Verhalenarchief 2010-2011 - September 2010

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mail

Inhoudsopgave
Verhalenarchief 2010-2011
September 2010
Oktober 2010
November 2010
December 2010
Januari 2011
Februari 2011
Maart 2011
April 2011
Mei 2011
Juni 2011
Juli 2011
Augustus 2011
September 2011
Oktober 2011
November 2011
December 2011
Alle pagina's


 

 

ONTDEKKING AAN DE BOSRAND

De spanning in de oude Eend van de jonge journalist Remco Jongeneel  was om te snijden. Zijn gezelschap, de fotografe Marieke Wielinga, zat strak voor zich uit te kijken. De vergadering van de politieke vereniging, waar het tweetal een verslag van had moeten maken voor de krant waarvoor ze werkten, was behoorlijk uitgelopen. Maar wat Marieke nog het meest dwarszat, was dat Remco daarna nog minstens twintig minuten met een kennis had staan praten. Ze wilde naar huis, het liefst ze snel mogelijk! En nu had Remco er ook nog voor gekozen een binnenweg te nemen in plaats van de snelweg, omdat ze zo volgens zijn zeggen een hele hoek afsneden. Marieke kon hem wel villen! De weg waarover ze reden was af en toe behoorlijk verzakt, waardoor ze op haar bank heen en weer werd geslingerd.

  Remco, die wel door had dat Marieke de smoor in had, tuurde gespannen naar de weg voor hem. Ze kwamen bij een tweesprong en op goed geluk koos hij de linkerkant. Voor geen goud wilde hij Marieke vertellen, dat hij er geen flauw idee van had, waar ze op dat moment zaten. Als zijn collega dat doorkreeg, was het hek natuurlijk helemaal van de dam.

Inwendig zuchtte Remco diep. Vrienden zouden hij en Marieke wel nooit worden! Hoewel ze door hun hoofdredacteur Erik Drent regelmatig samen op pad werden gestuurd en ze al het nodige hadden meegemaakt, wilde het op één of andere manier maar niet lukken normaal tegen elkaar te doen. Hij had zich de laatste maanden al heel vaak afgevraagd hoe lang het nog zou duren voor de bom weer eens zou barsten. Als hij naar het strakke gezicht van het meisje naast hem keek, wist hij dat dat moment wel eens heel dichtbij kon zijn.

Remco werd uit zijn sombere overpeinzingen opgeschrikt, doordat de motor van zijn Eend begon te sputteren. Marieke had het kennelijk ook gehoord, want geschrokken keek ze hem aan.

Remco had onmiddellijk door wat er aan de hand was. Hij had die middag moeten tanken, maar was dat in de drukte helemaal vergeten.

“Wat is er aan de hand?” vroeg Marieke scherp. Een laatste gereutel van de motor van de Eend was het antwoord. De stilte die daarop volgde sprak voor zich.

“Heeft dat oude ding het eindelijk voorgoed af laten weten?” vroeg Marieke spottend.

“Het ligt niet aan m’n auto,” verdedigde Remco zijn trouwe voertuig. “Ik had vanmiddag moeten tanken.”

“Wat ben je ook een….” Marieke slikte het lelijke woord, dat op het puntje van haar tong lag, nog net in. “Ik neem aan dat je lid bent van de Wegenwacht?”

“Heel verstandig, als je in zo’n oud barrel rondrijdt,” constateerde Marieke. “Noou, waar wacht je op? Ga ze bellen!’

“Ik heb geen telefoon bij me,” moest Remco bekennen. “Ik had niet gedacht dat we die vandaag nodig zouden hebben.”

Marieke ontplofte zowat.

“Half Nederland loopt onnodig met zo’n mobieltje rond, terwijl jij, die zo’n ding regelmatig voor je werk nodig hebt, het thuis laat liggen. Hoe is het mogelijk!”

“Ik heb hem op m’n werk laten liggen,” verdedigde Remco zich zwakjes. “Privé heb ik niet zo’n ding en als het even kan wil ik dat graag zo houden.”

“Nou, daar zitten we dan,” zei Marieke. “Ergens middenin het bos, ik weet niet hoe ver van de bewoonde wereld vandaan. Je wordt bedankt!”

Remco keek om zich heen. Marieke had gelijk. Ze bevonden zich inderdaad middenin een bos en niets wees op de aanwezigheid van mensen.

Met een diepe zucht opende hij het portier van zijn auto.

“Blijf jij maar hier,” zei hij tegen Marieke, “dan ga ik op zoek naar een huis waar ik kan bellen.”

“Geen sprake van,” zei Marieke. “Ik blijf hier voor geen goud alleen in het bos achter. Stel dat er iemand langskomt die mij hier in m’n eentje aantreft.”

‘Mijn Eendje,’ grinnikte Remco inwendig. Toch paste hij er wel voor op dat hardop te zeggen. Het was niet nodig Marieke nog meer op stang te jagen.

“Laten we maar gaan,” zei hij alleen.

Marieke maakte het achterportier open en duwde haar zware fototas in Remco’s handen.

“Hier,” zei ze. “Die mag jij dragen!”

“Kunnen we die spullen niet gewoon in de auto laten liggen?” probeerde Remco nog. Marieke schudde haar hoofd.

“Als je een normale auto had gehad, was het geen punt geweest,” zei ze. “Maar bij dit gammele geval kan iedereen binnen de kortste keren inbreken. Ik voel er niets voor mijn spullen te laten liggen.”

Remco keek naar de draagtas, waarin zijn laptop zat. Marieke had gelijk, ze konden beter geen waardevolle spullen in de auto achterlaten. Er hoefde maar iemand met grijpgrage handjes langs te komen en ze waren hun bezittingen kwijt.

Met zichtbare tegenzin hees hij de laptop over zijn linkerschouder en de fototas over zijn rechterschouder.

‘Zo loop ik in ieder geval in evenwicht,’ bedacht hij.

Marieke nam de leiding en wees op de weg die voor hem lag.

“Laten we die kant maar opgaan,” zei ze. “Ik heb de laatste tien minuten dat we reden niets anders dan bos gezien, dus heeft teruggaan geen zin.”

Zonder op een reactie van Remco te wachten begon ze te lopen. De jongen kon niets anders doen dan haar volgen.

Zwijgend liepen ze een minuut of tien verder, tot het bos wat minder dicht was. Kort daarna hadden ze de bosrand bereikt. Doordat hun ogen inmiddels goed aan het donker gewend waren, zagen ze de donkere schaduw tegen de rand van de bosrand meteen.

“Daar staat een huis,” zei Remco opgelucht. “Hopelijk kunnen we daar bellen.”

Marieke aarzelde even.

“Het ziet er allemaal nogal onbewoond uit,” zei ze.

“Welnee,” zei Remco optimistisch. “Er woont vast wel iemand.”

“Maar het is er stikdonker,” zei Marieke. “Er wonen vast geen mensen.”

“Weet je wel hoe laat het is?’ lachte Remco. “De bewoners liggen natuurlijk allang op één oor.”

“Ja, normale mensen slapen inderdaad om deze tijd,” zei Marieke. Het klonk sarcastisch, maar Remco deed net of hij het niet gehoord had. Hij begon het pad op te lopen, dat naar het gebouw voerde. Aarzelend volgde Marieke zijn voorbeeld. De boerderij, of wat het ook was, joeg haar om de één of andere reden angst aan. Toen vanuit het bos de sinistere roep van een uil klonk, klemde ze zich aan Remco vast.

Ze waren het gebouw tot op een meter of twintig genaderd, maar het was en bleef doodstil. Doordat op dat moment de wolken voor de maan wegschoven konden ze zien dat ze voor een oude boerderij stonden. Voor de ramen zaten groengeverfde luiken, die allemaal potdicht zaten.

“Niet echt gastvrij,” constateerde Marieke. “Zullen we het ergens anders proberen?”

“Waarom?” vroeg Remco. “Ik heb geen zin om een meter verder te sjouwen dan nodig is.”

Hij liep naar de deur toe, die in de zijmuur van het boerderijtje zat. Hij wilde er net een stevige roffel op geven, toen Marieke hem tegenhield.

“Volgens mij is er hier iets niet pluis.”

“Onzin,” vond Remco. “Laten we opschieten, want ik wil naar huis.”

Op datzelfde moment hoorden ze een gerucht achter zich.

Geschrokken keken Marieke en Remco om. Over het pad dat naar de boerderij liep, naderde een auto.

“Daar komt de bewoner!” zei Remco opgelucht. “Hopelijk kan hij ons wat benzine lenen.”

De wagen draaide met piepende banden het erf op en kwam op nog geen halve meter voor het tweetal tot stilstand.

Een grote man in een keurig kostuum sprong eruit.

“Hij lijkt helemaal niet op een boer,” schoot het Remco door z’n hoofd. Veel tijd om daar verder over na te denken, kreeg hij niet. De man was in drie grote stappen bij hem en greep hem niet al te zachtzinnig vast bij de revers van z’n jas.

“Wat moet dat hier?” blafte de man.

“We zijn een eindje verderop gestrand en zijn op zoek naar hulp,” legde Remco uit. Hij kon niet voorkomen dat zijn stem trilde.

Minachtend keek de man hem aan.

“En dat moet ik geloven!” zei hij spottend. “Vandaar die cameratas. Je hebt zeker gehoord dat er hier iets niet deugt en komt in het holst van de nacht poolshoogte nemen. Vertel me eens, wie jullie heeft ingeseind.”

“Waar hebt u het over?’ vroeg Remco verbaasd.

“Houd je nou maar niet van de domme!” sneerde de man. “Ik kan op een kilometer afstand ruiken dat jullie voor een krant werken. Of ben je misschien ook van plan dat te ontkennen?”

Zonder op een antwoord van de verbaasde Remco te letten, ritste hij de jas van de jongen los en viste z’n perskaart uit z’n binnenzak.

“Zie je wel dat ik gelijk heb!” zei hij triomfantelijk. “Wel, als je zo graag wilt weten wat er binnen gebeurt, zal ik het je laten zien. Het spreekt voor zich dat ik daarna wel genoodzaakt ben jullie op te sluiten, totdat wij gevlogen zijn.”

Op datzelfde moment ging de deur van de boerderij open en een slaperige jongeman stond in zijn ondergoed in de deuropening.

“Mooie wacht ben jij!” sneerde de man. “Ik wil wedden dat jij lag te pitten, terwijl deze twee nieuwsgierige pottenkijkers rond de boerderij slopen. Nog een geluk dat ik vanavond een fijne deal kon afsluiten met iemand die het spul op stel en sprong nodig had! Nu weten we een ramp te voorkomen. Ik moet er niet aan denken dat ons fijne boerderijtje morgenochtend op de voorpagina van één of andere krant had gestaan.”

“Wat ben je met die twee van plan, Leo?” wilde de man in ondergoed weten.

“Noem mijn naam niet!” siste de man. “Die twee weten toch al meer dan me lief is.” En tegen Marieke en Remco: “Naar binnen jullie!”

“Ik pieker er niet over,” zei Marieke. “Ik begrijp niet waar jullie het over hebben. Die sufferd (ze wees met haar hoofd naar Remco) is zo stom geweest niet te tanken met dat roestige Eendje van hem. Alleen daarom zijn we hierheen gekomen!”

“Met een paar grote tassen, waarin als ik het goed zie een laptop en een camera zitten. Laat me niet lachen. Geef nu maar toe dat jullie een hint hebben gehad en dachten dat jullie hier ’s nachts ongezien konden rondneuzen.”

“Wat gaat u met ze doen, baas?” wilde de wacht opnieuw weten.

“Dat zien we straks wel. Sluit ze eerst maar op in de kelder.”

“Geen sprake van,” zei Remco. “Ik wil hier weg!”

“Je hebt niets te willen,” zei Leo droog. “Hup, hup, naar binnen jullie. Ik heb haast, want er wordt op mij gewacht.”

Als bij toverslag was er een pistool in zijn hand verschenen, waarmee hij Marieke en Remco dreigend gebaarde dat ze op moesten schieten.

Vernietigend keek Marieke Remco aan. Het was duidelijk dat ze hem de schuld gaf van de narigheid waarin ze zo totaal onverwachts waren beland.

“Zou u zo vriendelijk willen zijn mij te volgen?’ vroeg de man in ondergoed spottend. “Het is hier wel niet bepaald het Hilton, maar ik geloof dat er in de kelder nog wel een paar oude matrassen liggen. Daarmee zullen jullie het moeten doen.”

“Maar dit is belachelijk!” protesteerde Remco. “We hebben niets gedaan en er geen flauw benul van wat er hier aan de hand is.”

“Dat zou ik natuurlijk ook zeggen,” zei Leo spottend. “Vooruit, opschieten. Naar binnen!”

Marieke en Remco konden niets anders doen dan de bullebak gehoorzamen. Tussen de twee kerels in gingen zen naar binnen. Ze kwamen in de ruimte, waar vroeger de deel van de boerderij was geweest. Toen ze eenmaal aan het felle licht van een aantal tl-buizen gewend waren, keken ze hun ogen uit. Er stond een machine, waarmee aan de lopende band tabletten vervaardigd konden worden. In een grote kom werden ingrediënten gemengd, die daarna door de machine werden samengeperst tot een soort aspirine-achtige pillen. Puur toevallig waren ze op een geheim laboratorium gestuit.

“Jullie maken hier XTC!” riep Remco verbaasd uit.

“Doe nu maar niet net alsof jullie dat niet al vermoed hadden,” zei Leo. “Maar je hebt gelijk. We maken hier inderdaad XTC. Het is een goudmijn en ik ben niet van plan die door tussenkomst van een paar nieuwsgierige persmuskieten te laten bederven.”

“Misschien willen ze er wel een paar proeven,” grinnikte de jongeman. “Dan kunnen ze geheel vanuit hun ervaring schrijven over het gebruik van verdovende middelen.”

“Het is een idee,” zei Leo. Hij liep naar het einde van de lopende band, waar in een grote bak honderden pillen klaar lagen voor de verkoop. Fel keek hij Remco en Marieke aan.

“Hier,” zei hij, terwijl hij hun een handvol pillen onder de neus duwde. “Als jullie hier wat van gebruiken, zullen jullie merken dat de wereld er heel wat minder bekrompen uitziet dan hij zo op het eerste gezicht lijkt.”

“Ik wil niets met jullie rommel te maken hebben!” zei Marieke. “Jullie zijn walgelijk en gemeen. Dankzij jullie komen een heleboel jonge mensen in de problemen.”

“Ach,” zei de tweede man, die bezig was zich aan te kleden. “Als wij niet voor de pillen zorgen, kopen ze ze wel van een ander. Zoveel kwaad kan het trouwens niet. Dankzij deze XTC kunnen de gebruikers op feesten gewoon wat langer doorgaan, dat is alles. Het is niet eens verslavend.”

“Dat zeg jij,” was Remco het niet met hem eens. “Jullie doen net alsof het gewoon een onschuldig pepmiddel is, terwijl er door die troep al heel wat jongeren zwaar in de problemen zijn geraakt. Hoe vaak raakt er niet iemand op zo’n house-party in coma na het gebruik van XTC?”

“Dat is hun eigen schuld,” wuifde de man zijn bezwaren weg. “Als ze teveel pillen in één keer slikken, is dat niet onze schuld. Het is gewoon een kwestie van vraag en aanbod. De vraag komt van de jeugd en wij leveren het gewenste artikel. Zo gaat het toch altijd in het leven?”

“Met dit verschil dat jullie artikel nu niet bepaald bevorderlijk voor de volksgezondheid,” zei Marieke bitter.

Leo begon luid te lachen.

“We zullen er de volgende keer een bijsluitertje bijdoen,” zei hij. “Deze tabletten kunnen de gezondheid beïnvloeden. Ik ben alleen bang dat zo’n mededeling niet echt zal aanslaan bij de jongeren.”

Hij keek op zijn dure gouden Rolex en zei: “Door dit akkefietje loopt mijn planning behoorlijk in de war. Hup, naar de kelder met jullie. Morgen beslis ik wat er met jullie gaat gebeuren.”

Zonder op de protesten van het tweetal te letten, duwde hij ze naar een deur, die blijkbaar naar de kelder voerde. Leo vond het niet nodig een licht aan te doen, zodat ze in het schemerdonker een plek moesten zoeken waar ze konden gaan zitten. Achter hen viel de deur in het slot.

 

Het duurde even voordat de ogen van Marieke en Remco aan het halfduister gewend waren. Vanuit een kelderraampje viel een straaltje licht naar binnen. Het was duidelijk dat de ruimte niet gebruikt werd; er lagen alleen wat oude juten zakken en wat verroeste gereedschappen.

“Wat een toestand,” verzuchtte Remco vanuit de grond van zijn hart. “Hoe is het mogelijk dat we juist bij dit boerderijtje aan moesten kloppen?”

“Wat doet het er toe,” zei Marieke mat. “Voorlopig moeten we maar weer zien hoe we ons hier uitredden.”

“Met een beetje geluk kunnen we de kelderdeur zo intrappen,” zei Remco optimistisch. “Zo dik zal die niet zijn.”

“Je vergeet meneer ondergoed,” zei Marieke. “Die ene vent, die Leo, zal inmiddels wel vertrokken zijn, maar ik neem aan dat die andere kerel ook gewapend is. Dergelijke onderwereldfiguren zijn meestal op alles voorbereid.”

“Het is in ieder geval weer een leuke primeur voor de krant,” bedacht Remco hardop. “XTC-laboratorium ontdekt op de Veluwe.”

“Wie zou dat moeten schrijven?” vroeg Marieke spottend. “We zitten hier opgesloten, weet je wel!”

“O,” zei Remco optimistisch. “We vinden vast wel een oplossing.”

“Dan zou ik die maar eens rap gaan zoeken als ik jou was,” zei Marieke. “Ik voel er niets voor hier een minuut langer te blijven dan noodzakelijk is. Ik weet niet hoe jij er over denkt, maar ik verlang naar mijn bed. Het is jouw schuld dat we hier zitten, dus…”

Remco zweeg. Uit ervaring wist hij dat het geen enkele zin had met Marieke in discussie te gaan. Hij tuurde naar het venster. Met een beetje goede wil zou een niet al te groot iemand er zich misschien door kunnen wurmen.

Hij stond op en struikelend over de rommel liep hij naar het raampje. Met zijn ogen mat hij de afstand tussen de sponningen. Volgens hem moest het lukken. Het punt was alleen dat hij dan eerst het raampje moest inslaan en het was bijna zeker dat hun bewaker het geluid van het brekende glas zou horen.

“Wat doe je?” vroeg Marieke.

“Ik moest toch een oplossing zoeken? Nou, ik denk dat ik er één heb gevonden. Als ik je help, moet je via het raampje kunnen ontsnappen.”

Marieke stond op en kwam naast hem staan.

“Het zou misschien net kunnen,” gaf ze toe. “Maar ik voel er weinig voor m’n handen en lichaam aan het glas te bezeren. Hoe dacht je dat op te lossen?”

“Laten we eerst de ruit er maar uittikken,” zei Remco. “Alleen denk ik wel dat het beter is daar een uurtje mee te wachten. Over een uur of zo zal onze bewaker denk ik wel weer in slaap gesukkeld zijn. Als hij ons dan toch hoort, weet ik geen oplossing. Maar ik denk dat dat onze enige kans is.”

Hij legde zoveel mogelijk zakken onder het venster, om zo het gerinkel van het vallende glas te dempen en toen begon het lange wachten.

 

Traag kropen de minuten voorbij. Na drie kwartier hield Remco het niet langer uit. Hij pakte één van de juten zakken en liep daarmee naar het venster. Eerst voorzichtig, maar daarna harder begon hij tegen het glas te duwen. De ruit kraakte in zijn sponningen, maar brak niet.

“Dan maar zo,” zuchtte Remco. Hij wikkelde de zak stevig om zijn vuist en sloeg daarmee tegen het glas, dat daardoor brak. Een gedeelte van de scherven viel op de zakken, terwijl de val de rest ervan gebroken werd door het lange gras dat buiten voor het raampje groeide. Al met al maakte hij niet eens zoveel lawaai, maar voor de twee in de kelder klonk het toch oorverdovend.

Minstens vijf minuten bleven ze doodstil wachten op de dingen die komen moesten, maar er gebeurde niets. De naamloze man had niets gehoord.

Toen hij er zeker van was dat ze niet betrapt waren, begon Remco voorzichtig het glas uit de sponningen te verwijderen. Toen hij daarmee klaar was pakte hij een jute zak en legde die buiten op het gras, zodat Marieke zich niet aan de scherven zou snijden.

“Zo moet het gaan,” fluisterde hij toen hij klaar was. “Zie je het zitten?”

Marieke knikte. Ze begreep dat alles nu van haar afhing. Dat ze er best tegenop zag alleen bij wildvreemden midden in de nacht aan te bellen, zei ze maar niet. Het kon immers niet anders.

Het meisje maakte zich zo smal mogelijk en met behulp van Remco  wist ze zich door de nauwe opening te wurmen. Ondanks Remco’s voorzorgen, kon ze niet voorkomen dat ze haar kousen openhaalde aan een stuk vergeten glas, dat ook nog eens voor een lelijke jaap op haar been zorgde. Eenmaal buiten boog ze zich naar Remco toe.

“ik probeer zo snel mogelijk terug te zijn,” beloofde ze. “Ik hoop dat onze cipier intussen niet merkt dat ik ben gevlogen, want dan heb je kans dat hij jou ik weet niet wat aandoet.”

“Ga nu maar,” zei Remco gespannen. “Straks komt die Leo misschien terug en ontdekt hij dat je ontsnapte bent.”

Marieke knikte. Ze kwam overeind en begon te hollen. Gelukkig was het pad naar de boerderij nog steeds uitgestorven.

Het duurde nog ruim een kwartier voordat ze volgende boerderij ontdekte. Toen ze het erf opliep kwam er en zwarte schim om de hoek aangerend, die haar komst luid blaffend aankondigde. Het koude zweet brak het meisje uit. Zodra ze een voet probeerde te verzetten, ging het beest nog luider tekeer. Het duurde dan ook niet lang, voordat er op de eerste verdieping van de boerderij een licht aanging en een slaperige stem riep: “Houd je bek, beest!”

Marieke maakte van de gelegenheid gebruik om te roepen: “Kunt u me helpen, meneer!”

Even keek de man verbaasd, toen hij zag dat er een jonge vrouw op zijn erf stond, toen mompelde hij: “Ik kom eraan. Blijf waar je bent als je leven je lief is.”

‘Net alsof ik van plan was weg te gaan,’ dacht Marieke bij zichzelf. Ze was blij toen de boer de waakhond had vastgelegd en haar voorging naar de keuken. Daar legde ze uit wat er gebeurd was.

“Dacht ik het niet,” mompelde de boer. “Ik wist wel dat er in de oude boerderij  van Harmsen vreemde dingen gebeurden. Hij is een jaar of wat geleden overleden en sindsdien is het er een gaan en komen van stadse meneren. Dus ze hebben daar een XTC-laboratorium ingericht! Ik denk dat de politie wel raad weet met dergelijke snuiters.”

Hij wees Marieke de telefoon, maar die vroeg: “Zou u willen bellen? Ik heb er geen flauw idee van waar we zijn.”

De boer knikte.

 

Een half uur later reed Marieke achterin een politieauto naar de boerderij van Harmsen. Bij het zandpad aangekomen doofde de bestuurder de lichten. Voorzichtig reed hij een nauw zijpad in, zodat de wagen aan het oog werd onttrokken.

“We wachten hier op versterking en gaan er daarna lopend op af. We willen niet dat de heren argwaan krijgen.”

Hij was nog maar net uitgesproken toen een tweede politiewagen zich bij hen voegde. Er sprongen vier agenten uit.

“Laten we er op af gaan,” zei de wachtmeester die de leiding had.

In de schaduw van de bosrand slopen de zes agenten met Marieke in hun kielzog naar de oude boerderij. Het erf lag er nog steeds stil en verlaten  bij. Van Leo of van zijn auto was er geen spoor te bekennen.

“Kom op, mannen,” zei de wachtmeester.

“Wacht even,” zei Marieke. Zonder op antwoord te wachten, haastte ze zich naar het keldervenster.

“Pst, Remco,” fluisterde ze.

“Is het gelukt?’ klonk zijn stem uit het halfduister.

Marieke knikte. Ze was even vergeten dat Remco dat natuurlijk niet kon zien.

“Geef me mijn fototas eens aan,” zei ze. Remco had zowel de laptop als de fototas mee naar beneden genomen en tot hun stomme verbazing hadden de twee pillendraaiers ze hem niet afgenomen.

“Je wilt de inval fotograferen,” begreep Remco. Vlug overhandigde hij Marieke de tas. Zijn hart bonsde in zijn keel. Het afgelopen uur had hij behoorlijk in de rats gezeten en hij begreep heel goed dat het gevaar nog niet voorbij was. Als die pillendraaier te vroeg argwaan kreeg, had je kans dat hij in paniek zou raken of Remco als schild zou gaan gebruiken. Uiteraard voelde de jongen daar niets voor.

Lang werd Remco’s geduld niet meer op de proef gesteld. Met een welgerichte trap schopte één van de agenten de oude, gammele deur in en nog geen vijf tellen later hoorde Remco een rustige stem zeggen: “Opstaan en handen boven het hoofd. Het spel is uit.”

Overal klonken nu de krakende geluiden van heen en weer lopende mensen en kort daarop zwaaide de kelderdeur open.

“Kom er maar uit,” zei Marieke opgewekt. “Mister ondergoed is in de boeien geslagen en verder is er hier niemand.”

Opgelucht pakte Remco zijn laptop en klom hij naar boven. Zijn bewaker zat, opnieuw in ondergoed, op een bed in een hoek van het vertrek, waar ook de machine stond waarmee de XTC-pillen werden gedraaid. Eén van de politiemensen was al begonnen met de ondervraging.

“Wanneer komt je maat terug?” vroeg hij.

De misdadiger keek nors voor zich uit,maar zei geen woord.

“Ik denk niet dat hij vannacht nog terugkomt,” zei Remco. "Hij had nog een deal en het lijkt mij waarschijnlijk dat hij daarna  naar huis gaat. Volgens mij wonen die twee hier niet.”

“Dat klopt met wat die boer waarvandaan ik belde, zei,” was Marieke het met hem eens.

“Dan lijkt het me het beste dat we hier een paar mannetjes achterlaten om de boel te bewaken en op eventuele medeplichtigen te wachten,” zei de wachtmeester. “Dit zwijgzame heerschap nemen we mee naar het bureau om hem nader aan de tand te voelen. Naar bewijzen hoeven we in ieder geval niet te zoeken.”

Hij wendde zich tot Marieke en Remco: “Ik neem aan dat jullie naar huis willen?!”

“Inderdaad,” zei Remco vlug. “Maar al met al staat mijn Eend nog altijd een kilometer verderop zonder benzine.”

“Dat is gauw genoeg verholpen,” stelde de wachtmeester hem gerust. “Ik heb een kan met vijf liter benzine in de kofferbak van m’n auto staan. Daarmee moeten jullie een heel eind kunnen komen."

 

Zo’n twintig minuten later zaten Remco en Marieke weer in de auto. Voor hun vertrek had het meisje nog gauw wat foto’s gemaakt van het laboratorium en de XTC-pillen. Het avontuur zou hen een mooie primeur opleveren.

“Ben je bang geweest?” vroeg Remco, voordat hij de motor startte.

Marieke knikte.

“Ja,” zei ze, “maar niet zo erg als toen met de Wreker. Ik geloof niet dat die mannen van plan waren ons te vermoorden.”

“Toch maken ze heel wat mensenlevens stuk met hun smerige rommel,” zei Remco. “Ik ben blij dat we hebben kunnen voorkomen dat deze pillen op de markt kwamen.”

“Het is alleen een druppel op een gloeide plaat,” zei Marieke. “Deze kerels verdwijnen een tijdje achter de tralies, maar er blijven genoeg anderen over die doorgaan. Zolang er mensen zijn zal de misdaad ook blijven bestaan.”

“Dat ben ik niet met je eens,” zei Remco. “Straks, in de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde, zal alles anders zijn.”

“Met dat ik het zei, zat ik hetzelfde te bedenken,” zei Marieke. Ze zweeg even en voegde er toen aan toe: “We mogen God wel danken dat Hij ons vannacht heeft bewaard.”

“Zullen we dat samen doen?” stelde Remco voor. Tot zijn verrassing knikte Marieke instemmend.

“Bid jij maar,” zei ze simpel.

Samen vouwden ze hun handen en sloten ze hun ogen. Na het “Amen” van Remco bleef het een tijdje stil. Daarna startte de journalist de auto en zwijgend reden ze in de richting die de agenten hun hadden gewezen.

 

Het was al bijna dag toen ze Amersfoort binnenreden.