaan heeft?”

“Een jaar nadat ze naar de Hoeksche Waard waren verhuisd, is de man van die vrouw overleden. Volgens de vrouw is hij dood gegaan van heimwee naar het eiland.”

“Maar dat is toch geen reden om een dijk kapot te maken?”

“Volgens haar is het de schuld van de overheid dat Tiengemeten een natuurgebied is geworden. Daarom probeerde ze op deze manier de provincie terug te pakken.”

“Onbegrijpelijk!” zei Remco uit de grond van zijn hart. “Wat gaat er nu met haar gebeuren?”

“Dat moet de rechter maar bepalen, maar voorlopig zit ze in een gesloten inrichting. Daar wordt ze constant in de gaten gehouden, want we zijn bang dat ze zichzelf iets aandoet. Toen wij haar arresteerden zei ze dat ze dood wilde, zodat ze weer bij haar man in de hemel zou zijn.”

“Ze is dus een christin,” zei Remco verwonderd.

“Ja. Ze ging ook elke zondag trouw naar de kerk. Diep in haar hart is ze, geloof ik, ook blij dat ze gepakt is. Toen ik haar de laatste keer sprak, zei ze dat ze spijt heeft van haar daad. ‘Ik had het recht nooit in eigen hand mogen nemen,’ zei ze. Ze heeft ook gevraagd of ze met haar dominee mocht praten. Uiteraard hebben wij dat toegestaan. Nou, dat was het, geloof ik, wel zo’n beetje.”

“Ik heb nog één vraag,” zei Remco vlug. “Hoe wist ze hoe die graafmachine werkte?”

“Precies weten we dat niet, maar toen ze nog boerin was op het eiland werkte ze altijd mee op het land. Ze had er geen moeite mee trekkers, combines of andere landbouwmachines te besturen.”

“Ze stond als vrouw dus haar mannetje!”

“Zo is dat! Nou, succes met je verhaal voor de krant van morgen! Bedankt voor de hulp en tot ziens!”

Het duurde even voordat Remco de draad van het verhaal waar hij mee bezig was weer op kon pakken. In gedachten was hij bij de vrouw, die uit pure wanhoop een gat in de dijk had gegraven. Zoals hij al vermoedde was de hele actie een schreeuw om aandacht geweest.

‘Waarom is er niemand in haar omgeving geweest die haar heeft kunnen helpen?’ vroeg hij zich af. ‘Eigenlijk zijn we dus allemaal een beetje schuldig aan deze wanhoopsdaad!’