Verhalenarchief 2010-2011 - Juni 2011

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mail

Inhoudsopgave
Verhalenarchief 2010-2011
September 2010
Oktober 2010
November 2010
December 2010
Januari 2011
Februari 2011
Maart 2011
April 2011
Mei 2011
Juni 2011
Juli 2011
Augustus 2011
September 2011
Oktober 2011
November 2011
December 2011
Alle pagina's

 

 

ONRUST OP BOSCHLUST

 

Het liep al tegen de middag toen Remco Jongeneel door de hoofdredacteur Erik Drent bij zich werd geroepen.

“Ga zitten,” zei Erik, toen Remco zijn kantoor binnenkwam.

“Hebt u me ergens voor nodig?” vroeg Remco.

Erik Drent knikte.

“Jij houdt van raadsels, hè?”

Remco schoot in de lach.

“Ik kan juist helemaal niet tegen raadsels,” grinnikte hij. “Daarom probeer ik ze altijd zo snel mogelijk op te lossen.”

“Mooi zo,” zei Erik. “Dan heb ik een leuk klusje voor je.”

“Ik neem aan, dat het met m’n werk voor de krant te maken heeft,” zei Remco.

“Natuurlijk, al denk ik niet, dat het dit keer een grote primeur zal opleveren.”

“U maakt me nieuwsgierig,” zei Remco.

“Luister. Mijn ouders hebben al jaren een stacaravan op een kleine camping op de Veluwe, in de buurt van Elspeet. Ze hebben er altijd met veel plezier gestaan, maar de laatste tijd gebeuren er allerlei vervelende dingen. Ze overwegen daarom de caravan te verkopen en een andere camping te zoeken. Dat zou ik heel jammer vinden, want ze komen daar al jaren en kennen ook de meeste vaste campinggasten.”

“Wat voor vervelende dingen?” wilde Remco weten.

“Dat kunnen m’n ouders je beter zelf vertellen.”

“U wilt dus dat ik daar een kijkje ga nemen?”

“Graag. Het is momenteel niet zo druk, dus als je zou willen…”

“Waarom gaat u zelf niet?” flapte Remco eruit.

“Omdat ik verantwoordelijk ben voor de krant, die morgen bij de lezers op de mat ligt.”

“Mag Marieke mee?”

“Van mij wel. Twee zien meer dan een en jullie worden niet voor niets ‘Het Team’ genoemd,” zei Erik Drent.

 

Een uur later waren Remco en Marieke onderweg. Het was stralend weer en Remco had het dak van zijn oude, Lelijke Eend opengeschoven. Hij vermeed de A28 en reed langs allerlei mooie boswegen naar het adres dat Erik hem had gegeven.

“Ik kan me slechtere manieren bedenken om m’n geld te verdienen,” zei Marieke lachend. “Ik hoop, dat we everzwijnen zien. Daar lopen er hier toch veel te veel van rond?”

“Ik denk niet dat we die beesten te zien krijgen,” zei Remco. “Daar zijn ze te schuw voor. Volgens mij zie je die dieren alleen ’s nachts en ’s morgens vroeg. Ik zou trouwens liever geen woedend everzwijn tegenkomen.”

“Ik ook niet,” gaf Marieke toe. “Kijk, daar moeten we heen.”

Aan de kant van de weg stonden twee borden onder elkaar. Op de ene stond het tekentje van een camping, met daaronder Boschlust, op het andere waren een stel huisjes getekend met daaronder de tekst Recreatiepark De Bosrand. Een pijl eronder wees naar rechts.

“Lekker toeristisch hier,” constateerde Marieke.

Boschlust bleek een kleine, gemoedelijke camping te zijn. Er was wel een slagboom, maar die stond uitnodigend open.

“Wat doen we?” vroeg Remco, terwijl hij uitstapte. “Gaan we eerst naar Eriks ouders of naar de campinghouder?”

“Laten we eerst maar naar de campingbaas gaan,” vond Marieke. “Misschien vindt hij het wel helemaal niet leuk, als we zomaar op zijn camping rondneuzen.”

Samen liepen ze naar een gebouw, waar boven de deur een houten plank was bevestigd, waarop met grote krulletters stond: ‘RECEPTIE’. In het kantoortje was niemand, maar gelukkig ontdekte Remco een bel op de balie. Hij drukte erop, maar er volgde geen reactie. Pas nadat Remco voor de tweede keer had gebeld verscheen er een man. Hij gaapte zo hartgrondig, dat Remco en Marieke in de lach schoten.

“Sorry,” zei de man. “Ik heb de afgelopen nachten geen oog dichtgedaan en was daardoor op m’n stoel in slaap gevallen.”

“Heeft dat te maken met de vervelende gebeurtenissen van de afgelopen tijd?” vroeg Remco.

De campingbaas was meteen klaarwakker.

“Wat weten jullie daarvan?” vroeg hij nijdig.

Haastig legde Remco uit, wie ze waren en waarom ze naar de camping waren gekomen.

“Kom maar even mee naar achteren,” zei de man, “daar kunnen we rustig praten. Trouwens, mijn naam is Jaap, Jaap Bos.”

“Met sch?” vroeg Remco.

De campingbeheerder schudde zijn hoofd: “Gewoon met een s. Vroeger stond hier een huis met de naam Boschlust. Met sch, omdat bos vroeger zo werd geschreven. Dat ik Bos heet is puur toeval.”

“Wat voor vervelende dingen gebeuren er allemaal?” vroeg Marieke toen ze eenmaal zaten.

“Allemaal kleine en grotere pesterijen,” vertelde meneer Bos. “We hebben een heleboel vaste gasten die hier een stacaravan hebben. Daarvan worden ruiten ingegooid, tuintjes omgewoeld, tuinkabouters vernield, hekjes omgetrapt en meer van dat soort vervelende dingen. Veel gasten zijn hier alleen in het weekend, maar dan gebeurt er nooit wat. De dader kiest altijd caravans uit, waarvan de eigenaren er niet zijn. Ook gebeurt het regelmatig dat de haringen van tenten uit de grond worden getrokken als het regent, zodat de hele boel kletsnat wordt.”

“Wie doet er nu zoiets?” vroegen Remco en Marieke precies tegelijk.

“Als ik dat wist, was het probleem snel opgelost,” zei Jaap Bos. “Ik heb werkelijk geen idee. Geloof me, ik heb er heel wat voor over de dader op heterdaad te betrappen. Maar ik kan onmogelijk dag en nacht wakker blijven. Blijkbaar ruikt de dader wanneer ik lig te slapen, want dan slaat hij toe.”

“Kunnen het geen everzwijnen zijn?” vroeg Remco. “Als ik het goed heb begrepen, lopen er teveel van die dieren rond op de Veluwe en zorgen ze voor de nodige overlast.”

“Heb jij ooit een everzwijn een raam in zien gooien?” vroeg Marieke spottend.

“Het zijn geen everzwijnen,” gaf Jaap Marieke gelijk. “In het verleden hebben we daar wel eens last van gehad. Daarom hebben we een hek om de camping geplaatst en bij de ingangen wildroosters laten maken.”

“Er zijn dus meerdere ingangen,” stelde Remco vast.

“Klopt! Behalve de hoofdingang is er ook nog een achteringang. Die is alleen bedoeld voor voetgangers, die een boswandeling willen maken. Vroeger was het gewoon een opening in de omheining met een wildrooster, maar nadat de ellende is begonnen, heb ik er een hek in gemaakt. ’s Avonds om half elf gaat de boel op slot en ’s morgens om een uur of zeven maak ik het hek weer open. De campinggasten weten dat.”

“En de hoofdingang, wordt die ook afgesloten?” wilde Remco weten.

“Na tienen mogen er geen auto’s op het terrein rijden. Dan is de slagboom dicht. Maar lopend of op de fiets kun je dag en nacht de camping op en af. We zijn een camping, geen concentratiekamp.”

“Vervelend allemaal,” leefde Marieke mee. “Iedereen kan het dus gedaan hebben.”

“Hebt u met iemand ruzie?” vroeg Remco. “Een vroegere campinggast, die u hier hebt weggestuurd of zoiets?”

“Ik zou het echt niet weten! Het is minstens zes jaar geleden dat ik een stel baldadige jongens van de camping heb weggestuurd, omdat ze iedere nacht de boel op stelten zetten. Later heb ik trouwens van één van hen een excuusbrief gekregen. Verder zou ik het echt niet weten.”

“En één van de vaste campinggasten?” opperde Marieke.

“Dat kan ik me nauwelijks voorstellen. Als er problemen zijn, lossen we die samen op, zo werkt dat hier.”

“We moeten uit zien te vissen, wie er belang bij heeft, uw camping een slechte naam te bezorgen,” zei Remco. “Anders zou ik het ook niet weten. Zijn er hier andere campings in de buurt?”

Jaap Bos schoot in de lach.

“Het wemelt op de Veluwe van de campings. Vaak zijn die veel groter dan de mijne. Ik kan me niet voorstellen, dat één van mijn collega’s mij probeert weg te pesten, zodat hij meer klanten krijgt. Zomers zijn bijna alle campings vol, dus daar kan het ook niet aan liggen,” zuchtte Jaap.

“Er moet toch een motief zijn!” zei Remco.

“Daar komen we waarschijnlijk pas achter, als we de dader te pakken hebben,” zei Marieke. “We moeten proberen hem op heterdaad te betrappen.”

“Of haar! Het kan ook een vrouw zijn!” zei Remco.

“Vrouwen doen zoiets niet!”

Marieke zei het zo stellig, dat Jaap Bos in de lach schoot.

“De tijd zal het leren! Maar als ik het goed begrijp, willen jullie me dus helpen!”

“Natuurlijk!” zei Remco. “Ik heb een plan!”

 

Omdat ook het gesprek met Eriks ouders niets had opgeleverd fietsten twee weken later in de loop van de middag vier jongelui het campingterrein van Boschlust op. Hun fietsen waren afgeladen met een paar lichtgewicht tentjes, slaapzakken, luchtbedden en andere kampeerspullen. Het waren Remco en Marieke, samen met Remco’s tweelingbroer en –zus Christiaan en Christine.

Vrolijk pratend en lachend liepen ze naar de receptie. Remco deed het woord.

“Hebt u nog een plaats voor ons vrij?” vroeg hij aan het meisje, dat achter de balie van de receptie zat.

“Sorry,” zei het meisje. “In principe zijn wij een gezinscamping. Er kamperen hier voornamelijk ouderen en gezinnen met jonge kinderen. Voor jongelui valt hier weinig te beleven. Een paar kilometer verderop is een veel grotere camping. Daar hebben ze een apart veld voor jongeren. ’s Avonds is daar ook een disco en er worden allerlei sportieve activiteiten georganiseerd. Misschien kunnen jullie het daar proberen.”

Geschrokken keken Remco en Marieke elkaar aan. Hier hadden ze niet op gerekend.

“Wij willen helemaal niet naar de disco,” zei Marieke. “We zijn hier juist naartoe gekomen voor de rust en om te genieten van de natuur.”

“Hebben jullie een radio of zoiets bij jullie?” vroeg het meisje.

Remco schudde zijn hoofd.

“We zouden het heel erg fijn vinden, als je voor ons een uitzondering wilt maken,” zei hij. “We zullen ons echt heel netjes gedragen.”

“Wat mij betreft mogen jullie hier kamperen, maar ik denk niet, dat meneer Bos het goed vindt,” aarzelde het meisje.

“Daar kunnen we maar op één manier achter komen,” zei Remco. “Zou je het hem willen vragen?”

“Ik wil het wel doen, maar reken er maar niet teveel op.” Fluisterend voegde ze er aan toe: “M’n baas heeft de laatste tijd een humeur om op te schieten.”

“Hoe komt dat?” vroeg Christiaan met een effen gezich

“Dat doet er niet toe,” zuchtte het meisje. “Wachten jullie even, dan ga ik hem bellen.”

Ze tikte een nummer in en draaide zich daarna om. Zachtjes begon ze te praten. Remco en de anderen deden net alsof ze niet mee wilden luisteren en liepen naar het raam. Pas toen het meisje de hoorn weer had neergelegd liepen ze terug naar de balie.

“Meneer Bos komt eraan,” zei ze. “Voordat hij een besluit neemt, wil hij eerst zien wat voor vlees hij in de kuip heeft.”

 

Meneer Bos arriveerde vijf minuten later. Zoals afgesproken deden ze allemaal net alsof ze elkaar niet kenden. Nadat hij het viertal de hand had geschud, vroeg hij: “Hoelang zijn jullie van plan te blijven?”

“Dat hangt er vanaf,” zei Remco, “maar waarschijnlijk zijn we binnen een paar dagen weer vertrokken.”

“Goed,” zei meneer Bos, “ik wil het wel met jullie proberen, maar zodra ik merk dat jullie overlast veroorzaken, moeten jullie vertrekken.”

“Van ons zullen jullie geen last hebben,” beloofde Marieke.

 

Drie kwartier later stonden de twee tenten en waren Marieke en Christiaan bezig met het avondeten.

“Hadden we niet beter gewoon tegen het meisje kunnen zeggen, dat we hierheen zijn gekomen om een eind te maken aan alle ellende van de laatste tijd?” vroeg Christine zich hardop af.

“Dat leek ons niet verstandig,” vertelde Remco. “Hoe minder mensen weten waarom we hier zijn, hoe beter het is.”

“Ik ben blij dat we hier hopelijk niet al te lang hoeven te staan,” zei Christiaan. “Dit is waarschijnlijk de saaiste camping waar ik ooit heb gekampeerd.”

“Wat dat betreft is het wel goed, dat het meisje ons waarschuwde,” zei Marieke.

Na het eten liepen ze samen een rondje over de camping. Christiaan gaapte verstolen achter zijn hand.

“Wakker blijven, broertje,” plaagde Remco. “We hebben nog een lange nacht voor de boeg.”

“Ik hoop, dat die vandaal vannacht toeslaat,” zei Christine. “Dan kunnen we morgen weer naar huis.”

“St!” waarschuwde Remco. “Het is niet de bedoeling dat de mensen weten waarom we hier zijn.”

“Eigenlijk had Erik Drent hier ook moeten zijn,” vond Marieke. “Hij zij wel erg gretig ‘Ja’ toen wij voorstelden hier een paar nachten te gaan posten.”

“Eerlijk gezegd kan ik me Erik Drent niet echt in een tent voorstellen,” zei Remco. “Volgens mij vindt hij kamperen veel te primitief.”

“Geef hem eens ongelijk,” zei Marieke. “Ik vind het eigenlijk ook maar niks. Vooral als het regent is kamperen helemaal niet leuk.”

 

Terug bij de tenten namen ze voor de laatste keer hun plan door. Twee aan twee zouden ze die nacht over de camping sluipen, in de hoop de onruststoker op heterdaad te betrappen. Zodra één van de twee paartjes iets verdachts opmerkte, zouden ze de anderen waarschuwen met behulp van hun mobieltjes. Het geluid daarvan hadden ze afgezet; de trilfunctie was voldoende.

Om tien uur zochten ze de douchehokken op. Daarna kropen Christine en Marieke in de ene tent en Remco en Christiaan in de andere. Jaap Bos had hen verteld dat de man of vrouw die de boel vernielde altijd pas na middernacht toesloeg.

Precies om twaalf uur ritsten ze voorzichtig hun tent weer open. De tweeling ging de ene kant op, in de richting van de ingang van de camping. Remco en Marieke slopen naar het gedeelte van de camping waar de stacaravans stonden, omdat de vernielingen daar het vaakst plaatsvonden.

De camping lag er verlaten bij. Langs de weggetjes en paden brandden lantaarns, maar bijna alle stacaravans waren donker. De bewoners sliepen of waren er niet.

Marieke en Remco probeerden zoveel mogelijk in de schaduw te blijven, zodat de man of vrouw die de boel vernielde hen niet zou opmerken.

Het werd een lange nacht en er gebeurde niets. De enige levende wezens die Remco en Marieke zagen, waren konijntjes die bij het licht van de maan op de grasvelden rond hipten. Teleurgesteld zochten ze om een uur of vijf hun tenten weer op. Het zou niet lang meer duren voordat de zon opkwam en de kans dat de vandaal zou toeslaan was nu wel heel klein.

Christiaan en Christine waren ook net terug.

“Tjonge, wat ben ik blij dat het er op zit!” zuchtte Christiaan. “Ik dacht dat we een avontuur gingen beleven!”

Remco schoot in de lach.

“Avonturen komen meestal niet op bestelling,” zei hij. “Laten we maar gauw naar bed gaan, morgen praten we wel verder.”

Hoewel hij bekaf was, kon Remco de slaap niet vatten. Er was iets, iets belangrijks, maar hij wist niet wat. Toen hij eindelijk in slaap viel, droomde hij van een woeste achtervolging door de bossen achter de camping. Toen hij de dader eindelijk te pakken had, bleek het Erik Drent te zijn, die hem uitlachte en zei, dat het allemaal een grap was.

 

Pas om een uur of elf kwam er weer wat beweging in de twee tentjes. Drie kwartier later zaten ze aan een laat ontbijt, dat ze maar meteen met het middageten combineerden.

“Wat een dooie bedoening was dat vannacht,” zei Christiaan met volle mond. “Het leek wel of alle caravans onbewoond waren.”

Remco verslikte zich bijna in zijn boterham met gebakken ei. Dat was het!

“De dader staat hier op de camping!” zei hij, toen hij zijn mond leeg had.

“Hoe weet je dat opeens zo zeker?” vroeg Christine.

“Jaap Bos vertelde ons, dat de dader altijd caravans uitkiest, waar niemand thuis is,” legde Remco uit. “Hij moet dus weten, welke gasten er wel en welke er niet zijn. Ik zag vannacht geen verschil tussen de bewoonde en onbewoonde caravans. Jullie wel?”

De drie anderen schudden hun hoofd.

“Iemand die hier niet iedere dag rondloopt, kan nooit zeker weten of er iemand in een caravan ligt te slapen, tenzij hij er met zijn neus bovenop heeft gestaan!” zei Remco triomfantelijk.

“Dan hoeven wij vannacht dus niet bij de ingang te posten,” bedacht Christine. “We kunnen ons dan alle vier tussen de stacaravans verstoppen. Des te groter is de kans dat we de dader snappen.”

Remco knikte instemmend.

“Hopelijk slaat hij vannacht wel toe,” zei hij. “Ik moet er niet aan denken nog een nacht voor niets buiten rond te scharrelen.”

 

Klokslag twaalf die nacht gingen ze weer op pad. ’s Middags hadden ze nog een rondje over de camping gelopen en gekeken welke caravans bewoond werden. Die caravans zouden ze extra in de gaten houden, omdat de dader hoogstwaarschijnlijk uit één ervan zou komen. Deze keer bleven ze niet met z’n tweeën bij elkaar, maar zochten ze elk een eigen plekje op.

Remco huiverde in het donker. Hij stond tegen een dikke boom geleund. Allemaal hadden ze donkere kleren aangetrokken, zodat ze minder zouden opvallen.

Tegen tweeën hoorde hij een geluid. Het kwam uit de richting van het hek dat de camping van het bos scheidde. Terwijl hij in de richting van het geluid begon te sluipen, trilde de telefoon tegen zijn rechterbeen. Blijkbaar was hij niet de enige die iets had gehoord. Des te beter, dan was hij niet alleen als hij probeerde de laffe vandaal te overmeesteren.

Bij het hek aangekomen, zag hij niemand. Het geluid kwam niet vanaf de camping, maar van buiten het hek. Onder de bomen bewoog iets.

Remco schrok zich een hoedje, toen hij opeens een hand op zijn schouder voelde.

“Zie je iets?” fluisterde Christiaan.

“Daar, onder de bomen beweegt wat!” wees Remco.

“Een everzwijn!” zei Christiaan opgewonden.

“Allemaal leuk en aardig,” zei Remco. “Maar ik had toch liever gehad dat het onze dader was.”

Op dat zelfde moment klonk achter hen glasgerinkel, gevolgd door een kreet: “Houdt hem!”

“Christine!”

Zo snel ze konden renden de broers in de richting van het geluid.

“Wacht!” zei Remco opeens. Haastig trok hij Christaan mee achter een boom, die naast het pad stond. “Hij komt deze kant op.”

Christiaan hoorde het nu ook. Over het pad naderde iemand. Zijn snuivende adem en rennende voetstappen waren duidelijk te horen.

“We pakken hem van achteren, als hij lang komt!” siste Remco.

Hij was nog maar nauwelijks uitgesproken toen de man passeerde. Remco wilde hem grijpen, maar Christiaan was hem voor. Met een tackle die hem op het voetbalveld een bloedrode kaart op zou leveren, vloerde hij de vluchteling. De man viel, maar probeerde meteen weer overeind te komen. Zover liet Christiaan het niet komen. Hij ging bovenop de rug van de man zitten, zodat die geen kant meer op kon.

“Hij ging die kant op!” hoorden de jongens in de verte Marieke roepen.

“We hebben hem,” riep Remco terug. “Ga meneer Bos halen en waarschuw de politie.”

“Geen politie,” kreunde de man.

“Vanaf nu bepalen wij wat er gebeurt!” zei Remco scherp. “Het is afgelopen met uw valse spelletjes!”

 

Een kwartier later zaten ze met z’n zessen in de kantine. Remco en Christiaan zaten elk aan een kant van de betrapte dader. Het was een man van een jaar of zeventig. Hij zag er verschrikkelijk uit. Bij de val was hij tegen een boomstronk geklapt, waardoor hij een dikke buil op z’n voorhoofd had. De broek van zijn trainingspak was gescheurd en zat vol groene en bruine vegen. Met gebogen hoofd zat hij somber voor zich uit te staren.

Vol ongeloof schudde Jaap Bos zijn hoofd.

“Meneer Groen!” zei hij voor de zoveelste keer. “Ik kan het nog steeds niet geloven! Hoe lang staat u hier al niet op de camping?”

“Twaalf jaar.” Het antwoord van meneer Groen was nauwelijks te verstaan.

“Waarom hebt u het gedaan?” was Jaap Bos’ volgende vraag.

“Ik ben stom geweest!” fluisterde meneer Groen.

“Dat is wel duidelijk!” zei Remco. “Maar daarmee hebben we geen antwoord op onze vraag.”

“Mijn caravan staat op instorten en ik heb geen geld om een nieuwe te kopen,” zei meneer Groen.

“En uit jaloezie vernielt u daarom de caravan van uw buren!? Belachelijk!” zei Jaap Bos kwaad. “Hoe kunt u! Zondags zit u met een schijnheilig gezicht vlak bij ons in de kerk, om er vervolgens ’s nachts op uit te gaan. Wat bent u voor een christen?”

“Ik weet niet wat me bezielt,” gaf Groen toe. “Iedere keer denk ik weer: ik doe het niet, maar dan belt m’n opdrachtgever weer. Hij belooft me gouden bergen en daarom ga ik ’s nachts toch weer op pad.”

“Opdrachtgever?” vroeg Christine verbaasd. “U doet het dus niet uit u zelf!”

“Van wie moet u de boel hier slopen?” zei Jaap Bos. Aan zijn toon was duidelijk te horen, dat die persoon voorlopig maar beter uit de buurt kon blijven.

Meneer Groen antwoordde niet, maar keek naar de grond.

“Ik denk dat ik het wel weet!” zei Remco tegen Jaap Bos. “Volgens mij zitten uw buren hier achter.”

“Mijn buren?” vroeg de campinghouder verbaasd.

“Ja, die lui van dat bungalowpark De Bosrand! Die lui willen vast uitbreiden, maar omdat ze geen bos mogen kappen, willen ze dit terrein kopen!” zei Remco.

“Je slaat de spijker op z’n kop,” mompelde meneer Groen.

“En u krijgt er geld voor, als u er voor zorgt dat meneer Bos zijn camping wel moet verkopen!” begreep Marieke.

“Geen geld, maar een huisje op De Bosrand, op de plaats waar nu m’n caravan staat.”

“Waarom bent u niet bij mij gekomen, om over de problemen met uw caravan te praten?” vroeg Jaap Bos. “U weet toch dat ik ’s winters, als het rustig is op de camping, bewoners help met klusjes aan hun caravans?”

“Ik weet werkelijk niet, wat me bezield heeft,” zei meneer Groen. “Wilt u me alstublieft vergeven?”

‘Dat gaat wel erg gemakkelijk!’ dacht Remco.

“U moet niet alleen aan mij, maar ook aan Iemand anders vergeving vragen,” zei Jaap Bos. “Ik denk, dat u wel weet Wie ik bedoel.”

Meneer Groen knikte nauwelijks merkbaar. Er glinsterden tranen in zijn ogen.

“Wat doen we nu?” vroeg Marieke. “Hebt u de politie al gewaarschuwd?”

“Nog niet. Laten we eerst maar gaan slapen, dan zien we morgen wel verder. Ik neem aan, dat u uw lesje inmiddels geleerd heb, meneer Groen?”

Opgelucht kwam meneer Groen overeind.

“Ik zal alle schade vergoeden,” beloofde hij.

“Doe geen beloften die u niet waar kunt maken!” waarschuwde Jaap Bos. “Morgen spreken we elkaar wel weer. Heel hartelijk bedankt, jongens. Dankzij jullie kunnen de bewoners van Boschlust voortaan weer rustig slapen.”

“Slapen!” gaapte Christiaan. “Ik kan me op dit moment niets beters bedenken!”